startpagina

index
literatuur


taalwerkvormen


drukwerkvormen


werkvormen, lessen


eerst beeld


gedichten







Taalwerkvormen / gedichten

Gedichten over ouderdom


Gedichten die gaan over de oude mensen die de kinderen kennen.

Maar ook en vooral over hoe je zelf over ouderdom nadenkt.
Taalvorming is er op gericht kinderen te laten nadenken over zichzelf en hun relatie met anderen.
Als ze daarover op een goede manier kunnen schrijven is dat een belangrijke stap in hun taalontwikkeling.

Gedichten en de werkvormen die er bij gebruikt zijn
Gekozen uit de bundel: 'Als je goed om je heen kijkt zie je dat alles gekleurd is'

Bij grootmoeder

Bij grootmoeder weet ik een kastje te staan,
zo één met een heleboel laatjes.
Daar liggen de aardigste dingetjes in.
Een album met versjes en plaatjes...

Een schelpje, waarin je, heel dicht bij je oor,
het ruisen der zee nog kunt horen...
Een doosje, met grappige kiekjes, gemaakt,
toen ik nog niet eens was geboren...

Een stapeltje brieven, een lintje erom...
een boek met een geel verdroogd roosje...
En altijd weer, als ik bij grootmoeder ben,
bekijk ik alles een poosje.

Jo Kalmijn - Spierenburg


Vertelronde
Naar aanleiding van een meegebracht voorwerp van vroeger.
In de eerste ronde over je eigen voorwerp.
Een tweede ronde over een voorwerp van een ander waarbij je een eigen herinnering of associatie hebt.
Uitleggen: een associatie is het eerste waaraan je moet denken als je naar een voorwerp kijkt.

Lijstje
Voorwerpen die je je van je grootouders herinnert of die je in je bezit hebt.

Begeleide zintuiglijke associatie
Vragen stellen over vorm, geur, geluid, smaak, aanraking van het voorwerp en de omgeving ervan.
De kinderen schrijven hun associaties in steekwoorden op.

Schrijven
1) over je grootouders;
2) een eigen herinnering.
De woorden van de associatie liggen omgekeerd op tafel en dienen slechts als vrijmakende techniek voor het schrijfproces.
Het is niet persé nodig dat die woorden in de tekst terug komen, maar het mag natuurlijk wel.

Tegenstellingen

Lijstje en tweetal
Hoe voelen de dingen, die we meegebracht hebben, aan.
Schrijven
Je kiest één van die dingen om over te schrijven.
Regel 1: daarin komt de naam van het voorwerp en hoe het aanvoelt.
Regel 2: wat gebeurt er als je het voelt.
Regel 3: begint met 'maar' en dan beschrijf je een tegenovergesteld gevoel.
Regel 4: wat gebeurt er als je het tegenovergestelde voelt.
Regel 5: begint met een dichterlijke uitroep of verzuchting zoals 'Oh' of 'Ach' en gaat over de twee verschillende gevoelde dingen.

voorbeelden van kinderteksten

Een afwasborstel voelt van de bovenkant hard, ruw, borstelig.
Mijn wang doet er pijn van.
Maar het plastic voelt glad
En soms zitten er bobbeltjes op
Fjoe, gelukkig is de afwasborstel niet vies.

Mijn puntenslijper voelt heel koud.
Ik gebruik hem om mijn potlood te slijpen
Maar het is ook een soort poppenhuisje
Ik vind het zelf ook heel puntig
Oh, wat doet dat pijn.

Mijn knuffeldier is wollig en stug
Ik draai hem de nek om als ik verdrietig ben
Maar ik knuffel hem toch ook wel
Want hij kijkt zo lief naar me
Ach, wat zeur ik nou, hij leeft toch niet... maar het voelt wel zo.

Het sokje voelt ruw, wollig, naar een opengekrabd wondje.
Ik krijg het warm want het is om je voeten warm te houden.
Maar in elk open stukje komen er een paar draadjes los.
Ik liep er lekker in.
Ach, wat jammer eigenlijk dat de sokjes mij te klein zijn.

