|

De Werkschuit bij de Magere Brug.
Bekijk
een
filmpje

Kinderen drukken hun eigen teksten met
de Freinetpers.

Een schilderij
voor de Werkschuit
Illustratrice Ina van Blaaderen
[1912-1997] verkoopt een stilleven
van Paul Cézanne voor
fl.175.000,- aan het Stedelijk Museum om met de opbrengt
een schip voor de Werkschuit aan te schaffen. Ina had het schilderij
uit een erfenis verkregen en deed de schenking onder de voorwaarde
dat die anoniem bleef. Later is het toch bekend geworden.
Ze nam eveneens de kosten van exploitatie op zich. Ze verkocht
vervolgens het schip aan de stichting tegen aflossing van fl.
1000,- die ze jaarlijks kwijtschold.
***

Leerlingen
van de Nutsvolksschool

Celestin Freinet en de kinderen
In Nederland is die pedagogie al sinds 1948 bekend door artikelen
in het blad Vernieuwing.
Het uitgangspunt van Celestin Freinet
is:
'Alle initiatieven, zowel culturele, pedagogische als maatschappelijke,
te steunen, die erop gericht zijn het welzijn van het kind, in
de meest ruime zin van het woord, te bevorderen, nu en in de toekomst'.
Steeds meer wordt er op moderne scholen naar gestreefd kinderen
in hun taalexpressie vrij te laten.
Deze spontane vrije expressie vast te leggen vindt men een taak
van de drukpers. Een uitstekend middel om kinderen tot vrije expressie
te brengen.
***
|
|
1950 Het
jaar waarin Bob Dylan 'The times they are a changing' zingt en tegen
ouders zegt: "Uw zoons en dochters staan buiten uw gezag,
uw oude gewoontes sterven snel."
De
Werkschuit wordt opgericht
Studiecentrum
voor de Werkgemeenschap voor Vernieuwing van Opvoeding en Onderwijs
Een
aantal kunstenaars en maatschappelijk betrokkenen richten de stichting
De Werkschuit op.
Op een werf aan het Spaarne in Haarlem is een zandschuit tot de
Werkschuit verbouwd.
De binnenhuisarchitect Wil Bertheux
ontwerpt het woon-school-schip dat het Studiecentrum
voor de Werkgemeenschap voor Vernieuwing van Opvoeding en Onderwijs
(WVO) gaat worden.
Het idee voor een varend centrum was ontstaan op een conferentie
van de WVO die voor de verandering ook eens op een schip plaatsvond.
De expressiebeweging, die in de loop van de jaren vijftig in Nederland
ontstond, was een samengaan van op de individu gerichte levensbeschouwing
en reformpedagogische uitgangspunten.
De expressiebeweging verschilde van de receptieve esthetische
vorming door het principe van de zelfwerkzaamheid, zoals dat ook
in de vooroorlogse jeugdbeweging gevolgd werd.
Het ging niet om de in het algemeen geïdealiseerde volks-
of gemeenschapskunst, noch om de creaties van professionele kunstenaars,
maar om het persoonlijke scheppingsvermogen van de mens in
het algemeen en van kinderen in het bijzonder.
De Wilde Vaart breekt aan
Op 7 april 1950 wordt de Werkschuit naar Amsterdam versleept.
Met de WVO vlag in top en met kinderen en andere genodigden aan
boord komt de schuit op zijn ligplaats tegenover theater Carré
aan.
Eva Besnyö
maakt foto's van het gebeuren.
De oprichting van de Werkschuit
20 maart 1950 is de stichting een feit en op zaterdag 15 april,
des 's middags om drie uur wordt de Werkchuit met een toespraak
door wethouder
A de Roos
officieel geopend.
Hoewel de doelstellingen en het onorthodoxe werk van de 'linkse'
Cobrakunstenaars, zeker in het klimaat van de Koude Oorlog, niet
door iedereen werden gewaardeerd, was er in Nederland voor het
eerst sprake van een ideologische coalitie van avant-gardistische
beeldende kunstenaars en hervormingsgezinde pedagogen. De artistieke
idealen van de kunstenaars en de opvoedkundige idealen van
de pedagogen vulden elkaar perfect aan. Voor initiatiefneemster
Ina van Blaaderen was de vrije expressie bij uitstek een
middel om al doende de waardering voor moderne kunst te bevorderen.
Voor
het Polygoonjournaal maakt
cameraman van
Haren-Noman filmopnamen
van de gebeurtenis.
De Montessoribeweging
Maria Montessori zou ook bij
deze gelegenheid spreken, maar ze had een kaakabces en liet zich
vertegenwoordigen door haar zoon Mario.
De aanwezigheid van Maria moest onderstrepen dat er binnen
de Montessoribeweging geen bezwaren
zijn tegen de opvattingen van de Werkschuit ondanks het feit dat
veel dogmatische montessorianen het tegendeel beweerden.
