startpagina

trefwoorden


literatuur

bekijk foto's, werk

gerelateerde artikelen

ontluikende geletterdheid

ervaringsgericht onderwijs

taalvorming
en het nieuwe leren


Ontluikende geletterdheid
De relatie tussen spel en taalontwikkeling


Basisontwikkeling en ontluikende geletterdheid
Wat is de betekenis van spelactiviteiten bij de ontwikkeling van ontluikende geletterdheid vanuit het concept basisontwikkeling?
Op welke wijze representeert de speel / leeromgeving op de stageschool de ontwikkeling van ontluikende geletterdheid?

Spel en Spelen
Vygotsky's theorie over het spelen als motor van de ontwikkeling van kinderen is maar een van de vele theorieën over de functie van spel in het menselijk leven.
Zelfs een precieze definitie van spel is moeilijk te geven.

In de wetenschappelijke literatuur spelen onderstaande zaken vrijwel altijd een belangrijke rol:
intrinsieke motivatie (het spel is in zichzelf interessant om te doen, het dient geen extern doel);
positief emotioneel affect (het is leuk om te doen);
flexibiliteit (snelle wisseling van activiteit);
niet letterlijkheid (doen alsof);

Spel is een verzonnen wereld die op de gewone werkelijkheid wordt geplakt

Er zijn veel accentverschillen. In zijn boek Psychologie des Spiels (Beltz Taschenbuch, 1999) legt Rolf Oerter van de Universiteit München bij voorbeeld sterk de nadruk op de nieuwe zelfstandige realiteit die ontstaat in een spelsituatie.

Het spel als vooruitgang
Tot in de achttiende eeuw werd kinderspel meestal gezien als een volstrekt nutteloze bezigheid. Er zijn verschillende speltheorieën die elkaar niet hoeven uit te sluiten. In deze indeling valt Vygotsky onder een van de drie moderne, op het individu gerichte theorieën.
De andere twee, minder wijd verbreide spelopvattingen zijn:
Het spel als verbeelding en spel als zelfverwerkelijking

Spel als verbeelding
Deze opvatting komt voort uit de romantiek.
Het gaat vooral om kunst als spel opgevat: muziek, toneel, literatuur.
Vygotsky heeft overigens ook van meet af aan een sterke belangstelling gehad voor de kunst (begeleiden van ontwikkeling).
We beperken ons tot enkele uitspraken van Vygotsky over fantasie en creativiteit.
Gewoonlijk, aldus Vygotsky, verwijzen fantasie en verbeelding naar iets wat niet met de werkelijkheid te maken heeft en geen praktische serieuze betekenis heeft.
In feite ligt verbeelding aan de basis van elke creatieve activiteit en maakt deel uit van het gehele culturele leven.
Onze culturele wereld is niets anders dan een product van de menselijke verbeelding. Elke uitvinding kan dus worden beschouwd als een gekristalliseerde verbeelding.
Zeker bij jonge kinderen vertoont de verbeelding zich opvallend in het kinderspel. Toch berust de fantasie bij kinderen in feite op weinig ervaringen en heeft de volwassene veel meer verbeeldingsmateriaal tot zijn beschikking. Hoewel het kind eigenlijk tot minder in staat is, zien we dat het de producten van zijn fantasie meer gebruikt en er meer vertrouwen in heeft dan de volwassene.'

Spel als zelfverwerkelijking

Hierbij gaat het om sterk op de individuele beleving gerichte ideeën zoals die van Csikszentmihaly over 'flow' *)
Als een activiteit uitdagingen biedt die goed aansluiten op iemands capaciteiten (niet te moeilijk, maar ook niet te gemakkelijk) kan een mens in een gelukzalige staat van flow geraken waarin hij zichzelf in feite volkomen vergeet, maar innerlijke groeit.
Het intensief spelen van een spel heeft vrijwel alle kenmerken van een flow-situatie.

Sutton- Smith **) denkt dat de belangrijkste functie van spel is dat het variatie in gedrag en denken genereert.

Creativiteit
Er zijn verschillende componenten: domeinen, velden en personen.
De definitie van een domein is een aantal symbolische regels en procedures.
Een veld betreft alle personen die als bewakers het domein optreden. Dit betekent dat creativiteit ontstaat als een persoon, gebruikmakende van de symbolen van een bepaald domein als muziek, ondernemen of wiskunde, een nieuw idee heeft of een nieuw patroon ziet, en als dit nieuwe wordt geselecteerd door het juiste veld om het op te nemen in het juiste domein. Om deze suggesties in het dagelijks leven te volgen, zegt het: Ook al leidt persoonlijke creativiteit niet tot roem en rijkdom, het kan iets belangrijker opleveren vanuit een persoonlijk oogpunt: wanneer we creatief leven, is de saaiheid verdreven en schuilt in elk moment de belofte van een nieuwe ontdekking.

Menselijk handelen
Binnen de cultuurhistorische school en de marxistische filosofie (o.a. Vygotsky) staat het menselijk handelen centraal. Handelingen vormen onderdelen van bredere activiteiten.
Deze benadering is in Nederland verder uitgewerkt onder de term handelingspsychologie, onder andere door de Utrechtse psycholoog Van Parreren.