Gedicht voorlezen:

Sasja

Sasja,
Wat ik zou willen:
mijn gezicht
in de spiegel zien
op het ogenblik dat ik
niet
op mijn hoede
door de wereld loop,
ik bedoel
op het ogenblik
zo onbewaakt
dat ik eindelijk weet hoe
ik er uitzie.
Eén keer,
in de badkamer,
was het bijna gelukt maar
de spiegel was
bewasemd.

Ed Franck

Kring
Wie hoort bij wie? ; Kring samenstellen op uiterlijke kenmerken die bij elkaar passen.
Kinderen met brilletjes of beugeltjes, met wipneuzen of blauwe ogen, met vlechtjes of paardenstaarten, enzovoort komen naast elkaar te zitten.

Tekenronde
Op papier met drie kaders in de vorm van een portretlijst:
1) Twee aan twee tegenover elkaar gaan zitten. Teken elkaar;
2) Teken jezelf toen je .. jaar was;
3) Teken jezelf als je .. bent.

Tweetalgesprek
Kies een van de drie leeftijden en vertel over een bijzonderheid van die leeftijd..

Schrijven
Aan regels gebonden:
1e regel: Kies een leeftijd die ouder is dan jezelf
2e regel: Wat doet iemand die ouder is.
3e regel: Hoe ziet die er uit.
4e regel: Als 1e regel
5e regel: Nog iets over iemand die ouder is.
6e regel: Schrijf: als je zelf .. bent
7e regel: Hoe zie je er dan uit
8e regel: Wat doe je dan.

voorbeeld
Iemand die tachtig is
Loopt langzamer
Zijn kleren hebben minder kleur
Iemand die tachtig is
Gaat zijn eigen weg
Als ik tachtig ben
Loop ik af en toe in korte broek
Bind mijn tent op mijn fiets

Gedicht voorlezen :

Opa is nieuwsgierig

Je weet het,
als mensen oud zijn
dan worden ze niet meer groot.
En als ze dan nog ouder zijn
dan gaan ze tenslotte dood.

Maar als je je opa gaat vragen
wanneer hij nou eens dood zal gaan,
dan zal je opa zeggen:
'dat gaat je geen donder aan'.

Dat komt zo:
als mensen oud zijn,
dan willen ze nog niet weg,
omdat ze zo nieuwsgierig zijn:
wat komt er van jou terecht?

Want opa's zijn altijd nieuwsgierig
naar wat voor soort mens je wordt.
Hij kan het nog niet precies raden,
want daarvoor leef jij nog te kort.

Karel Eykman

Tijdbalk
Maak een tijdbalk van 1900 tot nu; met stapjes van 10 jaar.
Plaats daarop de geboortejaren van mensen die je kent, je ouders, broers en zussen, grootouders.
Buren en kennissen mag ook.

Schrijven
Aan regels gebonden:
1e regel: Een geboortejaar van de ene kant van de tijdbalk.
2e regel: Naam en wie het is.
3e regel: Wat doet die op dit ogenblik, of wat zou hij of zij gedaan hebben.
4e regel: Wat doe, of deed, je samen?
5e regel: Een geboortejaar van de andere kant van de balk.
6e regel: Naam en wie het is.
7e regel: Wat doet die op dit ogenblik.
8e regel: Wat doe je samen.

voorbeeld
1900
Henk, mijn vader
Hij loopt moeilijk door zijn huis
Steeds luister ik naar dezelfde verhalen
1960
Fjodor, mijn zoon
Hij zit achter zijn computer
Als ik hem zie maakt hij grappen

Voorlezen
In de kring:
Met een meegebracht voorwerp, of een foto, van jezelf.
Aantekeningen maken over voorwerp of de foto: Waar, wat, hoe, enzovoort.

Tweetal
Vertellen aan de hand van je aantekeningen.

Schrijven
Wat je vertelde in het tweetalgesprek, met de beperking dat je niet mag schrijven: "op deze foto..." of "deze lepel heb ik...."
Het is de bedoeling dat naar aanleiding van de foto of het voorwerp een tekst geschreven wordt die iets verduidelijkt.

lees ook