Leren
lezen en schrijven

*) Verklarende
woordenlijst bij het leesplankje
de
week van de alfabetisering
Met allerlei campagnes en evenementen zal worden geprobeerd
de aandacht van het publiek te vestigen op het nationale feit
dat in dit land anderhalf miljoen 'laaggeletterden' wonen.
Dat zijn mensen die niet of nauwelijks kunnen lezen.
Eenvoudige overheidsformulieren, bijsluiters, publieke waarschuwingen
kunnen ze niet begrijpen. In de supermarkt laten ze zich bij
hun keuze leiden door de plaatjes op de verpakking. Van deze
anderhalf miljoen zijn een miljoen autochtoon en van hen weer
een kwart totaal analfabeet. Een half miljoen allochtonen
is laaggeletterd.
Dat zijn de cijfers van dit jaar.
Maar
hoe vergaat het de hooggeletterden?
Onder hen zijn de afgestudeerden van de Universiteiten en
de Pabo's.
Hen wordt de oren gewassen met opmerkelijke woorden en begrippen
zoals die op het leesplankje voor gevorderden voorkomen. *)
Zij moeten zich inzetten om de laaggeletterden naar geletterdheid
te helpen.
Columnist
Henk Hofland heeft de situatie helder uitgelegd
Hij
schreef:
In 1996 bleek uit een onderzoek van het Max Goote Kenniscentrum
dat er toen een miljoen functioneel analfabeten waren; wat
nu laaggeletterd wordt genoemd.
Dat er binnen een jaar of vijftien een half miljoen zijn bijgekomen,
is geen wonder.
Ook analfabeten trouwen, krijgen kinderen. Het milieu waarin
ze opgroeien zal hun intellectuele nieuwsgierigheid niet stimuleren,
om het zacht te zeggen.
Onwetendheid is als een gletsjer die per generatie verder
de maatschappij binnenschuift. Analfabetisme dat min of meer
op zijn beloop wordt gelaten, is de grondslag voor een klassenmaatschappij.
Deze onderlaag wordt nu toenemend geïsoleerd naarmate
de communicatie in de hogere regionen verder wordt gedigitaliseerd.
Analfabeten hebben geen laptop; alleen televisie waarop ze
naar de programma's kijken die ze kunnen begrijpen.
Veel zenders passen zich aan, in het bijzonder de commerciële,
want dit publiek mag dan niet of gebrekkig kunnen lezen en
schrijven maar het bestaat wel uit consumenten.
Het uiteindelijk resultaat is een verplatting van het aanbod,
waardoor het klassenonderscheid wordt bevestigd.
Hieruit verschijnt het zwartste perspectief: gaat de ontwikkeling
op dezelfde manier verder, dan groeit uit het analfabetisme
binnen een paar generaties een kastenmaatschappij, waar de
grondslag van de democratie, de fundamentele gelijkheid, onherstelbaar
gesloopt zal zijn.
De verbreiding van internet betekent niet dat in de digitale
bovenlagen ideale democratische verhoudingen zullen heersen.
Het is waar: wat we aan het begin van deze eeuw de digitale
snelweg noemden, heeft de vrijheid van meningsuiting op een
toen nog onvoorstelbare manier bevorderd.
Het wereldwijde web heeft een onafzienbare hoeveelheid informatie
voor iedereen die met een laptop kan werken toegankelijk gemaakt.
Bovendien kan iedereen laten weten wat hij van alles vindt.
Nooit zijn zoveel mensen in staat geweest over zoveel zaken
een zo groot publiek te laten weten wat ze ervan denken. Iedere
dag wordt er bij wijze van spreken een paddestoelwolk van
opinies de digitale wereld ingestuurd.
Met Facebook en Hyves kun je desnoods
duizenden vrienden maken.
Internetkranten stellen je in de gelegenheid uit de onkwetsbaarheid
van je anonimiteit de machtigsten ter wereld ongenadig uit
te schelden. Met Twitter laat je in 140 tekens je diepste
wijsheid van het moment weten.
Maar dit wil niet zeggen dat de gebruikers van al deze fantastische
faciliteiten weten waar ze het over hebben.
Om goed van de schatkamers van informatie gebruik te kunnen
maken, moet je weten waar je moet zoeken en datgene te begrijpen
wat je hebt gevonden.
