Ontluikende
geletterdheid is een zich bij jonge kinderen
op basis van hun mondelinge taalontwikkeling
steeds verder ontwikkelend inzicht in de functies
van geschreven taal,
waarbij sommige kinderen de vaardigheid ontwikkelen
ook zelf schriftelijk te communiceren.
Emergent literacy
is het Amerikaanse begrip, in Nederland geïntroduceerd
begin jaren negentig.
Ontluikende geletterdheid
heeft veelal betrekking op de periode van
0 tot 6 jaar.
In de visie van het Expertisecentrum Nederlands wordt
het begrip gehanteerd van 0 tot 4 jaar.
Tussen 4 en 6 jaar wordt van Beginnende
geletterdheid gesproken.
Ontluikende geletterdheid omvat zowel mondelinge taalontwikkeling
als de vroege gerichtheid op lezen en schrijven, omdat
deze domeinen nauw met elkaar zijn verbonden.
Kleuters die gaan lezen en
schrijven
De ideeën hebben veel invloed in het taalonderwijs
aan kleuters. Zo is er aandacht voor oriëntatie
op geschreven taal onder andere in de vorm van lees-
schrijfactiviteiten en boekpromotie.
Ook is er een toenemende aandacht voor het taalbewustzijn
en zijn de leesvoorwaarden, zoals die in de jaren
zeventig werden geformuleerd herzien.
Momenteel wordt met name aan de fonologische vaardigheden
groot belang gehecht.
Men gaat ervan uit dat het lees- en schrijfgedrag
van jonge kinderen meer omvat dan een oppervlakkige
imitatie van volwassenen.
In de theorie van de ontluikende geletterdheid beschouwt
men kinderen als denkende personen die thuis en op
school ideeën vormen over lezen en schrijven.
Jonge kinderen proberen de wereld van geschreven taal
om zich heen te begrijpen en vragen te beantwoorden
die deze wereld oproept.
Zij ordenen en classificeren ervaringen en construeren
zo denkbeelden over geschreven taal die de basis vormen
voor het leren lezen en schrijven op en conventionele
manier.
Al op heel jonge leeftijd
geven kinderen er blijk van te weten dat woorden bestaan
uit meerdere letters en dat woorden doorgaans bestaan
uit een reeks verschillende letters.
Ontluikende geletterdheid benadert de lees- en schrijfontwikkeling
vanuit een ontwikkelingsperspectief. In plaats van
te zoeken naar noodzakelijke voorwaarden voor lezen
en schrijven op basis van een logische analyse van
het proces wordt geobserveerd hoe jonge kinderen omgaan
met geschreven taal. Ze beschouwen hun (informele)
lees- en schrijfgedrag als een afspiegeling van hun
ontwikkeling.
Het begrijpen en gebruiken
van geschreven taal houdt andere taalvaardigheden
in dan begrip en gebruik van mondelinge taal. Geschreven
taal gaat over zaken en personen die niet zichtbaar
zijn. Jonge kinderen die nog niet echt lezen en schrijven
gaan zich door voorlezen geleidelijk aan realiseren
dat taal gebruikt kan worden om verhalen uit te beelden.
Geletterde
situaties en lees- en schrijfontwikkeling
Belangrijkste voorwaarden zijn de aanwezigheid van
goede kinderboeken, de toegankelijkheid van schrijfmaterialen
en de beschikbaarheid van volwassenen die lezen en
schrijven vorm geven.
( Teale *)
Dit is echter geen garantie dat kinderen geletterd
worden. De aanwezigheid van materialen en modellen
is noodzakelijk maar niet voldoende om geletterd gedrag
op te roepen.
Een sociale omgeving waarin geschreven taal een belangrijke
functie heeft, is een stimulans om te denken over
geschreven taal en pogingen te doen zelf te lezen
en schrijven.
Kinderen zien niet alleen hun ouders lezen en schrijven
maar worden ook door de volwassenen betrokken in geletterde
activiteiten als voorlezen.
Het plezier dat kinderen daarbij aan de interactie
met volwassenen ontlenen, is een belangrijk motief
voor leerprocessen.
Uit verschillende studies is gebleken dat een toename
in response van moeders samenhangt met meer initiatief
van het kind in het domein van geschreven taal (Neuman
en Gallagher, 1994). En naast de materiele voorwaarden
is dan ook de frequentie van voorlezen relevant alsmede
de wijze waarop ouders spontaan lees- en schrijfgedrag
ondersteunen (Teale, 1986).
Naar conventioneel lezen
Door geletterde activiteiten als voorlezen bouwen
kinderen geleidelijk een heel repertoire van lees-
en schrijfstrategieën op.
Tegen de tijd dat kinderen zes worden en naar groep
drie van de basisschool gaan, zijn ze in staat om
complexe teksten te begrijpen en begrijpen ze dat
geschreven taal betekenis representeert, dat geschreven
woorden een bepaalde vorm aannemen en in veel gevallen
ook dat letters niet aan betekenis maar aan taal zijn
gerelateerd.
Veel jonge kinderen hebben een basisbegrip gevormd
van functie en gebruik van geschreven taal en een
eerste attitude gevormd met betrekking tot plezier
en nut van geschreven taal in hun leven.
Vaak is het begin van leesonderwijs dan ook niet de
start van de leesontwikkeling maar veeleer een reorganisatie
van bestaande kennis.
Basisconcepten van doel en functie van geschreven
taal vergemakkelijken de verwerving van specifieke
leesvoorwaarden als foneembewustzijn en letterkennis
en van leesvaardigheden.
Deze stellingname sluit aan bij de bevinding dat veel
kinderen afkomstig uit gezinnen met laag opgeleide
ouders, vaak afkomstig uit verre landen als Turkije,
Marokko en Suriname, in problemen raken, zelfs met
extra programma's ter stimulering van leesvoorwaarden
als foneembewustzijn.
