startpagina

index
literatuur


werkvormen
lessen




Museumlessen

Kinderen op zoek naar hun kinderboek


Zelden gelukt het te schrijven
op een zo simpele wijze
dat de woorden als kinderen ademen
in het bed van de taal


Guiliaume van der Graft

 



We waren in het Kinderboekenmuseum

De kinderen keken door 'venstertjes' naar de voorwerpen in de vitrines.
Alles had iets met kinderboeken te maken, dat zag je zo.

Wat gebeurde er een keer
dat je op een verre reis was?


Ben je wel eens opgespoord door iemand?
Hoe klinkt het verschil tussen een kerk en een moskee?
Dat zijn zo de dingen waar we over geschreven hebben daar in het kinderboekenmuseum.


Het lezen kan al in de trein beginnen

De vragen die naar aanleiding van de onderwerpen uit het kinderboekenmuseum kwamen:

Weet je nog het eerste woord dat je op school leerde schrijven?
Ken je dieren die bij jou dood gegaan zijn?
Wat gebeurde er toen je een verre reis maakte?
Waar ruiken boeken naar?
Hoe klinkt het als je in een kerk of een moskee bent?
Als je schrijft krijg je dan inkt aan je vingers?
Waar kun je het beste pen en papier kopen?

Associaties vliegen in het rond.
Af en toe praten we met elkaar over iets dat je in een boek las.
''Honger' is zo iets. Een van de kinderen leest een stukje voor dat gaat over een jongen die wel wil eten, maar die inplaats van handen vleugels heeft. We weten daar wel iets op: dan moet hij zijn lepel maar tussen zijn tenen nemen.

Er gaan veel associaties over verliefd zijn.
Ken je kinderen van ongeveer je eigen leeftijd die wel eens verliefd zijn? Meisjes zijn wel eens 'op' iemand. Jongens zeggen dat ze daar nog te jong voor zijn. Pas op je 18e ben je vrouw, weten de meisjes. Ze zijn deskundig als het over de liefde gaat.

 

Boeken in een bibliotheek zijn dode dingen tot het moment dat iemand erin gaat lezen

Waar ruiken boeken naar?
De verbinding tussen wat kinderen zelf schrijven
naar aanleiding van hun eigen ervaringen en wat ze bij beroemde
kinderboekenschrijvers lezen is van wezenlijk belang in hun
taalontwikkeling.


Ik was in Egypte.
Ik was daar met mijn ouders en mijn broertje.
Je stikt er van de warmte, je moet er wel dunne kleren aan.
Ik was bij mijn familie. Ik voelde me sterk en slap tegelijk.


Toen ik naar de kerk ging moest ik luisteren.
Je mag niet liegen in de kerk. We bidden en het ruikt er lekker.
Je moet er lang zitten.
De priester zegt dat je een bijbel moet pakken.

Ben je wel eens door iemand opgespoord?


We gingen de sporen van een paddestoel bekijken.
Ik haalde mijn vergrootzak uit mijn zak.
Door het glas loerde ik in mijn doos.
Ik dacht dat ik niet hoefde te werken.
Maar ik moest het toch nog doen.

Er zijn dingen tussen hemel en aarde waar je nog nooit eerder van gehoord hebt.


Ik ben thuis, de telefoon gaat.
Wat heb je met mijn kakkerlak gedaan?
Ik heb hem dood gemaakt.
Oh nee, waarom? Ben je gek of zo?
Moet ik die kakkerlak dan levend houden?

naar boven

terug