Betekenisvol spel
In Nederland hebben de cultuurhistorische en handelingspsychologische visie veel invloed gehad op het denken over leren, ontwikkelen en onderwijs.
Het taalonderwijs kan bijvoorbeeld profiteren van Vygotsky's ideeën over taal als werktuig, en zijn theorie over wetenschappelijke concepten
De stadia in ontwikkeling kenmerken zich door verschillende dominerende activiteiten.
Tijdens het eerste stadium is de dominerende activiteit het spel.
Bij een- / tweejarigen hebben manipulatieve handelingen de overhand (sensomotorisch).
Uit die handelingen ontstaan nieuwe activiteiten: het manipulerend spel waarin de relatie objecten en de wereld van volwassenen wordt gelegd.
Daarna zien we dat kinderen voorwerpen betekenissen gaan geven en zetten meer taal in bij het spel, ze sturen hun eigen handelen als het ware door taal te gebruiken.
Als objecten een rol hebben gekregen is de volgende stap dat het kind zelf ook een rol aanneemt.
Het manipulerend spel brengt rollenspel en het constructieve spel voort. Vanuit de (rollen) spelactiviteit kan de ontwikkeling zowel in de richting van kunstzinnige vorming (drama) doorgezet worden als in de richting van de cognitieve ontwikkeling.
Vanuit het spel is de leeractiviteit te beïnvloeden; de aanzetten voor ontluikende geletterdheid en wiskundige oriëntatie vind je in de spelactiviteit.

In Basisontwikkeling vormt de ontwikkeling van de spelactiviteit naar de bewuste leeractiviteit de rode draad door de hele onderbouw heen.
In Basisontwikkeling worden de kinderen onder andere via spel en te doen-alsof de wonderlijke geletterde wereld van de volwassenen in geleid.

Taalvorming en spel
De manier waarop leerkrachten kinderen uitlokken te spelen en te doen-alsof draait voor een belangrijk deel om lees- en schrijfactiviteiten.
Lees- schrijfactiviteiten zijn niet alleen belangrijk omdat kinderen ze belangrijk vinden voor hun spelactiviteit, maar ze maken spelactiviteiten ook echter omdat ze in werkelijkheid ook bij alle sociaal culturele activiteiten horen. Ze zijn ook van belang als venster op een wereld die almaar groter, interessanter en ingewikkelder wordt.
Lezen en schrijven vergroten de 'greep' op de wereld en helpen om goed te gaan deelnemen aan een niet onbelangrijk deel van die wereld, namelijk de geletterde cultuur.

*) Csikszentmihaly is de geluksprofessor
Hij heeft onderzocht wanneer mensen het gelukkigst zijn door ze een tijd te volgen en op willekeurige momenten te vragen wat ze aan het doen waren en hoe gelukkig ze op dat moment waren. De uitkomst van dat onderzoek was dat de meeste mensen het gelukkigst zijn als ze iets aan het doen zijn, maar vergeten dat ze dat doen. Dat noemt Csikszentmihaly 'flow', Creativiteit komt pas naar boven als mensen het gewoon leuk vinden wat ze doen, en zich met andere zaken niet bezig willen houden. Ze zitten in een 'flow' en laten zich niet afleiden. Creatief zijn betekent hard werken en dat leuk vinden.
Het is bovendien volgens hem aantrekkelijk om spelen te beschouwen als de nabootsing van de typische eigenschappen van kinderen onder de vijf jaar: onrealistisch optimisme, egocentriciteit en snelle reactie op stimuli zonder veel aandacht voor de context. Ze garanderen alle drie doorzettingsvermogen in tijden van tegenspoed.

**) Brian Sutton-Smith
Every child knows what it means to play, but the rest of us can merely speculate. Is it a kind of adaptation, teaching us skills, inducting us into certain communities? Is it power, pursued in games of prowess? Fate, deployed in games of chance? Daydreaming, enacted in art? Or is it just frivolity? Brian Sutton-Smith, a leading proponent of play theory, considers each possibility as it has been proposed, elaborated, and debated in disciplines from biology, psychology, and education to metaphysics, mathematics, and sociology. Sutton-Smith focuses on play theories rooted in seven distinct "rhetorics"--the ancient discourses of Fate, Power, Communal Identity, and Frivolity and the modern discourses of Progress, the Imaginary, and the Self. In a sweeping analysis that moves from the question of play in child development to the implications of play for the Western work ethic, he explores the values, historical sources, and interests that have dictated the terms and forms of play put forth in each discourse's "objective" theory.

This work reveals more distinctions and disjunctions than affinities, with one striking exception: however different their descriptions and interpretations of play, each rhetoric reveals a quirkiness, redundancy, and flexibility. In light of this, Sutton-Smith suggests that play might provide a model of the variability that allows for "natural" selection. As a form of mental feedback, play might nullify the rigidity that sets in after successful adaption, thus reinforcing animal and human variability. Further, he shows how these discourses, despite their differences, might offer the components for a new social science of play.

naar boven