Zinvol
onderwijs
Het nieuwe leren en Kunsteducatie
Het
nieuwe leren maakt de laatste tijd de tongen los
Er wordt een nieuw soort scholen opgericht.
Jonge
ouders hebben zelf soms een vervelende tijd op school gehad.
Dat willen ze hun kind niet aandoen en daarom richten ze een
eigen school op.
Scholen zoals bijvoorbeeld Kindercampus
werken met Ervarings Gericht Onderwijs
EGO en benadrukken betrokkenheid, welbevinden, competentie en
verbondenheid van zowel de kinderen als de volwassenen.
Voor de kinderen geldt dat zowel een positieve betrokkenheid
als een positief welbevinden voorwaarden zijn om te kunnen leren.
Zolang aan deze voorwaarden voldaan is, is een kind in ontwikkeling.
Kenmerk van scholen voor het nieuwe
leren
Men legt nadruk op het
recht van kinderen om serieus genomen te worden, het recht op
een eigen mening.
De kern van het nieuwe leren is de opvatting dat kinderen van
nature gemotiveerd zijn om te leren.
De leerkracht moet geduldig wachten tot dat leermoment komt.
Hij of zij moet de kinderen dus helemaal loslaten, zodat ze
kunnen doen wat ze willen, en op het moment dat ze dat willen.
Dat klinkt anarchistisch maar er zijn wel regels, bijvoorbeeld
om de rechten van klasgenoten te beschermen. Iederwijs heeft
als belangrijkste verschil met andere onderwijssystemen dat
het een systeem van vraag is, en niet van aanbod.
De vrije onderwijsopvattingen kwamen Iederwijs al snel op veel
kritiek te staan. CDA-kamerlid Jan de Vries sprak voorjaar 2005
van 'veredelde speeltuinen', en zette minister Van der Hoeven
aan tot maatregelen. De Inspectie van het Onderwijs ging ook
toezien op de kwaliteit van het particulier onderwijs. Ondanks
de vaak niet terechte reputatie van grote vrijblijvendheid,
slaagde menig Iederwijsschool erin een voldoende te scoren.
Met name scholen waar ook voortgezet onderwijs werd aangeboden
lukte dat niet.
Iederwijs is inmiddels in Nederland geschiedenis. De laatste
nog overgebleven school uit het netwerk van radicaal vernieuwende
scholen valt niet meer onder het landelijke bestuur. Daarmee
bestaat Iederwijs feitelijk niet meer.
Iederwijs is ten onder gegaan aan de steeds strengere eisen
die aan particuliere scholen worden gesteld, aan interne onenigheid
over de koers en aan het gebrek aan sponsors.
Zinvol
onderwijs
Dingen die kinderen willen leren zijn authentiek wanneer ze
voor hen betekenis hebben.
Ze leren het verband zien tussen zichzelf en de omgeving waarin
ze leven en wat de school hen te bieden heeft.
De emotionele, creatieve, cognitieve en sociaalcommunicatieve
ontwikkeling van een kind zal gestimuleerd, en de betrokkenheid
vergroot worden als de leerstof zodanig ontworpen is dat die
aansluit bij wat hen in deze wereld bezig houdt.
Authentieke kunsteducatie is daarom uitermate geschikt om bij
zo'n leerproces ingezet te worden omdat de waarneming en beleving
daarbij centraal staan zowel in receptieve als actieve vormen
ervan.
Dat stelt wel specifieke eisen aan kunsteducatie, eisen die
mogelijk anders zijn en vernieuwend werken ten opzichte van
de tot nu toe bekende praktijk..
Wat
is de betekenis van kunsteducatie?
Kunsteducatie omvat alle vormen van leren waarbij kunst of kunstzinnige
middelen en -technieken als doel of als middel worden gebruikt.
Deze middelen en technieken worden doelgericht ingezet om, in
dit geval kinderen, de mogelijkheid te geven om zelfstandig
en gemotiveerd te kiezen uit, en deel te nemen aan, een gevarieerd
aanbod van kunstdisciplines en kunstproducten.
Maar we moeten zeker aandacht schenken aan het doel van kunsteducatie.
Als dat doel voornamelijk gericht is op de kunsten zelf en de
manier hoe kunst geproduceerd wordt, ontbreekt voor kinderen
de verbinding met hetgeen ze op school willen leren.
Kunst is dan een heilig verschijnsel, eerbiedig naar kunst kijken,
maar hoeft, in de vorm die de gevestigde kunstinstellingen hen
aanbiedt, voor kinderen geen betekenis te hebben in het brede
spectrum van het nieuwe leren.
Dat is jammer.
Raakvlakken
tussen Taalvorming en Literaire kunstvormen
Als doelgericht leren een vanzelfsprekende omgang met kunst
inhoudt, is taalvorming bij uitstek een werkwijze die daarvoor
zinvol ingezet kan worden. Taal is immers het meest gebruikte
middel bij kunstzinnige overdracht.
Niet alleen binnen het literaire taalgebruik, de verhalen die
de kinderen lezen en schrijven, maar ook gerelateerd aan de
'talen' die beeldende kunstenaars, muzikanten en theatermakers
gebruiken, blijken de werkvormen van taalvorming effectief te
zijn.
Wij willen zodanig werken met de verbeeldingskracht van kinderen,
dat ze niet zonder enig houvast in het diepe gegooid worden
en daardoor of verdrinken, of zich vastklampen aan clichés
die ze kennen uit de massamedia.
