interactie in een grote- of kleine kring
Jong
beginnen met complexe taal

De
discussie over interactie in een grote- of kleine kring is nog
niet gesloten
Dat blijkt uit het artikel van Annie
van der Beek en Resi Damhuis.
De auteurs bespreken tien kernpunten voor denken en praten in
de kleine kring. Dat kinderen en leerkracht in gelijke mate
onderwerpen aandragen; aandacht voor de groepssamenstelling.
De deelname aan het gesprek en het stimuleren van de ontwikkeling
van de kinderen zijn opmerkelijk genoeg van toepassing op de
groep als geheel. Pas in de randvoorwaarden wordt gesteld dat
er een routine opgebouwd moet worden waarin kinderen zelfstandig
kunnen werken, voorwaarde voor het houden van 'een kleine kring'.
Als ik het artikel lees wordt steeds, en terecht, gesteld dat
het niet om zo maar een gesprek gaat en dat iedereen eraan moet
kunnen deelnemen. Waarborg voor diepgang van het gesprek is
de betrokkenheid van alle kinderen. Ik kan mij moeilijk
voorstellen dat als, zoals in het artikel als voorbeeld gegeven
wordt, de juf een vogelnest in de kring legt, een gedeelte van
de kinderen liever voor de bouwhoek kiest. Dat pleit in eerste
instantie voor bespreking in 'de grote kring', dat wil zeggen
met de gehele groep. Daar kom je als leerkracht moeilijk omheen.
Het artikel geeft belangrijke suggesties voor de rol van de
leerkracht en hoe complexe taalfuncties in de klas werken. Over
het ruimtescheppende leerkrachtengedrag: open vragen; geen waarom-vragen;
vragen naar eigen ervaring; luisterresponsen; oprechte verwondering
over wat aan de orde komt en het laten ontstaan van stilte.
Maar nogmaals, deze aanpak is niet specifiek voor een kleine
kring, maar eerder voor een Whole Language aanpak.(HvF)
[Bron: A.vd
Beek en R. Damhuis: Denken en praten in de kleine kring,
in: JSW jrg.86, nr. 10]
Gerelateerde
teksten:
Kindertaal
De taalontwikkeling van jonge kinderen is hun meest opvallende
intellectuele prestatie
Over hoe dat gaat zijn de deskundigen het niet altijd eens.
Er is een visie die de taalverwervingskracht zelf het belangrijkste
vindt. Dan is er een visie die aandacht voor de ondersteuning
van de taalontwikkeling vraagt. Catherine
Snow schreef een handboek over kindertaalverwerving
in het Nederlands. Vooral over de interactie tussen moeder en
kind in de eerste- en tweede taalverwerving.
Ze neemt plaats tegenover Noam Chomsky
en zijn volgelingen die veronderstellen dat taalverwerving
een aangeboren vermogen is. Het speciale plekje in het kind waar
dat vermogen dan zit, daarover is men het niet eens.
Als dat vermogen er is moet het gevoed worden door de moedertaal,
zodat kinderen zelf die taal gaan produceren. Er moet een taaltoevoer
zijn vanaf zeer jonge leeftijd. Als dat niet gebeurt slaapt het
taalvermogen voorgoed in. Chomsky is bang voor de slordigheden
in het taalgebruik van de opvoeders: ze onderbreken elkaar voortdurend,
maken zinnen niet af of mompelen maar wat.
Daar tegenover heeft Catherine Snow een andere opvatting die ze
uitgebreid onderzocht.
Ze stelt de zogenoemde 'verzorgerstaal' vast. Als volwassenen
met kinderen praten zijn dat meer dan 30% vraagzinnen. Volwassenen
onderling gebruiken 10% vraagzinnen.
Er is ook gezocht naar de verschillen in stijl van interactie
tussen ouders en kind, vaders en moeders, culturele verschillen,
snelle en trage taalverwervers.
Snow ontdekt dat kind en ouder beide een eigen rol spelen in een
transactioneel proces.
Kenmerken van verzorgerstaal
Tegenover baby's en heel jonge kinderen: een hoog stemmetje opzetten;
nadruk op intonatiecontouren van zinnetjes; pauzes tussen woorden
en zinnetjes; articulatie en mondstanden; babywoordjes; geluidnabootsingen;
verkleinwoorden; 'plasje doen' in plaats van 'plassen'; herhalingen;
vragen:
'wat doet papa?'; 'bokke pelen' meteen corrigeren in: 'O, je wil
met de blokken spelen?'; in hier en nu termen spreken; semantische
relaties leggen door aantrekkelijke onderwerpen ter sprake te
brengen.
Waar
zijn we het over eens?
Een goed taalaanbod is nodig, liefst vanaf de geboorte. Als
dat voor de puberteit er niet is komt het niet meer goed. Het
taalaanbod van ouders en opvoeders heeft een boel specifieke
taaluniversele kenmerken. Het taalaanbod munt uit door linguïstische
correctheid en een boel didactische kenmerken.
Sommige mensen blijven in het taalaanbod niet meer dan een 'triggerfunctie'
zien om een innerlijk machientje aan het werk te zetten. Anderen
zien de waarde van een constant taalaanbod. Weer anderen vinden
dat woordenschatontwikkeling sterk afhankelijk is van de frequentie
van de invoer, maar de zinsbouw minder gevoelig is voor de karakteristieken
van het taalaanbod.
Kortom
er is nog wel wat te doen aan het onderzoek naar de relaties
tussen taalaanbod van de omgeving en het taalgebruik van de
kinderen die allemaal een eigen leerstijl blijken te hebben.
(HvF)
[bron: Catherine Snow in gesprek over kindertaal, in:
de wereld van het jonge kind, juni 2002]