|
1931
Het jaar waar in de Diamantbeurs in Amsterdam een proef met televisie
plaats vindt
Taal,
School en Mens

1880
Nederlandsche Vereeniging voor Teekenonderwijs NVTO opgericht
1889
Tekenen wordt een verplicht vak
Wet
op het Lager Onderwijs, van Goeman
Borgesius
1900 De eeuw van het kind
Cultuurkritiek
wordt geformuleerd door Ellen Key
uit Zweden
1900
Reformpedagogiek in Nederland
De kinderen moeten meer een 'kunstenaarsmentaliteit' ontwikkelen
en 'natuurlijk' gaan tekenen.
Hoewel minder dan in Duitsland heeft de Reformpedagogiek invloed
op het denken over het tekenonderwijs in Nederland, er zijn enthousiaste
voorstanders en kritische tegenstanders. De Oostenrijker
Franz Cizek richt de Jugend
Kunstklasse op om te bereiken dat er op een andere manier
getekend kan worden.
1904
'Vermethodiekte' kindertekeningen
Pedagoog J.H.Gunning was districtschoolopziener
in Amsterdam en propageerde, toen al, dat er iets moest veranderen
in de aanpak van het tekenonderwijs, schreef hij in het Nieuwe
Schoolblad
1921
the New Education Fellowship
Beatrice Ensor,
een Engelse onderwijsinspectrice richtte the New Education Fellowship
op om aandacht te vragen voor vernieuwingen in het onderwijs.
Kees Boeke richt een Nederlandse
afdeling op.
1924 De
Vrolijke Brigade
Ida Last- ter Haar
begint voor kinderen in de Jordaan een kindertheater op onder
het motto: " Alles wat kan mag" Inspiratie daarvoor
kwam van Jef Last die in de
Sovjet Unie kinderactiviteiten zag. Uit dit initiatief ontstaat
kindercirkus Elleboog.
1931
Kinderen uiten zich
'De taal is ons gegeven om onze gedachten
te verbergen'.
Maar taal is er ook om onze medemensen te kunnen verstaan,
om contact met ze te krijgen, om onze gedachten te kunnen uiten.
Het eerste contact dat een kind maakt met zijn medemensen is echter
niet met woorden.
Het is het moment waarop een mondje begint te trillen, oogjes
oplichten en het eerste lachje doorbreekt.
Later vinden moeders dat kinderen met twee woorden moeten spreken.
Geremdheid
die overal blijkt, waar ons volk zich schriftelijk, en mondeling,
moet uiten.
De arbeider durft geen brief te schrijven, het schoolkind gruwt
van een opstel, de belastingformulieren zijn voor geen mens te
begrijpen, de handel schrijft tante Betjes en niemand doet 'gewoon'.
Zo is dat, in 1931 en zeventig jaar later nog steeds geldend.
1900
Gedegen pedagogische aanpak
Jan Ligthart is de voorloper
van die aanpak. Hij is in 1916 overleden, maar zijn denkbeelden
over het evenwicht tussen hersenarbeid en handenarbeid leven voort.
Hij stond voor een meer kritische houding ten opzichte van de
modernisering van de samenleving die vooral tot uiting moest komen
in een grote liefde en aandacht voor het kind. Kinderen moesten
zich in vrijheid kunnen ontwikkelen zonder de 'fatsoensrakkers'
die de onderwijsinstellingen van die tijd bevolkten.
1926 Wetenschappelijke pedagogie
Ph. Kohnstamm
werd in 1926 hoogleraar pedagogie aan het Nutssemniarium van de
Universiteit van Amsterdam.
De eerste hoogleraar pedagogie aan de Vrije Universiteit is J.
Watering in 1929
1926 Werkplaats
Kindergemeenschap
Kees Boeke (1884-1966) begint kinderen
thuis les te geven. Boeke is een anarchistisch denker, antimilitarist,
maar bovenal onderwijshervormer. Hij sticht de Werkplaats
Kindergemeenschap in Bilthoven waar de leerlingen zich in
vrijheid ontwikkelen naar eigen aard. Een harmonie tussen fysieke
mogelijkheden, cognitie en kunstzinnigheid. De school werd bezocht
door de prinsessen Beatrix, Irene en Margriet.
Teekenen
is spreeken en schrijven tegelijk
In een
bijgebouw van het Rijksmuseum
is een tekenschool gevestigd, waar deze tekst in mooie letters
op de gevel te zien is.
1931
De geur van voor de oorlog
Ik woon in de Distelstraat Amsterdam Noord, maar aan die plek heb
ik geen herinneringen. Aan de andere kant van de straat begint het
Disteldorp, oorspronkelijk
gebouwd voor Belgische vluchtelingen uit de Eerste Wereldoorlog.
Later wonen er sociaal zwakkeren.
Mijn ongetrouwde tante Marie heeft er een piepklein huisje. Op zondag
bezoeken we haar. De geur van het petroleumstel overheerst, maar
is tegelijkertijd heel vertrouwd. Een gepoetste koperen doofpot
is het meest waardevolle stuk huisraad. Uit een houten krantenhanger
met koperen beslag komen kleine tijdschriftjes om mijn zus en mij
bezig te houden. De inhoud van die krantjes is me niet bijgebleven.
De rituelen wel. Aan de wand een schilderij, voorstellend een boek
en een doodshoofd, dat gemaakt is door oom Herman. Dat moet de kunstenaar
van de familie zijn.
1933 De geur
van de bierbrouwerij
Twee jaar later ben ik verhuisd naar de 's-Gravesandestraat waar
mijn moeder een sigarenwinkeltje drijft en mijn vader als huisschilder
werkt. Het winkeltje is klein, de woonruimte is een paar treden
hoger en de keuken is in het souterrain.
Achter het huis is een binnenplaatsje dat uitkomt op een school
aan de Mauritskade.
Later,
veel later, wordt in die school de Werkschuit
gehuisvest en in 2002 vindt de Taaldrukwerkplaats
er een plekje als de TDWP in de Staatsliedenbuurt weg moet.
Naast die school was de Amstelbrouwerij met bonkend rollende tonnen
en een rinkelend geluid van flessen die op een lopende band gevuld
worden.
Van alle zintuiglijke gewaarwordingen is me de geur van 'bierborstel'
het meest bijgebleven. Bierborstel is een dampende brei die overblijft
als het graan en de hop tot bier gebrouwen is.
Ik sluit vriendschap met het zoontje van de chauffeur van de auto
die de bierborstel naar de boeren brengt, die het als veevoer gebruiken.
Ik mag af en toe meerijden. Mijn eerste stappen op het platteland.
Mijn huis is afgebroken en er is fantasieloze nieuwbouw voor in
de plaats gekomen.
De Amstelbrouwerij is er ook niet meer.
Op die plaats staan het Pleintheater
en nieuwe huizen.
naar
boven
|
|