startpagina

index
literatuur


taalwerkvormen


drukwerkvormen


werkvormen, lessen


eerst beeld


gedichten





Eerst een tekening en daarna de tekst
De beelden die kinderen zien
en wat ze er van weergeven


een paard

De wereld van de kinderen
De meeste kinderen die ik ontmoet zitten in een klaslokaal bij elkaar.
Het is een wereld, hun wereld. Er heersen andere regels, er zijn andere waarden en normen dan in de wereld buiten de school.

Toch hoor ik bijna iedereen die iets met onderwijs te maken heeft, zeggen dat het belangrijk is dat de kinderen dingen leren vanuit hun eigen belevingswereld.

Is dat de kunstmatige wereld van de school waarin ze het grootste deel van hun dagelijks leven in doorbrengen?

Is dat de wereld van thuis waar ouders zo goed en kwaad als het mogelijk is de waarden en normen bepalen?

Is het de wereld van de straat waar de regels ongeschreven, maar daarom niet minder hard en dwingend zijn?

Of bestaat er een uniek universum voor ieder kind, met eigen beelden, ongekend voor buitenstaanders?

Jonge kinderen geven volwassenen af en toe inzicht in hun universum
Dat doen ze als ze beelden ervan op papier vastleggen.

Later hebben kinderen geleerd dat het beter is te tekenen wat er van je verwacht wordt.
Natuurlijk, deskundigen op het gebied van de kinderlijke uitingen zullen moeite doen om het pure naïeve, in de kindertekening en andere vormen van expressie, te laten voortbestaan.
Het lukt zelden.
De krachten van: hoe het hoort, hoe technisch vaardige volwassenen het doen, hoe de acceptatienormen van de medescholieren zijn, zijn sterker.

De kinderen worden op school voortdurend geconfronteerd met handelingen
die op een bepaalde manier uitgevoerd moeten worden.
Ze bewonderen de vaardigheden van volwassenen en proberen die te imiteren.

Daarnaast
zijn ze overgevoelig voor hoe vriendjes en vriendinnetjes over hen oordelen.
Dat alles ligt besloten in het systeem dat onderwijs en opvoeden heet.
Pas later, heel veel later, als alle vormen van onderwijs en opleiding doorlopen en afgemaakt zijn, is er tijd om te kijken naar een individuele ontplooiing.
De zoektocht naar jezelf begint daar pas echt.
Tenminste als er dan nog gelegenheid voor is.

Praktijk

Het voorbeeld
Kinderen worden soms aangezet om de visuele grafische producten van kunstenaars te imiteren.

De uitingen van henzelf zijn echter vele malen waardevoller.
Men gaat er van uit dat kinderen lege maatbekers zijn waar je kennis en vaardigheden in stopt die er voorheen nog niet in zat.
Steeds iets tot een bepaalde streep bijvullen, overeenkomstig een theoretische inhoudsbepaling.
Voor een aantal vaardigheden is dat nuttig. Voor een ander deel is het niet wenselijk.

Ik wil niet voorbijgaan aan de 'zelfvulbaarheid' van kinderen.
Daarmee bedoel ik het vermogen om zonder hulp van buiten in een eigen ontwikkeling te voorzien.

Vrijmaken
De taak van de begeleider zal zich moeten beperken tot het vrijmaken van het gebied waarbinnen die eigen ontwikkeling kan plaatsvinden.

Er zijn in dit verband twee rollen voor de opvoeder.
De eerste is de begeleiding in die ontwikkeling, de tweede is een indirecte rol waarin vrijmakende taken liggen.

In die tweede rol plaats ik veel activiteiten en werkwijzen van taalvorming en taaldrukken.

Ik hoor wel eens kinderen roepen:
"We gaan Picassoën" en dan trekken ze willekeurige lijnen over het papier en vullen de ruimte tussen de lijnen in met felle kleuren.
Dat is een leuk spelletje meer niet.

De vraag is: 'hoe moet het dan?'

Op de Werkschuit *) hebben we veel geëxperimenteerd met het begrip 'vrijmakende technieken'.
Die houden in dat door het aanbieden van een ander materiaal of een andere hantering van gereedschappen dan gebruikelijk, de weg vrijgemaakt wordt voor een nieuwe ontdekking van het kind.

Bijvoorbeeld vraag ik kinderen die met potloodlijntjes, stereotiepe nietszeggende tekeningen maken, dat ook eens te doen met een hele dikke kwast en verf, gescheurd papier, of een takje in de inkt gedoopt.
De tekeningen die op deze manier ontstaan vertonen een vormenrijkdom die voortkomt uit een andere hantering van de gereedschappen en materialen zonder dat daar een voorbeeld van de een of andere kunstenaar aan te pas komt.
De houding ten opzichte van het aangeboden materiaal bepaalt de ontwikkeling naar een nieuwe vormentaal.

Ik kan niet voorbij gaan aan het feit dat ik daarbij mijn kennis van het effect dat mijn aanbod heeft, inzet.
Wat van belang is dat ik geen vormen en beelden als voorbeeld aanbied.

De vrijmakende hoedanigheid ligt dan ook bij de ontwikkeling van de opvoeder of leerkracht zelf.
Die moet zich ontdoen van de idee dat het onderwijs van zijn of haar persoonlijke vaardigheid op het desbetreffende gebied afhankelijk is.
Niets is minder waar.
Ik kan me zelfs voorstellen dat er een wisselwerking ontstaat, een wisselwerking tussen de werkelijke oorspronkelijkheid van het kind en die van zijn begeleider.

Henk van Faassen

*) De Werkschuit aan de Amstel in Amsterdam was de voorloper van vele instellingen op het gebied van de kunstzinnige vorming