|
Een
museum met levende dieren
is een uitbundige bron van visuele informatie.
In de museumlessen leren de kinderen eerst
kijken naar een detail.
Dat stukje van een ingewikkeld geheel dat in een dierentuin te zien
is
levert de stof voor vertellen en schrijven.

Het
vosje rende boven op het holletje.
Zij rent met haar vriendje.
Zij denkt: zou het eten al komen?

De
vos zit in zijn holletje. Hij speelt met zijn jong.
Hij denkt dat hij stoer is.

Een glansspreeuw?
Als de kinderen een detail tekenen
valt ze het naastliggende ineens ook op.
De namen van de dieren worden erbij geschreven.
Een vogel en een spin blijken ook nog anders te heten.
Het valt niet mee om naar al die vreemde dieren te kijken en dan
ook nog goed overschrijven hoe ze heten
Vertellen
Als de kinderen uit het warme, stinkende, reptielenhuis in de
frisse lucht komen, vertellen ze elkaar over de vogels, de krokudillen,
de slagen en leguanen. De opdracht was om te kijken wat de dieren
deden.
"Ik kan niets vertellen want de krokodil deed niks"
Denk je dat dieren kunnen denken?
De kinderen denken van wel.
Ze denken over hun kinderen en over eten.

De wurgslang slaapt in zijn hok.
Hij en zijn vader worden wakker.
Hij denkt dat hij eten krijgt.
|
|

De schorpioen die in het insektenhuis was.
Hij lag stil. Hij denkt dat hij eten krijgt.

De kleurvis in het aquarium.
Zij speelt met haar vriendjes.
Zij denkt eraan of de kinderen niet meedoen.

De tijger bij de rotsen.
Zij ligt te slapen.
Zij denkt dat ze een baby krijgt.

De baviaan is op de berg.
Hij denkt aan de baby.
Hij zorgt voor de baby.

Dubbelhoornige neushoornvogel
naar
boven
terug
|
|