|


foto: Carel Blazer

Anton Rooskens, litho

De
herberg in de Karpathen, uit de serie Chassidische
Legenden, sjabloondruk. Nicolaas Werkman 1942

Kindercentra
in Italië
Zes dagen na na het einde van de tweede Wereldoorlog bouwen
bewoners van Villa Cella, een dorpje
iets buiten Reggio Emilia, uit de
bakstenen van verwoeste huizen een kindercentrum voor jonge kinderen.
Het geld kwam van de verkoop van een legertank, een paar vrachtauto's
en twee paarden die de Duitsers achtergelaten hadden.
Dit was het eerste van een reeks kindercentra aan de rand van
de stad waar de armste wijken zich bevonden.
Gemeentelijk Kindercentrum
Reggio Emilia
Het begin van een beweging die in 1963, onder leiding van Loris
Malaguzzi (1920-1994) onstaat.
De werkwijze zich verspreidde zich naar verschillende landen,
onder andere naar Nederland.
Het motto is: "Een kind heeft honderd talen, maar de school
en de samenleving stelen er negenennegentig van" Malaguzzi
was pedagoog en charismatisch en bevlogen idealist.
***
|
|
1945
Het
jaar dat de Atoombom op Hiroshima en Nagasaki valt.
De vrijheid is herwonnen, de democratie hersteld.
De
Bevrijding
Tentoonstelling
van granaatscherven
Een van de eerste activiteiten van mijn vriendje en mij is het
organiseren van een tentoonstelling over de oorlog.
We hebben iets te vertellen en gebruiken daarvoor de in de oorlog
verzamelde granaatscherven en ander oorlogstuig.
De tentoonstelling wordt opgesteld in een ruimte van het Leger
des Heils op het Rapenburg en de bescheiden opbrengst aan
entreegelden gaat daarom ook naar het Heilsleger.
We
roeien door de grachten op vlotten, gemaakt van koekblikken die
door de geallieerde vliegtuigen afgeworpen zijn in de hongerwinter.
De blikken worden samengebonden met van papier gevlochten touw.
Het 'papiertouw' kan niet tegen water, de blikken raken los van
elkaar en wij halen een nat pak.
***
Kunst
in Vrijheid
De eerste tentoonstelling na de bevrijding werd in 1945 in het
Rijksmuseum ingericht.
De schilder Anton
Rooskens [1906-1976] bezocht die tentoonstelling
en raakte daar onder de indruk van primitieve etnische kunst.
Al in 1935 vestigde hij zich in Amsterdan, waar hij zich geheel
op eigen kracht tot schilder ontwikkelde. Zijn eerste werk, voornamelijk
landschappen, is beïnvloed door het expressionisme en Van
Gogh.
CoBrA en het kind als kunstenaar
Belangrijk voor de bekendheid van de vrije-expressiegedachte bij
een breder publiek waren het optreden van Willem Sandberg,
sinds 1945 directeur van het Stedelijk Museum in Amsterdam, en
de adoptie van het artistiek primitivisme door een groep kunstenaars,
die onder de naam CoBrA voor opschudding zorgde.
Sandberg wilde de vooroorlogse maatschappelijke verhoudingen vernieuwen
en daar paste volgens hem ook een totale artistieke heroriëntatie.
In zijn expositiebeleid schonk hij dan ook bij voorkeur aandacht
aan vernieuwers. Hij beschouwde kunstenaars als Picasso, Bracque
en Matisse als profeten van de toekomst. Daarnaast had
hij voorkeur voor onbedorven culturen, die hun zuiverheid hadden
weten te bewaren tegenover de vervormende inwerking van de burgerlijke
normen en waarden. In dit kader paste vanzelfsprekend ook kindertekeningen.
Samenwerken aan één kunstwerk,
kan dat?
Ja, samenwerken aan één kunstwerk was een speciale
bezigheid binnen de CoBrA groep.
De kunstenaars werkten samen op één doek, op één
stuk papier of op één muur.
Soms lieten de volwassenen hun kinderen meedoen.
Zo maakte Anton Rooskens met zijn zevenjarig dochtertje Marcelle
een prentenboek waarin hij de versjes van zijn kind aanvult met
kleurrijke voorstellingen.
Er werd een experimentele groep opgericht
die later opging in CoBrA.
De schilders uit die beweging, zoals Appel en Corneille
hebben hun afdruk achtergelaten op de ontwikkeling van de Vrije
Expressie zoals die in de Werkschuit uitgedragen is.
Het had grote publicitaire gevolgen voor de kinderlijke expressie.
Voor de oorlog waren er nauwelijks kunstenaars geweest die zich
intensief met de vrije expressie bezighielden.
Met de opkomst van CoBrA leek het alsof de Hollandse artistieke
avant-garde deze achterstand wilde goedmaken. Geïnspireerd
door het werk van Picasso, Bracque, Matisse, Klee en Miró,
door het surrealisme, maar ook door 'primitieve' culturen en kindertekeningen
gaven beeldende kunstenaars als Appel, Constant en Corneille
in felle manifesten en spectaculaire manifestaties blijk van hun
afschuw van de heersende kleinburgerlijke saaiheid en benepenheid.
De klassieke, westerse cultuur was doodgelopen in conventie en
zelfgenoegzaamheid en het ontbrak haar aan een vitale, expressieve
kunst die vorm gaf aan spontaniteit, intuïtie en oergevoelens.
Het was tijd voor een nieuwe volkskunst, gebaseerd op vrijheid,
kinderlijke expressiviteit en collectieve creativiteit, die alleen
tot stand kon komen door een proefondervindelijk ontdekkingsproces,
waarbij het esthetisch resultaat van secundaire betekenis was.
De primitivistische beeldtaal die de Cobravertegenwoordigers ontwikkelden
sloot met een voorkeur voor stevige lijnen, felle kleuren en vooral
ook met de veelvuldig afgebeelde fantasiewezens nauw aan bij het
uiterlijk van
de kindertekening.
In 1949 is in het Stedelijk Museum de roemruchte CoBrA tentoonstelling
waaraan Rooskens deelnam.
In die groep werd Anton nogal minachtend bekeken want hij was
tekenleraar en dat was te burgelijk. Toen hij ook nog in de katholieke
kerk ging trouwen werd hij uit CoBrA gezet.
Een wandtapijt dat geweven is als copie van een wandschildering
die Rooskens maakte voor de school waar hij tekenles gaf, is na
zijn dood opgehangen in de hal van het Montessori College Oost.
Hiermee is zijn actieve betrokkenheid op het naoorlogse tekenonderwijs
eer aangedaan.
***
Kunstzinnige
vorming
Naast de spraakmakende CoBrA groep bepleitte
vooral de Werkgemeenschap tot Vernieuwing van Opvoeding en Onderwijs
de vrijeexpressie. Na de oorlog was er aanvankelijk weinig aandacht
voor.
