startpagina

trefwoorden


literatuur

bekijk foto's, werk

gerelateerde
artikelen

Kinderen
ontwikkelen zichzelf


Ervaringsgericht
onderwijs


Complexe taal

Nut van
taalonderwijs


Geletterdheid



Taalontwikkeling
Taalvermogen en taalvaardigheid

Het onderscheid tussen taalvermogen en taalvaardigheid zou kunnen liggen in de volgende vaststelling. Onder taalvermogen zou ik de primaire (biologische, fysieke) factoren kunnen voegen die het mensen in staat stellen om op verschillende manieren met elkaar te communiceren.

Toetsen
In dit verband ervaar ik multiple choice toetsen niet als een bijdrage om taalvaardigheid te ontwikkelen.
Iedere toets is een controlemiddel en op zichzelf geen ontwikkelingsinstrument.
Een toets is in principe een instrument dat gebaseerd is op wantrouwen, terwijl taalvaardigheid ontstaat op basis van vertrouwen.
Vertrouwen in het eigen vermogen en vertrouwen in een interactie tussen taalonderwijzer en taalleerder.
Onder de ondeugdelijke toetsinstrumenten spant de mc-toets de kroon. Ik moet dat uitleggen.

Zwemmen in echt water
In principe is taal een communicatiemiddel en die taal leer je al communicerend. Iedere toets zou, in een ideale vorm, in een communicatieve situatie toegepast moeten worden.
Zoals kinderen al zwemmend in echt water hun A-diploma halen.
Mc-vragen zijn non-communicatief omdat een deel van de aan te kruisen antwoorden "taalmisleidend" is. Men moet slim zijn om het juiste antwoord aan te kruisen, terwijl er in de meeste gevallen naar geraden wordt. De onjuiste antwoorden die zich gelijkelijk met het goede antwoord op het netvlies hechten, belemmeren wat dat betreft de ontwikkeling naar een taalvaardigheid.
Het argument dat het toetsinstrument nu eenmaal gemakkelijker na te kijken en te vergelijken is geeft de ondeugdelijkheid van het instrument aan en is geenszins een aanbeveling voor het gebruik ervan.
Ik vraag mij af wie er belang heeft bij een objectieve vergelijking van de leerresultaten, de instructeur of de taalleerder.
Vaardigheidsoefeningen zijn kunstmatig en de toetsen van die zogenoemde vaardigheden zijn willekeurig gekozen.
Het onderzoek ernaar is op ratten en duiven verricht, of op kinderen die bij het onderzoek als ratten of duiven behandeld werden.

Objectieve toets?
Kunstmatige toetsbare reeksen vaardigheidsoefeningen veranderen scholen in doolhoven waarin kinderen kunnen verdwalen.
Hoe goed de toets ook is samengesteld, hij voltrekt zich in een situatie waarin de vragen buiten een talige interactie vallen.
Er bestaat geen "neutrale" toets, een toets die ontdaan is van alle culturele ruis en dergelijke.
Het tegenovergestelde is eigenlijk een voorwaarde.
Culturele verschillen moeten deel uit maken van de interactie om er een verdieping in aan te brengen.

Er zijn verschillende soorten scholen. Zwarte scholen, witte scholen en scholen met een gemengde populatie. Maar ook dorpsscholen. In ieder kringgesprek, zelfs in de gesprekskringen in de groepen van eenzelfde school, doen zich unieke talige situaties voor die de moeite waard zijn om een unieke manier kwalitatief verder ontwikkeld te worden.
Het is een mijns inziens een verkeerd uitgangspunt om taal te leren als een "object", om de taal zelf.

De fragmentering van het taalonderwijs
Het is natuurlijk waarneembaar dat kinderen op onderdelen van hun taalvaardigheid bijvoorbeeld een verkeerde uitspraak van bepaalde klanken gebruiken. Ik ben er in die situaties niet voor dat kind een etiket verkeerde uitspraak te geven en het vervolgens van de groep te isoleren om te oefenen tot het etiket er weer af kan.
Een veel productievere situatie is om in die bepaalde interactieve situatie in te gaan op wat het kind bedoelt met het uitgesproken woord en of anderen het herkennen als "buur", dan wel als "boer" of "boor".

Een test en toetsloze aanpak
Het spreekt vanzelf dat het onderwijs aangepast moet zijn aan een situatie waarin toetsen overbodig zijn. Gedachten over taalvorming op de plek van taalles gaan in die richting.
Taakgericht onderwijs is, evenals multiple choise -testen, gericht op de beheersbaarheid van het onderwijs als een soort mechaniek dat betaalbaar moet blijven. Het aanpassen van taalleerders aan dat instrument lijkt me geen goede zaak.

Ik maak in de praktijk mee dat kinderen mij vragen: "wanneer beginnen we met de taalles?" op het moment dat ze al geruime tijd en volop met hun taalontwikkeling bezig zijn.
Dat wijst op een conditionering in de richting van "Wat we nu aan het doen zijn is leuk, dus het kan onmogelijk leerzaam zijn"

Tweetaligheid thuis
En dan de kinderen met moeders die een andere taal spreken dan het Nederlands. Die kinderen zijn in staat om zich in een meertalige omgeving te bewegen. Voorwaarde is dat scholen en instellingen voor kunstzinnige vorming hen een dergelijke intensieve taalomgeving aanbieden.

Talige omgeving
Er moet daarom ook aan de cultuuromgeving gedacht worden. Maar alleen zo'n omgeving aanbieden is niet genoeg. Juist de laatste jaren tonen onderzoeken over taalleren aan dat behalve een goede invoer, ook de uitvoer, de nuttige opbrengst belangrijk is.
Dus een geschikt, interessant, begrijpelijk aanbod dat direct verwijst naar die nuttigheid.
Dat aanbod moet daarom zo natuurlijk mogelijk zijn. Het moet ergens over gaan en dus geenszins kunstmatig en verbrokkeld zijn. De taalleerders moeten er zelf voor kunnen kiezen, dat wil zeggen dat de leerder zelf de toegankelijkheid ervan bepaalt.
Dat stelt speciale eisen aan de didactiek.
Het gaat eerder om het "werken" met taal dan om "verwerken" van een bepaald geselecteerd aanbod.
De mogelijkheden voor "output" moeten ruimschoots en binnen de lessituatie voorhanden zijn, zodat de leerder de hypotheses die hij vormt op basis van de "input", het aanbod, zelfstandig kan toetsen. Veel leerkrachten kunnen van de kinderen leren hoe ze in talige situaties de kinderen kunnen betrekken bij de zingeving ervan. Dat betekent wel dat er rigoureuze veranderingen in het onderwijs voor nodig zijn.

Henk van Faassen