Meer dan 200 bezoekers telde men aan het eind van de avond.
Dr. Annie Romein-Verschoor bezoekt de schuit
Annie Romein-Verschoor was op persoonlijke titel actief in organisaties
waarin intellectuelen en kunstenaars van verschillende opvattingen
samenwerkten.
Zij werd secretaris van de in 1935 opgerichte antifascistische
Bond van Kunstenaars ter verdediging van Kulturele Rechten, speelde
een rol in het antinazistische Comité van Waakzaamheid
en schreef een brochure voor Hulp aan Spanje. In de oorlogsjaren
was zij betrokken bij het illegale blad De Vrije Kunstenaar
en bij plannen voor de organisatie van het naoorlogse kunstleven.
Een schuit voor elitaire kindertjes
Er is protest tegen het vermeende elitaire karakter van de Werkschuit.
Er zijn in de buurt affiches opgeplakt waarin Amsterdamse 'schoffies'
opgeroepen werden massaal naar de opening te komen. Er komen een
paar opdagen en die krijgen een ijsje en worden meteen voor een
cursus ingeschreven.
Het bevorderen van de harmonische ontplooiing
van de persoon
Kinderen moeten al werkend vertrouwd raken met vormende elementen.
We kunnen niet eerst alle mogelijke voorbereidende oefeningen
doen, want dan blijkt spontane uiting niet meer mogelijk.
Het schools aanleren van vaardigheden leidt totculturele armoede.
Het onderwijs moet vertrouwen in de natuurlijke groei van kinderen
bij het experimenteren met materialen en technieken die aansluiten
bij hun belangstelling. Het gaat om de harmonische ontwikkeling
van kinderen en het vertrouwd raken met de moderne kunst. De kinderclubs
hadden in eerste instantie een studiefunctie van De Werkschuit.
Kunstenaars geven elkaar In kadertrainingen hun inzichten en werkwijzen
door.
Op de schuit begeleiden kunstenaars kinderclubs in tekenen, boetseren,
muziek en spel.
Daarnaast zijn er basiscursussen voor onderwijzers en anderen
die kinderen opvoeden.
Kinderen uiten zich in het Stedelijk
Museum
De Werkschuit paste ook precies in de visie van Willem Sandberg,
vanaf het begin bestuurslid, die de kunst voor iedereen toegankelijk
wilde maken. Kort na de eerste Cobratentoonstelling richtte Sandberg
in
1950 in het Stedelijk Museum een expositie in van werk van kinderen
van De Werkschuit met de titel Kinderen uiten zich. Opmerkelijk
genoeg werd deze expositie, in tegenstelling tot die van het werk
van
Cobra, bij pers en publiek bijzonder gunstig ontvangen. De Werkschuit
verwierf er in één klap landelijke bekendheid mee
als centrum voor vrije expressie.
Er bleven tegenstanders die vinden dat er maar aangerotzooid wordt
zoals Karel Appel
dat deed.
Men wilde met de Werkschuit door het land trekken maar er waren
twee grote problemen.
De schuit kon niet onder vele bruggen door en als ze haar ligplaats
in Amsterdam zou verlaten zou ze er nooit meer terug mogen komen.
De eerste activiteiten
Een kinderclub door Gerda Rubinstein
en Gea Schaap; Excursie voor studenten van de Sociale Academie
Sicsa door Adriënne van Vriesland-Canivez; de Culturele
Contact Commissie; Montessorileidsters uit het hele land; Jeugdleiders
en ambtenaren van het ministerie v Onderwijs in Duitsland; De
opleidingsschool voor tekenleraren; De nieuwe Huishoudschool;
Een onderwijsconferentie; Studenten in verband met 'diagnostische
arbeid'
Werkgroep Aestetische Vorming
Dinsdag 2 mei 1950 is de eerste bijeenkomst op de schuit. Er wordt
gesproken over de nieuwe aanpak van het zogenoemde groepswerk
van kinderen. Deze vorm van creatieve samenwerking was voordien
ongekend.De
individuele scheppingsdrang moest in het collectief zorgvuldig
begeleid worden. De sociale vorming van de kinderen werd hiermee
gestimuleerd.
Koude Culturele Oorlog
De Werkschuit wordt meteen landelijk bekend
maar tegelijkertijd verdacht van al te linkse invloeden.
Ina van Blaaderen, Brecht van den Muyzenberg en Pancratius
Post, zonderen ieder een bedrag van 10 gulden van hun vermogen
af om daarmee de stichting op 20 maart 1950 bij notaris N.M.Posch
in het leven roepen.
Behalve Ina van Blaaderen en Pancratius Post zijn Adrienne
Canivez, Piet Klaasse, Paul Lange, Ab Meilink, David Ruting de
eerste medewerkers.