Dit alles vooronderstelt kennis van zaken die een mens nu
eenmaal vergaart in een vooropleiding die toewijding, energie
en jaren vergt.
Daaraan ontbreekt het al diegenen voor wie de wetenschap van
internet wel bereikbaar is, maar de inhoud abracadabra.
Menno ter Braak in 1937
Zijn formulering die hij in zijn 'Het
nationaal-socialisme als rancuneleer' gebruikte,
heeft een nieuwe actualiteit gekregen.
"Naarmate het bezit van cultuur meer als een recht wordt
gevoeld, wordt de afstand die er bestaat tussen dat recht
op alles en het bezit van weinig in de praktijk, meer beseft
als een onrecht.
Degene die hier het slachtoffer is kan het meerdere bezit
van de ander niet verdragen. Het maakt hem hels, de ander
bevoorrecht te zien. Hij wrokt omdat hij in de wrok althans
de lust van de permanente ontevredenheid beleeft."
Elitair
Heeft de schijn van gelijkheid die door de verbreiding van
internet is ontstaan deze wrok tot een eigentijds verschijnsel
gemoderniseerd?
Ligt hier de verklaring van de wijdverbreide haat tegen de
'elite', bestaande uit mensen die het dankzij hun opleiding
en ervaring op een grote verscheidenheid van gebieden beter
weten dan wat vroeger de 'leek' werd genoemd?
Als van iemand nu gezegd wordt dat hij 'tot de elite hoort',
is dat in negen van de tien gevallen een verdachtmaking.
Elite is een scheldwoord geworden, niet alleen hier; ook in
Amerikaanse populistische kringen. 'Linkse elite', nog erger
- terwijl toch president George W. Bush, de neoconservatieven
en de bankiers aan de wortel van onze tegenwoordige problemen
hebben gestaan.
De agressie van de verongelijkten gaat verder.
Mensen die geestelijk tot het nieuwe lompenproletariaat horen,
keren zich tegen personeel van de ambulance, het openbaar
vervoer, de politie.
Er groeit een nieuwe revolutionaire klasse die op zichzelf
weer in allerlei geledingen verdeeld is, maar die hebben stuk
voor stuk één eigenschap gemeen: ze weigeren
gezag dat op deskundigheid gebaseerd is.
De diepste oorzaak daarvan is de haat van de weinig tot niets-weters
tegen degenen die in kennis superieur zijn.
En deze nieuwe revolutionairen zijn weer het product van het
verwaarlozen van, het experimenteren, het gehannes met het
degelijk onderwijs.
Dat verval is tientallen jaren geleden begonnen.
Nu krijgen we de week van de alfabetisering. Dat tekent de
situatie
Tot zover Henk Hofland in NRC 25 08 2010
Ongeletterden
zijn erg duur
"Geletterdheid is een randvoorwaarde voor een gezonde
en duurzame samenleving".
Dat hebben ze goed begrepen bij de stichting Lezen en schrijven,
waar H.K.H. Prinses Laurentien der Nederlanden aan
het hoofd van de tafel zit.
Vroeger heette Laurentien Prinses Petra, maar dat klinkt
een beetje laagliterair.
Men gaat voortvarend aan de slag en wil al in 2009 klaar zijn
met die vervelende situatie van al die dure ongeletterden,
zodat de stichting zich dan kan opheffen.
Dat is dus nog niet gelukt.
Jarenlang zijn veel idealistische vrijwilligers al bezig om
mensen met lezen en schrijven te helpen. Pas als een koninklijke
vrijwilligster een handje helpt en vooral als analfabetisme
Nederland jaarlijks 537 miljoen blijkt te kosten komen we
in actie.
Het is zeer de vraag of een weekje ongeletterdenverering helpt.
*)
Verklarende woordenlijst bij het
leesplankje voor gevorderden
Dagritmekaartje
Met dagritmekaarten geven leerkrachten vaste activiteiten
en routines van een dag aan.
Dat kan goed zijn voor de ontwikkeling van tijdsbesef bij
kleuters.
Er kunnen kaarten bedacht worden met symbolen voor de dagen
van de week, de seizoenen of voor activiteiten zoals tekenen
en schilderen, spelen in de bouwhoek of bewegen in het gymnastieklokaal.