De Vernieuwingsraad voor het Onderwijs, die op initiatief van
de WVO tot stand kwam, kreeg nauwelijks respons in onderwijskringen.
Erg belangrijk was echter de introductie door wvo-vertegenwoordigers
van het werk van de Engelsman Sir Herbert Read, die in
zijn boek Education through Art (1943) de opvattingen van
de New Education Fellowship over kunst en opvoeding had
samengevat en gesystematiseerd.
Hoewel dit werk pas in 1967in vertaling verscheen, vormde het
vanaf zijn eerste verschijning een invloedrijke inspiratiebron
voor de expressiebeweging. Volgens Read lag het doel van de opvoeding
in 'het tot ontwikkeling brengen enerzijds van het unieke, anderzijds
van het sociale saamhorigheids- en wederkerigheidsgevoel van het
individu'. Read beschouwde de kunst als de grondslag van de opvoeding,
omdat zij alléén in staat zou zijn in het bewustzijn
van het kind gevoel en verstand en tegelijk persoon en wereld
op elkaar af te stemmen en tot eenheid te brengen.
Read ontleend deze opvatting aan Plato.
Zijn boek, dat als een academische verhandeling geschreven is,
blijkt een manifest te zijn voor de broodnodige hervormingen in
het onderwijs na de oorlog.
Het meest essentiële deel van zijn idee is niet om
lessen in kunst te geven maar meer 'ritme en harmonie' in
het onderwijs te brengen. Ontwikkeling van verbeeldingskracht
is het sleutelbegrip.
De vraag is wel hoe het komt dat ondanks de vele begaafde opvoeders
die vanuit die opvatting gewerkt hebben, er tot op de dag van
vandaag niet in geslaagd zijn het onderwijs doeltreffend te vernieuwen.
Er was een tijd, in de jaren '30, dat het meeste kleuteronderwijs
op kunst gebaseerd, en kindgericht was.
Denk daarbij aan de pedagogen Pestalozzi, Montessori en
Fröbel, of aan Rudolph Steiner.
Later, in de jaren '60, na de studentenrevolutie, werden die begrippen
door zenuwachtige docenten vertaald in studentgerichtheid en de
vrijheid om iedereen maar tot het universitair onderwijs toe te
laten.
Pessimisten verklaren dat daar de oorzaak lag van de tegenwoordig
zich misdragende jongeren, criminaliteit, drugsgebruik, het ontbreken
van taal- en rekenvaardigheden, en zo meer.
Het zou een reactie zijn op die 'verschrikkelijke' manieren van
opvoeden.
Was de theorie van Read onjuist?
Onderwijs door middel van kunst werd door kunstdocenten
gegeven.
Maar het idee was nu juist dat het de basis van het gehele stelsel
van opvoeding en onderwijs moest zijn.
Dat vereiste eerst een complete heropvoeding van alle leerkrachten,
en waarschijnlijk ook van alle ouders, en schoolbesturen, in feite
van ons allemaal, voordat zo'n idee uit de grond gestampt kan
worden.
Herbert
Read werd tijdens de Eerste Wereldoorlog tweemaal gedecoreerd
voor moed in de loopgravenoorlog.
Hij werd pacifist en anarchist en dat bracht hem ertoe temidden
van de bombardementen in de Tweede Wereldoorlog zijn boek te schrijven.
***
Nederlandse Federatie van Beroepsverenigingen
van Kunstenaars
Onder leiding van cultuurfilosoof Jan
Kassies is het
één van de organisaties die de ideeën van Read
volgt.
Volgens de Federatie van Kunstenaarsverenigingen en lynxprogressieve
politici moest de kunst een andere rol in de samenleving gegeven
worden.
Meer dan voorheen zouden kunstenaars aan de vorming van de burgers
moeten bijdragen.
Kunst en kunstenaar moesten uit hun 'ivoren toren' komen en ter
bevordering van het welzijn een centrale en stimulerender rol
in de samenleving spelen.
Om de kloof tussen burger en kunst te dichten zou de bevordering
van 'cultuurdeelname' door middel van kunstzinnige vorming nog
meer nadruk moeten krijgen. Daarbij was het niet de bedoeling
om 'kunstenaartjes te kweken', maar om de ontwikkeling van individuele
burgers tot breed gevormde persoonlijkheden te bevorderen.
Cultuurbeleid moest, overeenkomstig de idealen van de vrijexpressie
beweging, in de eerste plaats bijdragen aan de bevordering van
individuele creativiteit.
Kunst diende niet langer in de eerste plaats een zaak van een
elite te zijn. Het was niet de bedoeling zich uitsluitend te richten
op in 'burgerlijke' opvattingen over 'schoonheid' en 'hogere waarden'.
Integendeel, volgens Kassies moest de kunst geheel in het licht
van 'democratisering en vernieuwing' worden geplaatst. Voor velen
werd 'schoonheid' een besmet woord waarmee een tekort aan maatschappelijk
engagement werd benoemd.
***
De Druksels van het Paradijs
Hendrik
Nicolaas Werkman uit Groningen
is de drukker in dat twijfelachtige paradijs.
Niet het bekende paradijs, maar het onbekende, ergens in een werelddeel
dat nog door geen mens uit de cultuurstaten is ontdekt - daarheen
ben ik gevlucht omdat het in onze wereld haast niet meer uit te
houden is.
De handpers is gewillig en het materiaal wijst mij de weg zelf
aan.
Ontaarde kunst
Het werk van Werkman bezat zoveel kwaliteit en inhoud, dat het
ver uitsteeg boven andere clandestien werk tijdens de oorlog.
In zijn werk besteedde hij zoveel aandacht aan vrijheid en menselijkheid,
dat het tot een bijzondere vorm van verzet werd gerekend.
Dat bleek wel toen Werkman opgepakt werd en zijn 'Surrealistische
Schweinerei', zoals de Duitsers het noemden, meteen in beslag
genomen en vernietigd werd.
Op 10 april 1945 wordt Werkman in de bossen bij Bakkeveen gefusilleerd.
Juist door zijn tragische dood kreeg zijn kunst veel meer aandacht.
Dat irriteerde de Duitsers.
Toen er een tentoonstelling van dit soort werk georganiseerd werd,
bemoeide de Duitse politie zich hier meteen mee. Zij verklaarden
de werken ontaard.
De druksels van Werkman zijn een inspiratiebron voor taaldrukkers
die zijn improvisaties met drukletters en sjabloontechnieken in
hun werkvormen opnemen.
***
MiKoJel
Er komt een een sociaal-pedagosche opleiding voor jeugdleiders
'Middeloo' in Amersfoort, die later samen met 'De Kopse Hof' in
Nijmegen en 'de Jelburg' in Baarn de 'MiKoJel' gaan heten. Op
Middeloo komt drama op het rooster te staan. De handenarbeidleraren
zoals Ad Pieters en
Ab Meilink
zijn ook betrokken bij De Werkschuit.
 