De eerste zogenoemde bootsman of schuitleider is Ad
Pieters, die in 1952 werd opgevolgd door
Brecht van den Muijzenberg. In het begin was men financieel
afhankelijk van donateurs, maar vanaf het seizoen 1951-1952 werd
subsidie verkregen van de gemeente. Het werk beperkte zich niet
tot kindertekenclubs en cursussen voor onderwijzers en jeugdleiders,
maar omvatte ook lezingen, excursies, demonstratielessen, tentoonstellingen
en andere vormen van voorlichting. De medewerkers, die
slechts een geringe beloning ontvingen, trokken bovendien het
land in om het streven van De Werkschuit te propageren en toe
te lichten.
Het bestuur van
de Werkschuit bestaat uit:
Dr. G Bolkestein, voorzitter, Ina van Blaaderen,
secretaresse, E.Bennink Bolt, penningmeester en de leden
W.Bertheux, binnenhuisarchitect, Dr.A.M. Binnendijk,
refrendaris afdeling Kunstzaken Amsterdam, Piet Klaasse,
leraar Instituut Kunstnijverheid Onderwijs IVKNO, Paul Lange,
leraar Amsterdams Montessori Lyceum, Brecht v.d. Muijzenberg-Willemse,
secretaress WVO en tijdschrift Vernieuwing, Prof. Dr. F.L.
Polak, hoogleraar te Rotterdam, Pancratius Post, medewerker
Nutsseminarium voor Pedagogiek, Jhr. J.H.B. Sandberg, directeur
Gemeente Musea Amsterdam, I v.d. Velde Inspecteur Lager
Onderwijs Amstelveen.
***
Cultuurspreiding en Vrije Expressie
Het motto van de regering is cultuurspreiding.
Uitgangspunt voor de kunstbegroting: schoonheid is een levensvoorwaarde
voor de mens, voor de gehele samenleving.
Prof.
Dr. Ph. A. Kohnstamm: "
De moderne didactiek, die uitgaat van de verscheidenheid van
aanleg als een onbetwistbare vooronderstelling, wil de aanleg
van elk kind zó helpen bevorderen en het zó in zijn
vorming steunen, dat die aanleg voor een elk tot de bereikbare
wasdom komt"
De nieuwe psychologische opvattingen vestigen er de aandacht op
dat het leren denken, dus de intellectuele vorming slechts een
facet, zij het een zeer belangrijk, in de vorming van de gehele
persoon is en dat vooral de emotionele vorming, de belevingssfeer,
het grote hulpmiddel is.
Met andere woorden: het kind is een totaliteit, men mag en kan
dus niet ongestraft een eenzijdige intellectuele vorming stimuleren
en het zo belangrijke terrein van het gevoelsleven, de emotionaliteit
braak laten liggen.
Onderwijscongres Moderne
didaktiek en leerplanherziening
24 en 25 maart 1950 in hotel Krasnapolski Amsterdam.
Theo
Thijssen houdt een referaat:
"Het bezit wordt geëist door het Cultuurstadium der
Maatschappij. 'Leeractiviteit' is 'het richten op.' Het leren
zelf, dat is een actief doen van het kind en men heeft slechts
de ondubbelzinnige erkenning, welke geweldige stukken geestelijk
bezit, welke geweldige stukken kunnen, welke geweldige stukken
technisch beheersen van bepaalde handelingen zonder onderwijzer
een kind door zijn leeraktiviteit zich verovert"
Thijssen, evenals Kohnstamm, waarschuwden voortdurend tegen het
onderschatten van het kunnen van de kinderen. Kinderen kunnen
véél meer dan vaak verondersteld wordt, maar daartoe
moeten ze dan ook de kans krijgen, dat wil zeggen zélf
actief, creatief bezig mogen zijn.
De vrije expressie
veronderstelt vrije mensen
Tengevolge van zijn opvoeding is de mens van heden vaak niet vrij.
De mens zit nog vaak gevangen in vooroordelen, steunend op het
gezag van anderen. Hij is nog niet ontworsteld aan de onvrijheid
van denken en handelen, die er mede oorzaak van zijn, dat men
bijna zonder verzet en als onvermijdelijk de wereldrampen, die
pas over ons zijn gekomen en ons wederom bedreigen, aanvaardt.
Door bij de opvoeding het accent te leggen op deze "vrijmaking"
kan wellicht de mensheid behoed worden voor een afglijden naar
een onmenswaardig bestaan.
