startpagina

trefwoorden


literatuur





zingeving

Associëren met tweede-taal leerders



Wat heb je thuis nodig?

Taal stelt je in staat iets uit te drukken van wat je denkt en voelt.
Dat is iets wat ieder opgroeiend kind wil en dat verbindt kinderen met elkaar en met de wereld om hen heen.

Taal-leren is Ervarings-leren
Leerlingen zien dingen, leggen die naast hun eigen ervaringen en vergelijken die.
Waar denk je aan als je zoiets ziet of dat hoort of dit meemaakt?
Zelfs in hun fantasieën kan taal een ervaring oproepen.
Associaties kunnen een taalontwikkeling efficiënt op gang brengen.

Aanleiding voor een bijzondere werkvorm
Met de komst van veel leerlingen uit AZC's in de Nederlandse Basis- en Middelbare scholen is het zinvol te kijken naar het huidige NT2 aanbod dat mogelijk niet zonder meer bruikbaar is voor de situatie van de dag.

Voor de gezinnen die huis en haard verlaten en zich richten op een plek in een vreemd land spelen associaties een grote rol.
Ons land associeert men bijvoorbeeld met veiligheid, geluk, helderheid, geborgenheid en zo meer.
Bij al die associaties horen beelden die voor ieder individu verschillend maar vooral persoonlijk gevormd zijn.

De situatie
Een school voor voortgezet onderwijs krijgt via een AZC een aantal leerlingen toegewezen.

Er is geen draaiboek of curriculum voorhanden.
Improviseren blijkt dan plaats te bieden aan een frisse aanpak.

Waarom associatief werken?
De meeste, meestal danig verouderde cursorische leermiddelen gaan uit van een in het algemeen technische leergang van woordenschatontwikkeling waarbij de individuele inbreng van de student niet voorop staat.

Doelen
Leerlingen leren met behulp van elkaars associatieve en vaak abstracte vormonderdelen beeldend vormgeven. Ze leren in een proces van beeldende vormgeving samen te werken.
De individuele creatieve prestatie is ondergeschikt aan het groepsproces.
Ze leren hun associaties met afbeeldingen te verwoorden, mondeling en schriftelijk.
Het werken op basis van persoonlijke associaties heeft het effect dat de woordenschat en de inhoud van de geleerde teksten intensiever bij de student beklijven.

Samenwerken
Een gunstig effect van de werkvorm 'Eerst Beeld, dan Taal' is dat het mogelijkheden biedt voor uitwisseling van collages en teksten tussen Nederlandstalige en Anderstalige leerlingen.
Daarmee is een integratie een stap dichterbij gezet.

De werkvorm
De leerlingen maken collages en gebruiken daarbij afbeeldingen die uit tijdschriften geknipt zijn.
Het betreft details van onderwerpen zoals dingen in huis, buiten, in de wereld.
De werkstukken worden binnen de eigen groep asielzoekers uitgewisseld, maar gaan ook naar een parallelgroep Nederlandstalige leerlingen.

Bij de gemaakte collages wordt de vraag gesteld: "Waar denk je aan bij deze afbeelding?"
De leerlingen schrijven een korte tekst bij de collage in hun eigen taal en eventueel in het Engels of Frans wie dat beheerst.

Door het regelmatig uitwisselen van de afbeeldingen ontstaat een interessante en levendige variëteit aan associaties.
Nadrukkelijk moet in de opdracht vastgesteld worden dat het gaat om een associatie die per definitie altijd persoonlijk is.
Het gaat niet om een beschrijving van wat je ziet als je de collage bekijkt en nog minder om het geven van een mening er over.

Uitvoering van de werkvorm

Docenten verzamelen met behulp van familie en vrienden geïllustreerde tijdschriften, catalogi, en ander drukwerk.
Ze knippen met behulp van hun kinderen, stagiaires, vrienden etc. fotodetails uit de verzameling.
De knipsels worden per onderwerp gesorteerd en in plastic mapjes opgeborgen.
Ieder mapje heeft een etiket met de titel van het onderwerp en zo mogelijk de sub- onderwerpen in het Nederlands. Dieren / een kip, kippen / het paard / de eekhoorn.

