Beschouwing
van een onderzoek
Hoe onderwijs je schrijfonderwijs?
De
leerkracht onderwijst.
Een onderzoeker onderzoekt.
Maar de kinderen schrijven, graag en veel.
Waarover schrijven ze en
hoe zien hun teksten er uit als ze klaar zijn met schrijven?
Kinderen
zijn wezens die spreken en schrijven en die betekenis
geven aan wat ze denken. Ze verlangen er naar om te schrijven
en te lezen.
Ze voelen aan het papier, willen graag een schrijfstift vast
houden, de bladzijden die ze lezen beduimelen en bekrassen.
Als ze dat doen is het niet meer dan waarschijnlijk dat ze er
daarbij naar verlangen om iets te weten te komen, om te leren
lezen en schrijven.
Onderwijzen in schrijven is het begeleiden van dat verlangen
van kinderen.
Als
leerkrachten het schrijven loskoppelen van verbeeldingskracht
omdat ze denken dat het vasthouden aan schrijfcodes, die stuk
voor stuk slechts een bemiddelende functie hebben, belangrijker
is dan de betekenis van de inhoud van een schrijfsel, missen
ze iets van de dynamische kracht die in kinderen huist.
De handen van de kinderen kunnen vaak het geduld niet opbrengen
om het denken, over spelling en grammatica, bij te houden. Maar
is dat zo erg?
Ik
hat met mijn zus ruzie.
Mijn zus wouw graag voor in maar ik mag vorin.
Toen begon mijn zus te schelden en zij bangert.
Mijn zus begon te duwen
maar toen begon papa te roep dat niemand voren mog.
(Karima 7jr)
Er
wordt grondig onderzocht hoe
het schrijfonderwijs op de basisschool er voor staat en de onderzoekers
komen tot de conclusie dat het slecht gesteld is met de kwaliteit
ervan. *)
Nu blijkt het onderzoek voornamelijk gericht op het onderwijzen
van spelling en dan is het vreemd dat het hele schrijfonderwijs
daar op afgerekend wordt.
Correcte spelling wordt in onze samenleving belangrijk gevonden,
maar regels die regelmatig veranderd worden maken het kinderen,
en hun leerkrachten, wel erg moeilijk.
In oktober 2005 verschijnt er alweer een nieuwe editie van het
Groene Boekje en moeten we deze keer de tussen n
ook gebruiken bij paardenbloemen.
Kinderen moeten hun taalgevoel ontwikkelen, maar ze moeten feitelijk
alleen maar alle mogelijke uitzonderingsregels uit hun kop leren.
Ze schrijven paard met een d omdat ze geleerd hebben dat het
meervoud paarden is, maar toch moeten ze bloemenvaas met een
s schrijven ondanks het feit dat het bloemenvazen zijn waar
we de paardenbloemen in zetten.
In feite heeft spelling vrij weinig met
taalgevoel te maken
Taal is de verzameling klanken waarmee we informatie uitwisselen.
Dat is een levendig gebeuren.
Het schriftelijke taalbeeld zou net zo leuk en dynamisch kunnen
zijn als gesproken taal.
Kinderen die onbekommerd hun pennetjes pakken als ze iets kenbaar
willen maken en waar we dan vervolgens vertederd naar kunnen
kijken.
Onderzoekers moeten goed kunnen tellen
en als kinderen schrijven: 'op tellen', of 'voor in' als twee
woorden, is dat fout, dus een turfje of vinkje.
Ze beschouwen het wel of niet aaneen schrijven van woorden als
spelfouten. Ja en dan kom je al snel aan lekkere negatieve score
terwijl de leesbaarheid en de begrijpelijkheid van een tekst
daar nauwelijks onder te lijden heeft.
Nog gecompliceerder is het om de inhoudelijke kwaliteit van
wat kinderen schrijven te onderzoeken en in cijfers vast te
leggen.
Wat
is eigenlijk de optimale kwaliteit van schrijven?
Ik denk dat de belangrijkste kwaliteit van een geschreven tekst
is dat er een boodschap, idee, gedachte mee overgedragen wordt.
De zevenjarige in het bovenstaande voorbeeld is uitstekend in
staat een situatie, die ze van dichtbij kent, voor mij helder
op te schrijven.