Elke dag wordt voor de kinderen opgedeeld in hapklare brokken
en de leerkracht heeft de illusie dat de kinderen inspraak
hebben bij het vaststellen van het programma, maar dat is
natuurlijk niet zo.
Samen met de kinderen worden de kaarten in chronologische
volgorde opgehangen en ze weten precies welke activiteiten
er komen en welke voorbij zijn.
Dat is gemakkelijk voor de begeleider, maar de kinderen hebben
zo hun eigen dagritme en dat laat zich moeilijk met pictogrammen
vastleggen.
Steungroep
De steungroepaanpak is een oplossingsgerichte strategie voor
het aanpakken van klachten over bijvoorbeeld pesten, vooral
in basisscholen.
Waar leerkrachten met hun handen in hun haar zitten wordt
een blik externe deskundigen te hulp geroepen.
Die stellen voor dat het kind dat van streek is wordt geïnterviewd
om uit te vinden wie er pest en wie gepest wordt. Wie er vrienden
zijn en wie niet.
Het kind wordt gerustgesteld dat dingen beter zullen gaan
als er een steungroep van een stuk of vijf kinderen wordt
gevormd uit de vriendengroep. Aan deze groep wordt gevraagd
om te helpen om hun vriendje of vriendinnetje gelukkiger te
maken op school. Er wordt niet gepraat over de reden waarom
het kind niet gelukkig is. Het woord 'pesten' wordt helemaal
niet gebruikt. De kinderen wordt gevraagd om kleine dingen
te bedenken die zij zouden kunnen proberen. Er wordt afgesproken
om een week later te kijken wat er geholpen heeft en wat niet.
Risicolezen
Risicolezer is de naam voor kinderen die afhaken als het om
lezen gaat.
Zodra je als kind zo geregistreerd staat krijg je een speciale
leesles die afgestemd is op je lage leesniveau. Je krijgt
verlengde instructie, begeleide verwerking, begeleide oefening
en extra leestijd. De kinderen die het betreft moeten gemakkelijke
teksten steeds opnieuw lezen om op die manier de leesvaardigheid
te automatiseren.
Jammer is dat de inhoud van die speciale teksten meestal zo
inhoudsloos vervelend is dat de belangstelling ervoor snel
verdampt. Inhoudsvolle en spannende teksten trekken kinderen
in vele gevallen meer aan dan al die zogenaamde gemakkelijke
teksten.
Met vervelende teksten nemen de kinderen zelf het risico om
die maar niet meer te lezen.
Het is de bedoeling dat risicolezers binnen de groep zich
op trekken aan betere lezers.
Voorwaarde zou dan wel moeten zijn dat er sprake is van een
gedeelde belangstelling voor inhoud van die teksten.
Summatieve
toets
In de zestiger jaren concepten voor formatieve- en summatieve
evaluatie geïntroduceerd.
Dat gaf veel verwarring
Volgens mijnheer Scriven is niet de beoogde functie
van een evaluatie doorslaggevend voor het als formatief dan
wel summatief classificeren ervan, maar de gebleken functie,
dat wil zeggen, de functie die ze vervuld heeft. Hoewel een
evaluatie meestal wel met hetzij een summatief, dan wel een
formatief doel gestart wordt, kan men de werkelijke aard ervan
pas achteraf vaststellen.
Kunt u het nog volgen?
Opbrengstgericht
onderwijs
Opbrengstgericht werken is een belangrijke pijler van de kwaliteitsagenda
Primair Onderwijs, maar staat in de praktijk nog in de kinderschoenen.
Opbrengstgericht werken betekent dat leerkrachten zich in
het bijzonder op leeropbrengsten zouden moeten focussen. Toetsresultaten
spelen daarin een rol, maar ook de dagelijkse praktijk van
observeren van leerlingen, nakijken van werk en dergelijke.
Laat ik nu toch altijd gedacht hebben dat iedere vorm van
onderwijs iets moest opbrengen waar de kinderen werkelijk
iets aan hadden.
Instructietafel
In veel groepen staat een instructietafel.
Hieraan geeft de leerkracht hulp aan leerlingen die behoefte
hebben aan extra ondersteuning.
Het initiatief hiertoe kan zowel uitgaan van de leerkracht
als van de leerling.
Op momenten dat de leerkracht aan de instructietafel werkt,
is hij of zij niet beschikbaar voor de overige leerlingen.
Plusklas
Door het hele land zijn de laatste jaren plusklassen opgezet.
