startpagina

trefwoorden


literatuur

lees ook:

Taalvermogen

Kinderen ontwikkelen zichzelf



 

gerommel aan goede zorg
voor de talige ontwikkeling van jonge kinderen

Met Meten Meer Weten

Visie, Verwondering en Verbeelding.

Wie wil weten of een kind iets onder de leden heeft stopt het een meetinstrument in zijn oor of achterwerk.
Meten is weten.
Maar wat weet je als je een koortsthermometer gebruikt?
Je weet dat als een kind een temperatuursverhoging heeft er ergens een ziek plekje is waar die warmte vandaan komt. De meeste moeders zien al van verre dat haar kind grieperig is.
Maar het kan ook iets anders zijn dat je niet van je thermometer kan aflezen of intuitief kunt zien.
Dus meten is een béétje weten.

Wie wil weten of een kind wel genoeg woorden geleerd heeft moet het, volgens bezorgde ouders en ernstig kijkende pedagogen, laten toetsen.
Maar een woordenthermometer bestaat niet.
Dus moeten de deskundigen er op een andere manier achter komen.
Met meten weet je nog niets over de woordenschatontwikkeling van een individueel kind.
Jonge kinderen maken krastekeningen en schrijven hun woorden nog niet voor iedereen leesbaar op.
Moeders en juffen weten wel veel over de woordenschatontwikkeling als ze met liefde en aandacht naar hun kinderen kijken en luisteren als die met hun dagelijkse spel bezig zijn.
Er is geen toetsinstrument dat dit doet.

Maar hoe moet het dan?

Een mogelijkheid is als het onderwijs zich zou inspannen om de nadruk van kennisontwikkeling naar hersenontwikkeling te verschuiven.
Bij hersenontwikkeling draait het om interactie.
Verbeeldingskracht gaat zogezegd boven kennis.
Beelden die een kind daarbij in zijn hoofd vormt, voorziet het van eigen woorden.
Met die woorden draagt het zijn emoties en associaties over naar de volwassenen, de ouders en leerkrachten.
Die moeten zich inspannen om die woorden te decoderen en niet te corrigeren.
Op die manier ontwikkelt zich op een natuurlijke manier een wisselwerking en in een verdere verdieping daarvan zijn kinderen best in staat de juiste woorden in een algemeen vastgestelde spelling te gebruiken.
Dit natuurlijke proces wordt hardhandig verstoord als je kinderen verplicht eerst woorden uit een lijst te leren gebruiken.

Als kinderen veel plezier hebben in het uitwisselen van hun gedachten en wederwaardigheden in verhalen, tekeningen en rollenspelletjes, oefenen ze ook hun cognitieve vaardigheden beter.
Dat komt omdat die lol en motivatie de bewegelijkheid van hun hersentjes verhogen.

We moeten onze kinderen niet lastig vallen met de verplichting om op een bepaalde leeftijd een bepaalde bak*) met woorden in een bepaald tempo tot zich te nemen.
En het is zeker zo dat de taalwetenschappers onmogelijk kunnen bepalen welke woorden dat moeten zijn. Toch doen ze dat en stellen placemats en andere technische hulpmiddelen samen.

De kinderen moeten bijvoorbeeld het woord 'opticien' kennen terwijl ze veel meer kunnen vertellen over de 'brillenwinkel' waar ze geweest zijn.
Of, wat ik ook ontdekte, dat kinderen die een nieuw broertje of zusje gekregen hebben, lastig gevallen worden met het woord 'bevolkingsregister', als ze vertellen dat hun vader naar het stadhuis geweest is om te laten opschrijven hoe hun zusje heet. Maar nee hoor, de juf houdt vol dat pappa het zusje 'aangegeven' heeft. Verbazing alom, want zusje lag lekker in haar wiegje, hoe kun je het dan aan iemand van het stadhuis geven?

Naarmate er meer hersenonderzoek gedaan wordt, heeft dat invloed op de manier waarop we onze kinderen opvoeden en onderwijzen.
Kinderen zijn geprogrammeerd om dingen te doen die ze nodig hebben voor hun ontwikkeling.
Die hersenactiviteiten zijn te meten.
Met bijvoorbeeld scans is vast te stellen dát er activiteit in een bepaald deel van de hersens plaatsvindt. Maar het is onmogelijk, vast te stellen met wélke woorden die hersens bezig zijn. Daaruit volgt dat het evenzeer onmogelijk is om voor de kinderen te bepalen welke woorden ze in een bepaalde leeftijdsfase nodig hebben.
In de hoop om iets meer bij het meten te weten te komen worden grote groepen proefkinderen getoetst en de uitslagen machinaal op de computer vergeleken.
Maar ja dat zijn zo veel verschillende kinderen en de computers herkennen de eigenschappen van al die individuele kinderen niet. Voor stadskinderen en kinderen op het platteland, of die van een ander land, zijn er verschillende talige uitdagingen waarbij ze even zo veel verschillende woorden gebruiken.
Het is daarom zinloos scholen te verplichten algemene woordenlijsten te gebruiken.

De zinloosheid van woordenlijsten is dat woorden los van een context worden aangeboden. Behalve dat zijn het woorden die in de hoofden van deskundologen opborrelen als er geen kind in de buurt is.
Woordenschatuitbreiding is alleen zinvol als de woorden worden gevonden in een voor kinderen relevante en betekenisvolle context, waarbij de kinderen actief met hun eigen woorden bezig gaan.

Henk van Faassen


*)
De gemeente Amsterdam maakte voor de Amsterdamse kleuterleerkrachten placemats met daarop woordenlijsten, Basiswoordenlijst Amsterdamse Kleuters (BAK) genaamd. Op de placemats staan basiswoorden afgedrukt. Woorden, waarvan de makers van de lijsten vinden dat de Amsterdamse kleuters die, bij aanvang van groep 3, op zijn minst moeten kennen. De gemeente Amsterdam wil door gebruik van de placemats bereiken dat alle kleuters optimaal starten in groep 3.


naar boven


naar index