startpagina

index
literatuur


taalwerkvormen


drukwerkvormen


werkvormen, lessen


eerst beeld


gedichten





Eerst een tekening drukken en daarna de tekst maken
Eerst een voorwerp en daarna pas schrijven


De smaak van wijn
Een fles wijn
Je kunt er kurken mee trekken
Een kurkentrekker
Dronkelappen gebruiken hem vaak


Met het geluid van druppels
Op het caravanhuisje
Normaal liggen ze in de buurt van
Een kaars of de haard
Je kan er brand mee veroorzaken
Of gewoon een kaars aansteken

Met het geluid
Van steentjes in een potje
Om was op te hangen
Aan de waslijn
Een wasknijper
Je kunt hem ook in je oor doen
Dan is het een oorbel


Voorwerpen

Behalve associaties die ontstaan uit het bekijken van afbeeldingen zijn er ook die komen bij zien van voorwerpen.

Eerst een voorwerp en dan een vorm is een werkwijze waarop een reeks associaties plaatsvindt.
Na het benoemen van een voorwerp volgt een associatie tussen twee voorwerpen.
Daarna bekijken de kinderen de voorwerpen en zoeken bijvoorbeeld rubberdrukvormen die er naar hun gevoel bij passen.
Die vormen drukken ze af.
Als de afdrukken er zijn komen de verhalen vanzelf.
Ze worden gevoed door de associaties met de voorwerpen en vormen in gelijke mate.

Voorbereiding en benodigd materiaal:
Een ruime collectie voorwerpen, bijvoorbeeld een kwast, een spijker, een bierviltje, een handschoen, een stuk zeep, een tandenborstel, een speelgoed beertje, een kurkentrekker, een schelp, een bril, een stopcontact, een batterij, een speelkaart, een wasknijper, een pijp, en een kroonkurk.

> Ik kies voorwerpen die kinderen gebruiken of die ze volwassenen in hun omgeving zien gebruiken.
Niet alleen speelgoedspullen, want die leveren te weinig 'echte' verhalen op.

De gebruikelijke materialen voor het drukken van de beelden in rubberdruk.
Een ruime collectie rubbersnippers met gevarieerde vormen.

> Ik gebruik hiervoor de restvormen van andere werkkeren, waarbij ik oplet dat er niet teveel dezelfde vormen zijn.
Grote stukken knip ik vooraf door en ontbrekende basisvormen zoals cirkels, driehoeken en rechthoeken, voeg ik zelf toe.

Papier met kader A4
Kladblaadjes
Pennen

Werkwijze:

Vormen benoemen
De voorwerpen die ik meebreng zitten in een linnen tas.
In een groep waar veel tweede taalverwervende kinderen zitten is het zinvol dat de kinderen de voorwerpen eerst benoemen.
Het valt mij op dat de kinderen eerder de functie van een bepaald voorwerp kunnen beschrijven dan dat ze de juiste benaming ervoor kennen.
Ik hoor vaak: "Dat is zo'n ding waarmee je een dinges mee openmaakt" als het gaat om kurkentrekker.
De kinderen maken er veel beeldende bewegingen bij, maar ik wil graag dat ze woorden gebruiken inplaats gebarentaal.
Ook wil ik graag dat de kinderen zo precies mogelijk benoemen: "Een lepeltje" is niet genoeg. "Een wit plastic taartlepeltje" komt naar een paar keer doorvragen tevoorschijn. Een van de Marokkaanse kinderen mompelt bij een stuk zeep: 'zabon'. Het blijkt afgeleid van 'Savon' en alle Marokkaanse kinderen kennen dat woord.
In zulke gevallen vertaal ik zulke woorden niet meteen als ze die gebruiken omdat de kinderen met een andere moedertaal op zo'n moment het gevoel krijgen dat ze iets fout doen.
Ik probeer in het verloop van de les het woord 'zeep' in een bepaalde context op te nemen.

Opdracht:
1. Eén voor één pakken jullie op de tast een voorwerp uit de tas en houden dat omhoog.
2. Zeg hoe het ding genoemd wordt.
3. Als je niet weet hoe het heet vraag je aan de groep: "Wie weet hoe dit heet?"

> Als leerkracht moet je goed bewaken dat de kinderen een verschil maken tussen het 'benoemen' en het 'beschrijven' van een voorwerp.

4. Leg het voorwerp op een van de blaadjes waar vooraf een kader geprint is.

Voorwerpen bij elkaar leggen.

Het is zinvol om een associatieve ordening bij de voorwerpen aan te brengen.
Zijn er soms voorwerpen die bij elkaar passen op grond van hun vorm en kleur, zoals een balletje en een dekseltje, of op hun toepassing: een plastic taartlepeltje en een kurkentrekker die iets met feest te maken hebben?
Of omdat je vindt dat ze gewoon bij elkaar passen zonder dat je echt weet waarom? Bijvoorbeeld een pijp en een verfkwast.
>Het is beslist niet nodig dat je het als leerkracht eens bent met de associaties en ordening van de leerlingen.

Opdracht:
1. Kijk naar de voorwerpen
2. Leg om de beurt twee of meer voorwerpen bij elkaar.
2a Omdat ze in vorm en kleur wat met elkaar te maken hebben.
2b Omdat ze voor iets gebruikt worden dat met elkaar te maken heeft.
2c Omdat je zo'n gevoel hebt dat ze wel iets met elkaar te maken kunnen hebben.

Van voorwerp naar vorm
In deze ronde stap ik over van een figuratieve- naar een abstracte vorm.
Alle vormen liggen overzichtelijk op een blad papier.
De kinderen maken hun keuze of grond van dezelfde associaties die ook in de eerdere ronde een rol speelden.

Opdracht:
1. Kies een rubbervormpje en kijk bij welk voorwerp dat past.
1a Kies een voorwerp en kijk of je er een rubbervormpje bij kunt vinden.
>Ditt lijkt nauwelijks verschil te maken maar is dat in de praktijk wel.
2. Als er bij alle dingen drie of meer rubbervormpjes liggen kijk je hoe je die vormpjes mooi kan rangschikken.
3. Haal het dekpapiertje van het rubber vormpje af en plak het op precies dezelfde plek vast.

Drukken.
Deze ronde is bij rubberdrukken beschreven.

Bijschrijven
In de onderbouw schrijft de leerkracht bij de afdruk wat het kind vertelt.
In de midden en bovenbouw gebruik je een tweetalgesprek en een schrijfronde.

Voorlezen en presenteren
In deze ronde wordt de tekst voorgelezen en de afdruk samen met de voorwerpen getoond.

NB
Voor je de werkvormen in een groep gaat uitvoeren is het goed die vooraf met collega's te doen om de moeilijkheden zelf te ondervinden.
De knelpunten worden duidelijk en je krijgt de gelegenheid de werkvormen aan te passen.

Uitgebreide beschrijvingen van de werkvormen zijn bij de index te vinden.

Henk van Faassen

naar boven