Sommige binnen een schoolorganisatie, andere als particulier
initiatief.
Deze, meestal wekelijkse, klassen zijn bedoeld om hoogbegaafde
kinderen, in aansluiting op datgene wat ze op school krijgen,
iets extra's te bieden om aan hun specifieke behoeften tegemoet
te komen. Het is niet duidelijk of gewoon begaafde kinderen
daarmee niet in een minklas zitten.
Dublindescriptoren
De Dublindescriptoren zijn algemene beschrijvingen voor het
eindniveau van de eerste, tweede en derde cyclus in het hoger
onderwijs.
In Nederland zijn dat de graden bachelor, master en doctor.
De Dublindescriptoren zijn genoemd naar Dublin, de plaats
waar ze voor het eerst werden opgeschreven.
De zogenoemde Bolognaverklaring vroeg om de organisatie
van onderwijs in drie cycli en om transparantie.
In diverse Europese landen werd één opleidingstraject
in tweeën gedeeld, een bachelor- en mastertraject.
De vraag daarbij was hoe de bachelor op transparante wijze
kon worden gescheiden van de master.
Men besloot dit gezamenlijk met buurlanden aan te pakken via
het joint quality initiative, een informeel open werkverband,
waarvan de resultaten op internet beschikbaar zijn.
Op initiatief van Nederland en Vlaanderen, die gezamenlijk
accreditatiekaders voorbereidden, werden in 2001 bestaande
beschrijvingen voor het eindniveau van een bachelor en een
master naast elkaar gelegd. Vervolgens werd tijdens een bijeenkomst
in Dublin hieruit het gemeenschappelijke naar voren gehaald
en eenduidig opgeschreven in de Engelse taal.
Letter
Dat de letter een apart plaatsje op het leesplankje heeft
is niet zo vreemd.
De eerste letter van het alfabet is de A van aap.
Zo begint het leesplankje dat honderd jaar geleden door bovenmeester
Hoogeveen uit Stiens bedacht is.
Op het plaatje zag je een circusaapje dat boven op een dak
aan een touw vast zat.
Dat was pedagogisch niet zo correct. In de weide stonden schapen
en de bok. De bok stond voor de bokkenwagen en de schapen
stonden al op het laatste plaatje, dus de wei moest leeg,
koeien kwamen niet in het verhaal voor. Wat voor de kinderen
ook verwarrend geweest moest zijn was dat alle mensen onder
hun eigen naam afgebeeld waren, behalve de jongste die heet
'zus' De dieren hebben ras- of soortnamen, behalve de poes
die heet Mies.
De letters waaruit de woorden samengesteld werden stonden
educatief een stukje uit elkaar.
Risicokind
Risicokinderen zijn kinderen die zich bevinden in een situatie
met een opeenstapeling van risicofactoren waardoor de balans
tussen de draagkracht en draaglast van de ouders verstoord
kan raken. Deze kinderen hebben 20% meer kans dan een gemiddeld
kind op het krijgen van problemen. Een verstoring van de draagkracht
-draaglast kan namelijk gevolgen hebben voor de gezondheid,
ontwikkeling en opvoeding van kinderen. De jeugdgezondheidszorg
is extra alert op de gezondheid en ontwikkeling van deze kinderen.
De schrijver en pedagoog Theo Thijssen kende uit eigen
ervaring de sociale omstandigheden van zijn 'risicokinderen'
uit de Amsterdamse Jordaan.
De pedagogiek wordt in zijn tijd voornamelijk bepaald door
het gemiddelde van de schoolklas en de persoonlijkheid van
de onderwijzer die er voor staat.
De onderwijzer met eigen inzichten heeft aan de algemene aanpak
niets. Hij moet het hebben van zijn intuïtie, waarmee
hij de kinderen beoordeelt naar eigen individualiteit. De
klas geeft dan vanzelf aan als hij het mis heeft.
De enige manier om tot houvast in het onderwijs te komen is
een vereenvoudigde spelling.
De bestaande spelling, van de Vries en te Winkel, is
een didactische onmogelijkheid.
Zijn boeken 'Het taaie ongerief'
en 'Het grijze kind' zijn voorbeelden hoe
hij dacht over de verschillen tussen arbeiders en regenten
en hoe arbeiderskinderen daar de dupe van werden.
naar
boven