Het probleem van de onderzoeker is echter dat die kwaliteit
van een tekst niet in kwantitatieve cijfertjes is vast te leggen.
Dat is jammer omdat daarmee de belangrijkste communicatieve
functie van een tekst buiten beschouwing blijft.
Dr Jannemieke
vd Gein is van mening dat men in het schrijfonderwijs
te veel nadruk op vaardigheden legt en zich te weinig bewust
is van het feit dat basiskennis, zoals grammatica, nodig is
om die vaardigheden te ontwikkelen. Maar wat was er eerder:
de kip van een schrijfsel of het ei van de spelling?
De onderzoekster keek voor de taalkwaliteit alleen naar de vorm
van de teksten: grammatica, spelling en interpunctie. Daar vallen
rode strepen onder de fouten te zetten en die strepen zijn op
te tellen.
Het spreekt vanzelf dat dergelijke fouten een tekst ontsieren,
maar ik kom zelden kinderteksten tegen die daardoor onbegrijpelijk
geworden zijn.
Een
punt te veel of te weinig
Een leerling uit groep 8 schrijft:
Bob en Barbara waren op een mooie winterdag aan het schaatsen.
Toen ze op eens een luid geblaf hoorden.
Bob zei: daar is het we gaan er snel naar toe.
Volgens van de Gein hoort de punt tussen 'schaatsen' en
'Toen' er niet te staan.
Volgens Felix
van de Laar neemt de dramatische kracht van
het verhaal echter sterk af als je die punt weghaalt. Dat de
laatste zin niet door een punt gesplitst is, wil niet zeggen
dat het schrijvertje er een potje van maakt. Hij schrijft gewoon
een krachtig verhaal.**)
Als
lezer van kinderteksten moet ik soms wat meer moeite
doen om tot de inhoud door te dringen, maar dat heb ik als volwassen
lezer ook als ik een vlekkeloos geschreven rapport, zoals dat
van Jannemieke, onder ogen krijg.
"Opwindend leesvoer levert dat niet op. De rapporteurs
hebben zichtbaar moeite gedaan de cijfergegevens correct te
verwoorden. Vage formuleringen voeren de boventoon, nergens
is te vinden wat nou echt goed is aan het schrijfonderwijs en
wat niet. Wie de tijd neemt en zich door het jaarverslagenproza
heen worstelt, krijgt uiteindelijk wel een beeld van de investeringen
en opbrengsten van het schrijfonderwijs op de basisschool, maar
duidelijke conclusies en richtlijnen voor verbeteringen ontbreken".***)
De discussie wat de waarde is van het aanleren van fragmentarische
basiskennis tegenover een levendige, en voor de kinderen aantrekkelijke,
schrijfvaardigheid, zal nog wel lang en intensief gevoerd moeten
worden.
Hoe
zijn de tekstinhoudelijke aspecten beoordeeld?
Voor de beoordeling van de inhoudelijke, organisatorisch-structurele
en communicatieve kenmerken en eigenschappen van het werk van
de kinderen worden vragenlijsten gebruikt.
De kinderen krijgen een schrijfopdracht en daar is een speciale
beoordelingsvragenlijst bij ontwikkeld. Ontwikkelen is kennelijk
iets anders dan gewoon schrijven.
Op die lijst staan, voornamelijk, gesloten vragen die eenduidig
te interpreteren en eenvoudig te beantwoorden zijn.
Een van de opdrachten is om een verhaal te schrijven over vervelende
mensen, al of niet op basis van de eigen ervaring. Zou dat beter
onderzoekvoer opleveren dan schrijven over gewone, aardige mensen?
Mogen kinderen als ze geen vervelende mensen kennen die fantaseren?
En als ze dan aan het fantaseren slaan, op welke manier beïnvloedt
dat de beoordeling?
De beoordelingsvragenlijsten worden ingevuld door onafhankelijk
van elkaar werkende externe beoordelaars: dat zijn ervaren leraren
basisonderwijs met een zekere (sic!) affiniteit tot het schrijven.
Nu heb ik altijd gedacht dat in het onderwijs voornamelijk mensen
dienen te werken die, meer dan een zekere, belangstelling voor
teksten van kinderen hebben.