Selecties:
Het huis: de keuken / de woonkamer / de slaapkamer / de douche / etc.
Buitenshuis, de tuin / het schuurtje / de school / het station / de bushalte / een winkel / de vuilcontainer / etc.
Voedsel: brood / groente / pizza's / melk / frisdrank / etc.
Natuur: bomen / planten / dieren / landschappen /etc.
Vervoersmiddelen: fiets / auto / trein / veerpont / kinderbakfiets / etc.
Ambachten: hamer / boormachine / zaag / etc.
En zo meer als iedereen maar kan bedenken.

De twee groepen leerlingen:
Stel op een evenwichtige manier, voor wat betreft aantal en leeftijd, parallelle leerlingen groepen samen uit NT2 en NT1.

De opdracht in elke groep:
1. Een kort kringgesprek.
Er is geen vooraf gesteld onderwerp. De docent schrijft in steekwoorden op het bord waar het gesprek over ging.

2. Leerlingen kiezen voor één van de steekwoorden
en zoeken daar één of meer mapjes knipsels bij.

3. Binnen het kader van een A4tje maken de leerlingen een collage.
Ze kunnen de knipsels verder naar eigen inzicht aanpassen.

4. Vertelronde.
De leerlingen laten om beurten hun collage zien en vertellen waar ze aan gedacht hebben toen ze de collage maakten.
Nogmaals, ze beschrijven de afbeelding niet en geven ook geen mening over het onderwerp.
Het gaat over de associatie die ontwikkeld is.

5. Schrijven in klad.
De leerlingen schrijven in hun eigen taal of bijvoorbeeld Engels een kort fragment van hetgeen ze verteld hebben. Ze kopiëren de Nederlandse tekst die op de knipselmappen staan die ze gebruikt hebben.

6. Voorleesronde.
Zo goed als het lukt lezen de leerlingen hun tekst voor. Ander deelnemers in de groep mogen een vraag stellen als iets niet duidelijk is. Ze mogen beslist geen commentaar geven.

NB In alle stappen doen de docenten mee en zorgen er voor dat het proces op gang blijft.

7. De collages en de kladteksten
gaan met een paperclip aan elkaar in een enveloppe naar de andere groep. Het werk is door de makers gesigneerd.

8. Een activiteit voor de docenten en eventuele vrijwilligers.
In principe zie ik voor mij dat de kladteksten, die in bijvoorbeeld Arabisch geschreven zijn, vertaald worden in het Nederlands voor zover daar mogelijkheden zijn.
Ik kan mij ook voorstellen dat de deelnemende docenten Beeldende vorming, Nederlands, Engels en Frans zelf ook ideeën daar over hebben.

9. Een 'Buddy'
Na ontvangst van de zending neemt iedere leerling één van de collages en kladteksten onder de hoede. Hij of zij laat alles zien, leest voor en noteert de associaties van de groep in steekwoorden.

10. De Buddy schrijft een eigen associatie bij het werk.

NB voor de docent is dit een onderdeel dat de nodige aandacht en begeleiding nodig heeft.
Het gaat erom dat de leerling met een 'open mind' naar de collage van de ander kijkt en daar zijn eigen ervaring op weergeeft. Dat wil zeggen op de afgebeelde situatie en niet op het beeld zelf. Het lijkt voor de hand liggen maar in mijn ervaring verdwalen de kinderen hier soms in beschouwingen en kritische uitspraken.

11. Het pakket werkstukken gaat weer terug.
De verschillende teksten worden weer voorgelezen. De Nederlandse woorden die beetje bij beetje in de teksten terecht komen worden op de juiste manier uitgesproken en gecorrigeerd en zo meer.
Hierna volgt een proces van grammatica en wat er nodig is om van taalvorming naar taalbeheersing over te gaan.

12. In het net.
De behandelde teksten worden 'in het net' onder de collages geschreven en op een speciale plek in de school tentoongesteld.

De rest moet je zelf bedenken.

Henk van Faassen


naar boven
naar index