Leren
lezen en schrijven
Twee
talen tegelijk leren

Er
zijn zesduizend talen in de wereld en slechts tweehonderd
landen
Het kan dus niet anders of er moeten in al die landen kinderen
zijn die meer dan één taal leren verstaan en
spreken.
Er is taal die je met de paplepel ingegoten krijgt en dat
noemen we daarom graag de moedertaal. Op straat leren de kinderen
weer een andere taal dan op school. Op de televisie zijn nog
meer talen in omloop. Tot zover hoor je de kinderen niet klagen.
Trouwens kinderen klagen in het algemeen niet over wat ze
moeten zeggen en schrijven, dat doen de volwassenen om hen
heen. Als die volwassenen professionele taalbeleerders zijn,
willen die niets anders dan taalachterstanden bij groepen
kinderen ontdekken. Dat komt goed uit want dan weet de politiek
wat hen te doen staat: projecten opstarten, en dan kunnen
de deskundigen weer aan de slag.
We gaan tweetalige kinderen weer
eens onderzoeken
Dat doet mevrouw Sharon Unsworth ook. Zelf is ze met een veronderstelde
taalachterstand opgezadeld, omdat ze Brits is en in Nederland
onderzoek naar tweetaligheid doet.
Ze heeft geleerd dat taalvaardigheid niet bepaald wordt door
het slim gebruiken van je hersens, maar afhankelijk is van
hoe, waar en met wie je die taal dagelijks gebruikt.
In je hersens is ruimte genoeg voor een aantal talen, zelfs
in de hersentjes van onze peuters.
Waarom wordt dan toch die veronderstelde taalachterstand steeds
geproblematiseerd?
Is het een zoveelste bewijs voor een zekere dominante houding
van de Nederlander die niet wil toegeven dat het Turkse jongetje
of het Berber meisje geen taalachterstand heeft, maar dat
hij het zelf is die deze kinderen niet kan verstaan.
Met het taalvermogen van duotaal-leerders is niets mis, er
moet alleen gezorgd worden voor een taalrijke omgeving.
Unsworth heeft ontdekt dat de helft van de kinderen in Nederland
die een taalachterstand hebben ééntalig is.
Dat zijn meestal kinderen van laagopgeleide ouders die nalaten
hun kinderen voor te lezen of verhalen te vertellen.
In dit geval maakt het niet uit of het de Groningse tante
met een grunnings dialect is, een Turkse moeder in het Turks,
of een Berber Oma in het Berbers, als er maar gepraat en geluisterd
wordt.
Tweetalige kinderen blijken veel
creatiever te zijn dan ééntalige
Dat is onderzocht door een Canadese psycholoog Ellen Bialystok
die peuters plaatjes met rode en groene sterretjes en hartjes
liet sorteren, eerst op kleur en daarna op vorm.
Jonge kinderen vinden dat lastig omdat ze de opdracht die
ze het eerste krijgen in hun hoofd beschouwen als hetzelfde
als de volgende. Maar dan blijkt het net iets anders te gaan.
Na verloop van tijd leren ze daar flexibel mee om te gaan.
Dat hebben ze nodig als ze hun twee talen afwisselend gebruiken.
Ze leren de informatie die ze in eerste instantie krijgen
te onderdrukken en handig over te gaan naar iets anders.
Ik ken voorbeelden van een hier geboren jongetje met een Marokkaanse
moeder, die moeiteloos speelt en ruzie maakt met een knaapje
met een Spaanstalige vader, een Amerikaanse peetvader en een
Nederlandse moeder.
Afwisselend vragen ze in het Nederlands de moeders om hulp
bij een conflict over een spel dat verschillende regels blijkt
te hebben.
Zo gaat het met tweetaligheid ook: verschillende regels voor
vergelijkbare begrippen.
Dat is pas lekker leren.
Een toren van Babylon
Om te kijken hoe een en ander het beste aan te pakken hebben
onderzoekers van de Universiteit van Utrecht en het Meertens
Instituut een samenwerkingsproject met universiteiten in Edinburgh
en Thessaloniki gestart.
Voorwaar een bron van optimale taalverwarring om te zoeken
naar de voordelen daar van.
Henk v
Faassen
Bron:
Sharon Unsworth, Meertaligheid matters, in 'Onze Taal'
nr. 2/3, 2010
naar
boven