Het Scapino Ballet
Het ballet, dat speciaal gericht is op pedagogische uitvoeringen
voor de schooljeugd, wordt door Hans
Snoek samen met Nicolaas Wijberg
en Hans van Norden opgericht. Het was de eerste jeugdballetgroep
ter wereld. Zes jaar later kwam daaruit de Scapino Balletschool
voort, waarvan zij jaren leider en artistiek leider bleef. Ook
ritte zij het jeugdtheater De Krakeling, de IVKO-school
en de stichting Operatie Onmisbare Kunst op.
Met het Scapino Ballet bracht Hans Snoek ballet en scholieren
bij elkaar.
Ze kreeg voor haar werk in 1990 de zilveren eremedaille van de
stad.
Marshall-hulp
Ik maak kennis met de speciale geur van de stencils waarop ik
de tekeningen voor de schoolkrant maak.
De hele vaderlandse geschiedenis in stripvorm op één
A4tje. Een soort canon van de de geschiedenis van ons land. Van
de Marshall-hulp
krijgt de school zegge en schrijven één doos
kleurpotloden.
De directeur overhandigt die plechtig aan mij, een grote verantwoordelijkheid.
Dat, en een 10 voor tekenen op het eindexamen, geeft aan waar
ik naar toe moet: naar de Academie voor Beeldende Kunst in Arnhem,
die dan nog Kunstoefening heet.
***
>
naar boven
> verder
> terug naar index
|
|