Leeromgeving
Kinderen leren het beste in een stimulerende maar
geordende omgeving, in een situatie waarin kinderen
zelf keuzes kunnen maken en naar die keuzes kunnen
handelen. Het is daarom belangrijk om veel aandacht
te besteden aan de inrichting en aankleding van het
klaslokaal of de speelzaal, en de speelplaats.
Wat
kan de leerkracht doen?
Kinderen verwerven kennis en vaardigheden door actief
betrokken te zijn bij mensen, materialen en gebeurtenissen.
Leerkrachten of leidsters kunnen het actief leren
van de kinderen ondersteunen door een uitdagende leeromgeving
te bieden, hen te helpen het spel uit te breiden,
te praten met kinderen over wat ze aan het doen zijn
en hen te helpen problemen die zich voordoen zelf
op te lossen.
Een goed voorbeeld hiervan is om de leeromgeving en
het materiaal te voorzien van labels in de vorm van
tekeningen, foto's, pictogrammen of woorden. Zo kunnen
kinderen op hun niveau keuzes maken en het materiaal
zonder hulp van volwassenen vinden en opruimen, waardoor
ze al op jonge leeftijd zeggenschap hebben over hun
omgeving.
Een dergelijke leeromgeving bevordert de zelfstandigheid
van kinderen.
Jonge kinderen beginnen wanneer ze de gelegenheid
krijgen, spontaan en op hun eigen manier
te 'lezen' en te 'schrijven'. Spelenderwijs ontstaat
zo een basis voor het formele onderwijs in groep 3.
Vroegtijdig investeren in beginnende geletterdheid
is dus zinvol.
Kinderen die regelmatig op interactieve wijze worden
voorgelezen zullen verhalen beter begrijpen en meer
woorden kennen.
Het gaat er vooral om dat het lezen en schrijven
van jonge kinderen gewaardeerd
en gestimuleerd wordt binnen situaties die voor kinderen
relevant zijn. Dit zijn situaties die niet gedicteerd
zijn door de regels van een vakgebied, maar door behoeften,
vragen en ideeën van kinderen zelf.
Deze opvatting vereist een breed, rijk geschakeerd
aanbod van verschillende spelsituaties, ontwikkelingsmaterialen
en thema's waarbinnen lees- en schrijfactiviteiten
van kinderen mogelijk kunnen worden.
Concreet betekent dit dat lezen en schrijven altijd
verbonden blijven met de andere activiteitengebieden.
Leerkrachten vervullen een belangrijke rol binnen
dit gebied
Zij zorgen er voor dat lezen en schrijven voor alle
kinderen interessante en betekenisvolle activiteiten
kunnen worden, zonder kinderen te laten deelnemen
aan leeractiviteiten waaraan ze nog lang geen behoefte
hebben.
Leerkrachten zorgen er dus voor dat kinderen de mogelijkheden
worden geboden om vanuit hun spel en exploratie van
de wereld, de betekenis van lezen en schrijven te
gaan ervaren.
Leerkrachten dienen veel lezen en schrijven uit te
lokken bij kinderen, zonder alvast een voorschot te
nemen op aparte vak- en vormingsgebieden.
Dit leerkrachtgedrag krijgt vooral vorm in interacties
en dialogen met individuele en groepjes kinderen.
Behalve in kringactiviteiten als voorlezen, rijmpjes
en versjes, en taalspelletjes zal de leerkracht weinig
gemeenschappelijke activiteiten op dit gebied op gang
brengen.
Ontwikkeling van geletterdheid
vindt plaats als kinderen lees- en schrijfactiviteiten
van volwassenen imiteren.
Dit doen ze vooral in rollenspelsituaties. Ook als
kinderen samenwerken met volwassenen in situaties
waarbinnen lezen en schrijven een noodzakelijke rol
spelen, leren ze de betekenis van geletterdheid voor
het dagelijks bestaan goed kennen.
Jonge kinderen spelen dat ze kunnen lezen en schrijven
als het past in hun spelidee en ze gebruiken gedrukte
taal in functionele situaties wanneer ze het zelf
nodig vinden. Het onderwijs behoort daarop aan te
sluiten en niet vooruit te lopen met een aanbod dat
van vak- en vormingsgebieden is afgeleid.
Neem de kinderen serieus
Het is ook belangrijk dat er niet wordt gesproken
over voorbereidend lezen en schrijven. Door het begrip
"voorbereidend" te verbinden aan de lees-
en schrijfactiviteiten die jonge kinderen ondernemen,
worden deze op zichzelf niet serieus genomen. Ze worden
dan eerder gerelateerd aan activiteiten van oudere
kinderen.
De begrippen voorbereidend lezen en schrijven lijken
te zeggen:
"Denk eraan, het echte werk moet nog komen, als
je later groot bent."
Ze bedoelen eigenlijk vooral te zeggen dat je het
nu nog niet kunt.
Een dergelijke kijk op de mogelijkheden van jonge
kinderen is niet de onze.
Wanneer jonge kinderen een boek lezen, zelf een tekst
maken of woorden stempelen, is dat voor hen een echte,
betekenisvolle activiteit.
Daarin bereidt het kind niets voor, het leest, bedenkt
een eigen tekst en verzint woorden.
*)
William Teale
is professor of education and chair of the Curriculum
and Instruction Department at the University of Illinois
at Chicago (UIC). Teale is internationaal bekend om
zijn onderzoek naar beginnende geletterdheid en zijn
studie van de lees- en schrijfontwikkeling van kinderen
in de Voorschool en het Kinderdagverblijf.