Er
tekent zich al een al meteen een negatief aspect van de beoordeling
af
De kinderen krijgen een schrijfopdracht die ontwikkeld is voor
het onderzoek, en die waarschijnlijk ook in de sfeer van Cito
testen en toetsen afgelegd wordt.
Een voortraject om tot een tekst te komen, zoals we dat bij
taalvorming kennen, door eerst over een onderwerp te vertellen
en uitwisselen, ontbreekt.
De kinderen kunnen niet vrijuit formuleren
en schrijven
Kenmerkend voor het ontwikkelen van een zinvolle schrijfvaardigheid
is nu juist dat er geen belemmeringen zijn tussen gedachten
en het weergeven ervan.
Een vervreemding, tussen de materiële vorm van de reeksen
geschreven woorden en de denkinhoud die in een tekst gevat is,
dient zich aan.
De onderzoekers proberen onmiddellijk alles in meetbare procedures
onder te brengen, maar het lukt vanzelfsprekend moeilijk de
resultaten in percentages weer te geven.
Dat is natuurlijk helemaal niet zo verwonderlijk, want iedere
tekst is het authentieke product van een individuele belevenis
en die valt niet te vergelijken met die van een ander individu,
en al helemaal niet in percentages.
De
onderzoekers gaan opgewekt aan de slag
Ze gebruiken de 'globale
beoordeling': welke
algemene indruk maakt de tekst op de lezer?
Onzuiverheid dient zich daarbij aan. We hebben nu te maken met
twee individueel verschillende authentieke waarnemingen. De
eerste van het kind dat iets zelf meegemaakt heeft en daarover
schrijft. En die van de beoordelaar, die wat hij leest vergelijkt
met zijn eigen waarnemingen. Dat moet toch wel onbetrouwbaar
genoemd worden in termen van testen en toetsen.
Deze vorm heeft men bij de Cito de 'primaire-trekbeoordeling'
genoemd.
Er wordt uitsluitend gekeken naar de meest relevante kenmerken,
het schrijfdoel, van een tekst.
Wat is de communicatieve functie, zijn in een betogende tekst
de argumenten overtuigend, is een directieve tekst effectief?
Dan is er nog de analytische beoordeling:
"dit opstel heeft een goede inhoud, maar een gebrekkige
organisatie".
De
onderzoekers kijken wat de beoordeling oplevert
Wel, in het basisonderwijs laten veel leerkrachten vaak schrijven
naar aanleiding van de eigen ervaringen en meningen van kinderen.
Dat lijkt me heel bevredigend om te constateren, maar v.d.Gein
wil toch graag meer argumentatieve teksten. Het organiseren
van die teksten scoort vervolgens, hoe kan het ook anders, onbevredigend.
Het schrijven van een fictietekst met een herkenbare verhaallijn
gaat de meeste kinderen goed af. Maar in tweederde van de voorkomende
gevallen beheerst een leerling het schrijven van inleidingen
of afrondingen echter onvoldoende volgens het onderzoek.
Dat is niet zo verwonderlijk als je weet dat de kinderen in
het diepe gegooid worden met de, zo langzamerhand versleten,
opdracht: "stel je voor dat je die en die bent, wat
zou je doen?"
Tekstbesprekingen
die kinderen met elkaar hebben zijn effectiever
De tekst staat op het bord. Zoals bijvoorbeeld de tekst van
Karima aan het begin van dit artikel. De groep bespreekt, de
leerkracht houdt zich in eerste instantie op de achtergrond.
Het eerste dat de kinderen dan roepen als iets niet duidelijk
is: Waar gaat het over? Waar was je toen het gebeurde? Wie waren
er nog meer bij? Enzovoort.
Ondanks het feit dat het niet in de tekst staat begreep iedereen
dat ze in een auto zaten. Een van de kinderen vroeg: "Was
je moeder er ook bij?" Natuurlijk niet, want die zou dan
toch voorin zitten.
Opmerkelijk is dat de schrijfster wel weet hoe je 'voorin' spelt,
maar het in het vuur van haar verhaal even vergeet. Over het
spellen van 'hat' en 'bangert' is na een paar keer hardop voorlezen
een verbetering aangebracht. De juf mengt zich in de discussie
en legt het verschil tussen g en ch uit. Naar aanleiding van
de opmerkingen van haar klasgenootjes herschrijft het schrijvertje
onbekommerd het verhaal.
