1931
1936

1940
1945

1949
1950
1951

1952

1953

1954

1955

1956

1957

1958

1961

1962

1963

1964

1965

1966

1967

1972

1973

1974

1975

1976

1977

1978

1979

1980

1981

1982

1983

1984

1985
1986
1987

1988
1989

1990

1991

1992

1993
1994

1995

1996

1997
1998

1999

2000
2001
2002
2003

2004

2005

2006


1931
Het jaar waar in de Diamantbeurs in Amsterdam een proef met televisie plaats vindt

Taal, School en Mens


1880 Nederlandsche Vereeniging voor Teekenonderwijs NVTO opgericht

1889 Tekenen wordt een verplicht vak
Wet op het Lager Onderwijs, van Goeman Borgesius

1900 De eeuw van het kind
Cultuurkritiek wordt geformuleerd door Ellen Key uit Zweden

1900 Reformpedagogiek in Nederland
De kinderen moeten meer een 'kunstenaarsmentaliteit' ontwikkelen en 'natuurlijk' gaan tekenen.
Hoewel minder dan in Duitsland heeft de Reformpedagogiek invloed op het denken over het tekenonderwijs in Nederland, er zijn enthousiaste voorstanders en kritische tegenstanders. De Oostenrijker Franz Cizek richt de Jugend Kunstklasse op om te bereiken dat er op een andere manier getekend kan worden.

1904 'Vermethodiekte' kindertekeningen
Pedagoog J.H.Gunning was districtschoolopziener in Amsterdam en propageerde, toen al, dat er iets moest veranderen in de aanpak van het tekenonderwijs, schreef hij in het Nieuwe Schoolblad

1921 the New Education Fellowship
Beatrice Ensor, een Engelse onderwijsinspectrice richtte the New Education Fellowship op om aandacht te vragen voor vernieuwingen in het onderwijs. Kees Boeke richt een Nederlandse afdeling op.

1924 De Vrolijke Brigade
Ida Last- ter Haar begint voor kinderen in de Jordaan een kindertheater op onder het motto: " Alles wat kan mag" Inspiratie daarvoor kwam van Jef Last die in de Sovjet Unie kinderactiviteiten zag. Uit dit initiatief ontstaat kindercirkus Elleboog.

1931 Kinderen uiten zich
'De taal is ons gegeven om onze gedachten te verbergen'.
Maar taal is er ook om onze medemensen te kunnen verstaan, om contact met ze te krijgen, om onze gedachten te kunnen uiten.
Het eerste contact dat een kind maakt met zijn medemensen is echter niet met woorden.
Het is het moment waarop een mondje begint te trillen, oogjes oplichten en het eerste lachje doorbreekt.
Later vinden moeders dat kinderen met twee woorden moeten spreken.

Geremdheid die overal blijkt, waar ons volk zich schriftelijk, en mondeling, moet uiten.
De arbeider durft geen brief te schrijven, het schoolkind gruwt van een opstel, de belastingformulieren zijn voor geen mens te begrijpen, de handel schrijft tante Betjes en niemand doet 'gewoon'.
Zo is dat, in 1931 en zeventig jaar later nog steeds geldend.

1900 Gedegen pedagogische aanpak
Jan Ligthart is de voorloper van die aanpak. Hij is in 1916 overleden, maar zijn denkbeelden over het evenwicht tussen hersenarbeid en handenarbeid leven voort. Hij stond voor een meer kritische houding ten opzichte van de modernisering van de samenleving die vooral tot uiting moest komen in een grote liefde en aandacht voor het kind. Kinderen moesten zich in vrijheid kunnen ontwikkelen zonder de 'fatsoensrakkers' die de onderwijsinstellingen van die tijd bevolkten.

1926 Wetenschappelijke pedagogie
Ph. Kohnstamm werd in 1926 hoogleraar pedagogie aan het Nutssemniarium van de Universiteit van Amsterdam.
De eerste hoogleraar pedagogie aan de Vrije Universiteit is J. Watering in 1929

1926 Werkplaats Kindergemeenschap
Kees Boeke
(1884-1966) begint kinderen thuis les te geven. Boeke is een anarchistisch denker, antimilitarist, maar bovenal onderwijshervormer. Hij sticht de Werkplaats Kindergemeenschap in Bilthoven waar de leerlingen zich in vrijheid ontwikkelen naar eigen aard. Een harmonie tussen fysieke mogelijkheden, cognitie en kunstzinnigheid. De school werd bezocht door de prinsessen Beatrix, Irene en Margriet.

Teekenen is spreeken en schrijven tegelijk
In een bijgebouw van het
Rijksmuseum is een tekenschool gevestigd, waar deze tekst in mooie letters op de gevel te zien is.


1931 De geur van voor de oorlog
Ik woon in de Distelstraat Amsterdam Noord, maar aan die plek heb ik geen herinneringen. Aan de andere kant van de straat begint het Disteldorp, oorspronkelijk gebouwd voor Belgische vluchtelingen uit de Eerste Wereldoorlog. Later wonen er sociaal zwakkeren.
Mijn ongetrouwde tante Marie heeft er een piepklein huisje. Op zondag bezoeken we haar. De geur van het petroleumstel overheerst, maar is tegelijkertijd heel vertrouwd. Een gepoetste koperen doofpot is het meest waardevolle stuk huisraad. Uit een houten krantenhanger met koperen beslag komen kleine tijdschriftjes om mijn zus en mij bezig te houden. De inhoud van die krantjes is me niet bijgebleven. De rituelen wel. Aan de wand een schilderij, voorstellend een boek en een doodshoofd, dat gemaakt is door oom Herman. Dat moet de kunstenaar van de familie zijn.

1933 De geur van de bierbrouwerij
Twee jaar later ben ik verhuisd naar de 's-Gravesandestraat waar mijn moeder een sigarenwinkeltje drijft en mijn vader als huisschilder werkt. Het winkeltje is klein, de woonruimte is een paar treden hoger en de keuken is in het souterrain.
Achter het huis is een binnenplaatsje dat uitkomt op een school aan de Mauritskade.

Later, veel later, wordt in die school de Werkschuit gehuisvest en in 2002 vindt de Taaldrukwerkplaats er een plekje als de TDWP in de Staatsliedenbuurt weg moet.
Naast die school was de Amstelbrouwerij met bonkend rollende tonnen en een rinkelend geluid van flessen die op een lopende band gevuld worden.
Van alle zintuiglijke gewaarwordingen is me de geur van 'bierborstel' het meest bijgebleven. Bierborstel is een dampende brei die overblijft als het graan en de hop tot bier gebrouwen is.
Ik sluit vriendschap met het zoontje van de chauffeur van de auto die de bierborstel naar de boeren brengt, die het als veevoer gebruiken. Ik mag af en toe meerijden. Mijn eerste stappen op het platteland.
Mijn huis is afgebroken en er is fantasieloze nieuwbouw voor in de plaats gekomen.
De Amstelbrouwerij is er ook niet meer.

Op die plaats staan het Pleintheater en nieuwe huizen.

naar boven