taalontwikkeling van jonge kinderen
Kindertaal

De
taalontwikkeling van jonge kinderen
is hun meest opvallende intellectuele prestatie
Over hoe dat gaat zijn de deskundigen het niet altijd eens.
Er is een visie die de taalverwervingskracht zelf het belangrijkste
vindt. Dan is er een visie die aandacht voor de ondersteuning
van de taalontwikkeling vraagt. Catherine
Snow schreef
een handboek over kindertaalverwerving in het Nederlands. Vooral
over de interactie tussen moeder en kind in de eerste- en tweede
taalverwerving.
Ze neemt plaats tegenover Noam Chomsky
en zijn volgelingen die veronderstellen dat taalverwerving
een aangeboren vermogen is. Het speciale plekje in het kind
waar dat vermogen dan zit, daarover is men het niet eens.
Als dat vermogen er is moet het gevoed worden door de moedertaal,
zodat kinderen zelf die taal gaan produceren. Er moet een taaltoevoer
zijn vanaf zeer jonge leeftijd. Als dat niet gebeurt slaapt
het taalvermogen voorgoed in. Chomsky is bang voor de slordigheden
in het taalgebruik van de opvoeders: ze onderbreken elkaar voortdurend,
maken zinnen niet af of mompelen maar wat.
Daar tegenover heeft Catherine Snow een andere opvatting die
ze uitgebreid onderzocht.
Ze stelt de zogenoemde 'verzorgerstaal' vast. Als volwassenen
met kinderen praten zijn dat meer dan 30% vraagzinnen. Volwassenen
onderling gebruiken 10% vraagzinnen.
Er is ook gezocht naar de verschillen in stijl van interactie
tussen ouders en kind, vaders en moeders, culturele verschillen,
snelle en trage taalverwervers.
Snow ontdekt dat kind en ouder beide een eigen rol spelen in
een transactioneel proces.
Kenmerken van verzorgerstaal
Tegenover baby's en heel jonge kinderen: een hoog stemmetje
opzetten; nadruk op intonatiecontouren van zinnetjes; pauzes
tussen woorden en zinnetjes; articulatie en mondstanden; babywoordjes;
geluidnabootsingen; verkleinwoorden; 'plasje doen' in plaats
van 'plassen'; herhalingen; vragen: 'wat doet papa?'; 'bokke
pelen' meteen corrigeren in: 'O, je wil met de blokken spelen?';
in hier en nu termen spreken; semantische relaties leggen door
aantrekkelijke onderwerpen ter sprake te brengen.
Waar
zijn we het over eens?
Een goed taalaanbod is nodig, liefst vanaf de geboorte. Als
dat voor de puberteit er niet is komt het niet meer goed. Het
taalaanbod van ouders en opvoeders heeft een boel specifieke
taaluniversele kenmerken. Het taalaanbod munt uit door linguïstische
correctheid en een boel didactische kenmerken.
Sommige mensen blijven in het taalaanbod niet meer dan een 'triggerfunctie'
zien om een innerlijk machientje aan het werk te zetten. Anderen
zien de waarde van een constant taalaanbod. Weer anderen vinden
dat woordenschatontwikkeling sterk afhankelijk is van de frequentie
van de invoer, maar de zinsbouw minder gevoelig is voor de karakteristieken
van het taalaanbod.
Kortom
er is nog wel wat te doen aan het onderzoek naar de relaties
tussen taalaanbod van de omgeving en het taalgebruik van de
kinderen die allemaal een eigen leerstijl blijken te hebben.
[bron: Catherine Snow in
gesprek over kindertaal, in: de wereld van het jonge kind, juni
2002]
naar
boven
index