Beeldend werken
De beeldende technieken zijn in het onderwijs gevangen in een
keurslijf van doelmatigheid. Een nette levenloze tekening wordt
belangrijker gevonden dan een persoonlijk werkstuk met een eigen
handschrift. Hoewel vrije expressie in het begin voornamelijk
op dramatische vorming betrekking heeft is er vanuit de beeldende
vorming veel ontwikkeld. Ik herinner mij de zogenoemde 'vrijmakende
technieken' die ingezet worden op momenten dat kinderen gevangen
zitten in clichématig werk. Die vrijmaking had dan veelal
betrekking op het aanbieden van andersoortig materiaal en gereedschap.
Tekenen met een takje gedoopt in Oost-Indische inkt, vingerverven,
tekenen vanuit de beweging en zo meer.
In het opvoedingsproces
kan de drukpers stimulerend werken
Op school zal het accent vooral liggen op het gebied van de taal.
Steeds meer wordt er op moderne scholen naar gestreefd, het kind
in zijn taalexpressie vrij te laten.
Deze spontane vrije expressie vast te leggen is de taal van de
drukpers: immers, nu krijgt de tekst een zeker aanzien, dat hem
verheft boven het geschrevene. In gedrukte vorm is het voor het
kind ook gemakkelijker leesbaar. Nog mooier wordt het, wanneer
deze gedrukte tekst aanleiding geeft tot illustraties, omdat dan
gevoel voor zuivere expressie in taalvorm gepaard wordt aan gevoel
voor het schone. Op ongedwongen wijze gaat het kind zich rekenschap
geven van bladindeling, van een goede verzorging, van harmonie
tussen inhoud en uiterlijke vorm. Ongemerkt ontwikkelt zich het
kunstgevoel, eerste voorwaarde voor een harmonische ontwikkeling.
(...)
Door de geregelde uitwisseling van teksten met andere scholen
wordt de geestelijke horizon der kinderen uitermate verruimd.
Zij vernemen welke zeden en gewoonten elders bestaan, wat voor
bijzonderheden kenmerkend zijn voor een bepaalde streek, hoe men
er werkt, zingt en speelt.
Uit: "Kinderen uiten zich" december 1950
***
Freinet en de Drukpers op School
De Werkschuit heeft contacten met de coöperatieve vereniging
de Drukpers op School,
die het gedachtegoed van de pedagoog Celestin
Freinet wil uitdragen.
Als je een drukpers bij de vereniging koopt, ben je automatisch
lid.
Dat is natuurlijk niet voldoende om echt betrokken te zijn bij
de beweging.
De vereniging De Drukpers op School
geeft een blad uit, het heeft 70 abonnees. Dat is te weinig voor
een levendige ontwikkeling.
Freinet Beweging Nederland
Door een aantal openbare scholen wordt in 1970 te Delft de Freinet
Beweging Nederland (FBN) opgericht
Daarnaast komt voor het Confessioneel - en algemeen bijzonder
onderwijs, de Nederlandse Beweging van
Freinetwerkers, NBF.
De FBN houdt zich strak aan de uitgangspunten van Freinet, die
per definitie voor openbaar onderwijs is. Ook vinden ze dat alleen
mensen die voor de klas staan lid kunnen zijn, waarmee alle schoolbegeleiders
en onderwijskundigen uitgesloten zijn. De NBF laat wel mensen
toe die niet voor de klas staan. De confessionele leerkrachten
kunnen er eveneens lid van zijn.
In de jaren 90 fuseren de twee bewegingen tot de Freinetbeweging,
waarna een aantal leden van FBN zich teleurgesteld terugtrekken.
De linkse idealen van Freinet worden te gemakkelijk prijsgegeven
voor het invoeren van vernieuwende technieken op de scholen.
Tekst Krijgt een Zeker Aanzien
Volgens Freinet ontleent de geschreven tekst haar waarde aan
de functie die ze heeft als middel. Om kinderen dit niet-vanzelfsprekende
middel te laten gebruiken, moeten ze hiervoor gemotiveerd worden.
Die motivatie ligt in het instrumentele gebruik van de geschreven
tekst voor het kind: je kan een ander iets meedelen.
De Van Alphenschool aan de
Abstederdijk in Utrecht is een van de scholen die daadwerkelijk
met de drukpers in de klas gaat werken. Het hoofd van die school,
B.
Velthuis, wordt bestuurslid van
de Werkschuit, waarmee de band tussen Freinet en Werkschuit aangehaald
wordt.
Er valt niet te overzien of er sprake is van een volledige Freinetpedagogie
op deze school. Het kan ook zijn dat de leerkrachten het drukken
van de boekjes een leuke handenarbeidactiviteit vinden.
Freinet dacht meer aan het vermogen van kinderen om hun eigen
productiemiddelen ter hand te nemen.
Het zal niet de laatste keer zijn dat de druktechnieken en de
daaraan ontleende vormgeving en de inhoud van onderwijs los van
elkaar uitgevoerd worden.
***
>
naar boven
> verder
> terug naar index
|
|