Ik
had met mijn zus ruzie in de auto.
Mijn zus wou graag voorin maar ik mag voorin.
Ze begon te schelden en zei bangerd.
Mijn zus begon te duwen maar toen begon papa te roepen dat niemand
voorin mocht.
Samen
brengen de kinderen een tekst tot een bevredigend geheel. Samen
komen ze bij taalregels die vaak pas in groep 7 aan de orde
zijn.
Publiekgericht
schrijven is een bron van zorg
Het schrijven van een brief lukt de meeste kinderen niet in
voldoende mate, vinden de onderzoekers.
Dat sluit wel aan bij mijn ervaring op dit punt, behalve als
het gaat om een authentieke brief gericht aan iemand die je
kent.
Andere brieven missen onderdelen zoals bijvoorbeeld een gerichte
vraag om informatie, het adres van de afzender, en dergelijke.
Dat hebben de onderzoekers ontdekt toen ze de opdracht gaven
om een brief te schrijven naar het Rijksmuseum om informatie
over ridders te krijgen.
Ik zou zeggen: de kinderen merken zelf wel wanneer hun brief
geen effect heeft. Dan gaan ze samen na waar dat aan zou kunnen
liggen en schrijven samen een betere.
Een ordentelijke brief schrijven, dat moet in het voortgezet
onderwijs wel lukken. Kinderen in het basisonderwijs zijn daar
nog veel te associatief voor. Met een authentieke, minder formele,
brief aan het Museum, zouden ze best wel meer over ridders te
weten krijgen.
Ik
vind dat de onderzoekers te vroeg te veel vragen
en de juffen en meesters daar van in de war kunnen raken, want
die kunnen zich nog schuldig gaan voelen ook over hun manier
van onderwijzen. En de vaders en moeders vinden het ook niet
leuk om te horen dat hun kind nog niet kan wat hij nog niet
hoeft te kunnen.
De onderzoekers hebben geen gevoel voor ruimte en voor verschil.
Jongere kinderen kunnen ouder zijn en oudere kinderen jonger.
Juffen en meesters hebben dat gevoel gelukkig vaak wel. Maar
vaak ook niet.
Ik vraag me vaak af of het goede effect van een slordige brief
aan het museum niet ook te toetsen is. Of het ontroerende van
een duidelijke tekst niet ook uit te drukken is.
Ik zou wel willen onderzoeken of de onderzoekers kunnen onderzoeken.
Als een goede tekst gebrekkig is, dan krijg je hem snel samen
met het kind goed, omdat het een goede tekst is.
Dus moet je hem beoordelen op het goede ervan.
Conclusies
Jannemieke van der Gein oordeelt aan de hand van haar rapport
dat kinderen teveel met schrijven en te weinig met spelling
bezig zijn. Dat het droevig gesteld is met interpungeren en
dat van de 95.000 onderzochte woorden er 5500 verkeerd gespeld
werden. Dat in viervijfde van de teksten van achtstegroepers
ten minste één ongrammaticaliteit (bestaat dat
woord wel?) staat.
Mijn
conclusie is dat het allemaal best meevalt en dat
kinderen nooit teveel schrijven.
Vroeger moesten kinderen 'stellen en spellen' als aparte kunstjes
leren in plaats van 'schrijven' als een totale taalontwikkeling
te beoefenen.
Een natuurlijke taalontwikkeling in een taalrijke omgeving,
daar moeten we het van hebben.
De woorden met spelfouten vallen de kinderen daarna even natuurlijk
op en die schrijven ze daarna natuurlijk anders.
Henk
van Faassen
*)
dr. Jannemieke van de Gein e.a. Balans van het schrijfonderwijs
op de basisschool, Cito Projectgroep Primair Onderwijs
**)
Felix van de Laar, taaladviseur, Interpunctie op de basisschool,
Onze Taal 2005-6
***)
Jan Erik Grezel, Kleine schrijvers, Cito-rapporten over
schrijfonderwijs op de basisschool, Onze Taal 2005-4
naar
boven