laat
ieder schrijven met het lichaam dat hij heeft
Een
soort handenarbeid
door:
Roland Barthes *)

Is
er een theoretische tegenstelling tussen schrijven en spreken?
Ze leken niet voort te komen uit hetzelfde lichaam. Ik dacht
dat spreken uit het lichaam voortkwam als onmiddellijke expressie,
als intimidatie of verleiding, kortom als theater.
Schrijven daarentegen leek me onttrokken aan al wat verband
houdt met het imaginaire (die bekommernis om andermans of eigen
imago), omdat het uitgezuiverd is en gebonden aan een heel scala
van codes die stuk voor stuk een bemiddelende functie hebben,
zoals stijl, beknoptheid, ambiguïteit, en het geduld van
de hand, die het denken niet kan bijhouden. Daarom ook zou ik
er nooit mee hebben ingestemd een tekst uit te spreken zonder
die eerst neer te schrijven: interviews (op bandrecorder) heb
ik altijd met tegenzin gegeven (à mon corps défendant:
met fysieke afkeer).
Tegenwoordig ben ik van die tegenstelling
niet meer zo zeker
Ik weet dat in het verleden schrijvers
als Flaubert of Gide een creatieve waarde toekenden aan het
declameren van hun zinnen. En ik ken hedendaagse schrijvers
die bij wijzen van spreken met de bandrecorder schrijven. Dat
stemt me tot ruimdenkendheid: laat ieder schrijven met het lichaam
dat hij heeft, zoals hij verkiest.
Maar net als elk ruimdenkend mens
verval ik, nadat ik het recht op verschil de verschuldigde eerbied
heb bewezen, weer in mijn slechte gewoonte: ik
hou van schrijven, niet van spreken, en als ik schrijf doe ik
dat met de hand en niet met een machine.
Die keuze heeft een hele reeks achtergronden.
Allereerst is er een weigering: mijn lichaam
weigert hardop te praten tegen... niemand.
Als ik niet zeker weet dat een ander lichaam naar me luistert,
stokt mijn stem, kan ik geen woord meer uitbrengen; als ik tijdens
een gesprek merk dat iemand zijn oor van me afwendt, val ik
stil; en het gaat mijn krachten te boven om een boodschap in
te spreken op een antwoordapparaat (iets waar ik vermoedelijk
niet alleen sta). In je eentje een bandrecorder inspreken, terwijl
elke stem gemaakt is om de ander te ontmoeten, lijkt me ondraaglijk
frustrerend: mijn stem wordt letterlijk afgesneden
(gecastreerd).
Het wil me niet lukken de bestemmeling
van mijn eigen stem te zijn - zoals bij een bandrecorder
- terwijl wat ik schrijf meteen voor iedereen bestemd is. En
verder voel ik me beschermd door de traagheid van het schrijven:
het onbenullige woord, dat meestal 'spontaan' opwelt, schort
ik bijtijds op door mijn pen van het papier te lichten.
Er is een grote afstand tussen mijn
hoofd en mijn hand, en die afstand benut ik om iets
anders te zeggen dan wat me als eerste te binnen schoot. Maar
bovenal - en dat is misschien wel de echte reden voor mijn keuze
- put ik uit het neerschrijven van woorden op papier een waar
plastisch genot.
Als ik het plezierig vond mijn eigen stem te horen, dan zou
dat alleen uit narcisme zijn; maar schrijven is voor mij wat
schilderen voor een schilder is: ik heb er mijn spieren bij
nodig, ik geniet van een soort handenarbeid. Ik beoefen twee
'kunsten' tegelijk: de tekstuele en de grafische.
Dit alles is waarschijnlijk alleen aanvaardbaar voor wie het
principe van de taalpluraliteit onderschrijft.
Ik zelf denk dat het goed is dat er verschillende, duidelijk
gescheiden Franse talen zijn, waaronder een taal die in het
spreken en een andere die in het schrijven gestalte krijgt.
Ik denk dat het een luxe is die we moeten verdedigen: het
bestaan van een kunstmatige taal, die er alleen is in geschreven
vorm, een taal die direct is ontworpen om te worden gezien.
*) Roland Barthes: 'Une sorte de travail manuel' in:
Les Nouvelles littéraires, 3 maart 1977, vertaling:
Rokus Hofstede. In: Memo Barthes,
( pag.65-66), Rokus Hofstede & Jürgen Pieters (samenstelling),
uitgeverij Vantilt & Yang, 2004.
naar
boven