Voorwerpen
Behalve associaties die ontstaan uit het bekijken van afbeeldingen
zijn er ook die komen bij zien van voorwerpen.
Eerst een voorwerp en dan een vorm is een werkwijze waarop een
reeks associaties plaatsvindt. Na het benoemen van een voorwerp
volgt een associatie tussen twee voorwerpen. Daarna bekijken
de kinderen de voorwerpen en zoeken rubberdrukvormen die er
naar hun gevoel bij passen. De vormen drukken we af op de bekende
manier.
Als de afdrukken er zijn komen de verhalen vanzelf. Ze worden
gevoed door de associaties met de voorwerpen en vormen in gelijke
mate.
Voorbereiding
en benodigd materiaal:
Een ruime collectie voorwerpen, bijvoorbeeld een
kwast, een spijker, een bierviltje, een handschoen, een stuk
zeep, een tandenborstel, een speelgoed beertje, een kurkentrekker,
een schelp, een bril, een stopcontact, een batterij, een speelkaart,
een wasknijper, een pijp, en een kroonkurk.
> Ik kies voorwerpen die kinderen gebruiken of die ze volwassenen
in hun omgeving zien gebruiken. Niet alleen speelgoedspullen,
want die leveren te weinig 'echte' verhalen op.
De gebruikelijke materialen voor het
drukken van de beelden in rubberdruk.
Een ruime collectie rubbersnippers met gevarieerde vormen.
> Ik gebruik hiervoor de restvormen van andere werkkeren,
waarbij ik oplet dat en niet teveel dezelfde vormen zijn. Grote
stukken knip ik vooraf door en ontbrekende basisvormen zoals
cirkels, driehoeken en rechthoeken, voeg ik zelf toe.
Papier met kader A4
Kladblaadjes
Pennen
Werkwijze:
Vormen
benoemen
De voorwerpen die ik meebreng zitten in een linnen tas. In een
groep waar veel tweede taalverwervende kinderen zitten is het
zinvol dat de kinderen de voorwerpen eerst benoemen. Het valt
mij op dat de kinderen eerder de functie van een bepaald voorwerp
kunnen beschrijven dan dat ze de juiste benaming ervoor kennen.
Ik hoor vaak: "Dat is zo'n ding waarmee je een dinges
mee openmaakt" als het gaat om 'Kurkentrekker'. Ze maken
er veel beeldende bewegingen bij, maar ik wil graag dat ze woorden
gebruiken inplaats gebarentaal. Ook wil ik graag dat de kinderen
zo precies mogelijk benoemen: "Een lepeltje" is
niet genoeg. "Een wit plastic taartlepeltje"
komt naar een paar keer doorvragen tevoorschijn. Een van de Marokkaanse
kinderen mompelt bij een stuk zeep: "zabon' Het blijkt afgeleid
van "Savon" en alle Marokkaanse kinderen kennen het
woord.
Opdracht:
1. Een voor een pakken jullie op de tast een voorwerp uit de tas
en houden dat omhoog.
2. Zeg de naam van het ding.
3. Als je niet weet hoe het heet vraag je aan de groep: "Wie
weet hoe dit heet?"
> Als leerkracht moet je goed bewaken dat de kinderen een verschil
maken tussen 'benoemen' en 'beschrijven'
4. Leg het voorwerp op een van de blaadjes met een kader.
Voorwerpen bij elkaar leggen.
Het is zinvol om een associatieve ordening bij de voorwerpen aan
te brengen. Zijn er soms voorwerpen die bij elkaar passen op grond
van hun vorm en kleur, zoals een balletje en een dekseltje, of
op hun toepassing: een plastic taartlepeltje en een kurkentrekker
die iets met feest te maken hebben?
Of omdat je vindt dat ze gewoon bij elkaar passen zonder dat je
echt weet waarom? Bijvoorbeeld een pijp en een verfkwast.
Het is beslist niet nodig dat je als leerkracht het eens bent
met hun associaties en hun ordening.
Opdracht:
1. Kijk naar de voorwerpen
2. Leg om de beurt twee of meer voorwerpen bij elkaar.
2a.
Omdat ze in vorm en kleur wat met elkaar te maken hebben.
2b Omdat ze voor iets gebruikt worden wat met elkaar te maken
heeft.
2c Omdat je zo'n gevoel hebt dat ze wel iets met elkaar te maken
kunnen hebben.
Van
voorwerp naar vorm
In deze ronde stap ik van een figuratieve - naar een abstracte
vorm. Alle vormen liggen overzichtelijk op een blad papier.
De kinderen maken hun keuze of grond van dezelfde associaties
die ook in de eerdere ronde een rol speelden.
Opdracht:
1. Kies een rubbervormpje en kijk bij welk voorwerp dat past.
1a Kies een voorwerp en kijk of je er een rubbervormpje bij kunt
vinden.
2. Als er bij alle dingen drie of meer rubbervormpjes liggen kijk
je hoe je die vormpjes mooi kan rangschikken.
3. Haal het dekpapiertje van het rubber vormpje af en plak het
op precies dezelfde plek vast.
Drukken.
Deze ronde is bij rubberdrukken beschreven.
Bijschrijven
Als er in de onderbouw gewerkt wordt schrijft de leerkracht bij
de afdruk wat het kind vertelt.
In de midden en bovenbouw volgt een tweetalgesprek en schrijfronde.
Voorlezen
en presenteren
In deze ronde wordt de tekst voorgelezen, de afdruk samen met
de voorwerpen getoond.
NB
Voordat je de werkvormen in een
groep gaat uitvoeren is het goed die vooraf met collega's
te doen.
De knelpunten worden daarmee duidelijk en je krijgt de gelegenheid
de werkvormen aan te passen.
Uitgebreide beschrijvingen van de werkvormen zijn bij de index
te vinden.
©
Henk van Faassen
naar
boven
|