De stapsgewijze opbouw van werkvormen bij taalvorming geeft
een kader waarbinnen kinderen van alle leeftijden zich gemakkelijk
bewegen en zelfstandig kunnen kiezen.
De waarde van taalvorming als vormend aspect van de kunsten
is mensen zich er van bewust te laten zijn dat dit vermogen
niet afhankelijk is van een kunstzinnige professionaliteit.
Alle werkvormen van taalvorming gaan uit van een eigenheid van
de deelnemer en een uitwisseling daarvan.
Waar op andere plekken dingen verzwegen of versluierd worden
uit cultuurgebonden overwegingen, is taalvorming erop uit die
versluiering ongedaan te maken en helderheid te verschaffen
in de algemene toepasbaarheid van woorden en betekenissen.
Deze stellingname voegt een waarde toe aan het individuele vermogen
van een deelnemer die versluiering te doorzien.
Naar kinderen kijken als je over kunst, cultuur en onderwijs
nadenkt
Zij hebben een eigen wereld en behoren in die wereld uit te
kunnen maken wat er met hen gebeurt.
De druk van cognitiviteit ontneemt de kinderen veel van hun
natuurlijke mogelijkheden.
Er is in deze tijd sprake van een overheersende werking van
techniek, de media en zo meer.
De affectieve ontwikkeling moet in de handen en harten van de
kinderen zelf plaats vinden.
Vertrouwde
begrippen worden opnieuw opgepoetst
Het nieuwe leren is geen modieuze gril, het neemt proporties
aan
Ongeveer één op de vijf basis- en middelbare scholen
experimenteert met de een of andere vorm van 'het nieuwe leren'.
Een groeiende groep scholen verwerpt traditioneel onderwijs:
indeling in groepen, de inrichting van de lokalen, de schoolboeken
en de toetsen en testen en zo meer.
"Geen enkele onderwijsvernieuwing wordt zo breed gedragen
als het nieuwe leren", meent de Leidse onderwijspsycholoog
Rob Martens *) .
Uit recent onderzoek van het onderwijsadviesbureau KPC Groep
blijkt dat 20 procent van de middelbare scholen de klassenstructuur
heeft doorbroken, schoolvakken heeft samengevoegd en nieuwe
manieren van toetsen heeft ingevoerd.
En daar blijft het niet bij.
Want 83 procent van de vijfhonderd ondervraagde directeuren
vindt dat het onderwijsstelsel niet meer voldoet.
Volgens Martens is het onderwijs in de westerse wereld fundamenteel
aan het verschuiven.
Trefwoorden zijn: actief leren, probleemgestuurd onderwijs,
vaardigheden, samenwerken, minder feiten, meer inzicht en innerlijke
motivatie in plaats van leren voor een goed cijfer.
Het zijn vrijwel allemaal begrippen die ook begin vorige eeuw
al te horen waren in kringen van onderwijskundigen.
Het Montessorionderwijs, de Freinetpedagogie,
Individueel Voortgezet en Kunstzinnig Onderwijs, de Vrije Scholen,
zijn er onder meer uit voortgekomen.
Martens signaleert een massale onvrede over het onderwijs.
Veel kinderen gaan met tegenzin naar school. Ze hebben een hekel
aan huiswerk. Ze zijn niet geïnteresseerd in de lesstof.
Volgens hem speelt op de achtergrond een generatieconflict mee.
De ouderen benadrukken dat leren nu eenmaal niet leuk is. Dat
een school niet zonder discipline en dwang kan.
Het
nieuwe leren is niet gebaseerd op één theorie
"Men grabbelt vrijelijk uit de ton die onderwijskunde heet.
Constructivisme, competentiegericht leren, natuurlijk leren,
authentiek leren.
Geen twee mensen die er hetzelfde onder verstaan."
Martens onderzocht de effecten van onderwijsvernieuwingen die
werden doorgevoerd aan universiteiten.
Dat stelde nogal teleur.
Ook bij deze moderne probleemgestuurde onderwijsmethode proberen
veel studenten met zo min mogelijk inspanning zo snel mogelijk
hun bul te halen.
De aanhangers van het nieuwe leren kijken met afgunst naar wat
men informeel leren noemt.
Leerlingen die met een docent een aantal bruggen gaan bekijken
en zelf uitzoeken waarom die bruggen niet instorten, doen heel
veel wiskundige kennis op.
Martens: "Het is een geloof. Er is geen bewijs dat het
kan.
Spelenderwijs leren verdraagt zich slecht met overhoringen en
proefwerken. Waar sturing en controle hun intrede doen, verdwijnt
het spel. Daarom doen de meeste experimenterende basisscholen
niet mee met de Cito-toets. Maar middelbare scholen kunnen nog
niet onder het centraal schriftelijk eindexamen uit.
Alle vormen van het nieuwe leren zijn gedoemd te mislukken als
de leerlingen aan het eind van de rit ouderwets getoetst worden."
Inmiddels staat de minister Van der
Hoeven onder zware druk om het examenregime te versoepelen
en kleine scholen kansen te geven.
Toetsontwikkelaar Cito onderzoekt hoe stapsgewijs aan de wensen
van het nieuwe leren tegemoet kan worden gekomen. Martens staat
niet te juichen. "Het is een groot, onzeker avontuur. Niemand
weet hoe dat allemaal gaat uitpakken."
Henk
van Faassen
*) Rob Martens is universitair hoofddocent is aan de universiteit
van Leiden en wordt door Margreet Vermeulen in de Volkskrant
van 7 december 2004 geciteerd.
naar
boven