startpagina

index
literatuur


taalwerkvormen


drukwerkvormen


werkvormen, lessen


eerst beeld


gedichten







Eerst een tekening en daarna de tekst
Associëren: waar denk je aan als je dit ziet?



de tafel is boven ik ben klaar met eten
ik heb peile gegeten met een lepeltje

Kah-Ho

Het ontwikkelen van een vermogen om te associëren
Associëren kan naar aanleiding van teksten en in dit geval ook vanuit beelden.
De vormen die de kinderen maken zijn in eerste instantie nog abstract.
Ze moeten dat ook zijn om voor ieder kind eigen associaties mogelijk te maken.

Als de afbeelding al bij voorbaat teveel concrete vormen laat zien gebeurt dat niet.
Pas als de vormen met elkaar gecombineerd worden ontstaan prenten waarin kinderen weg kunnen dromen en hun eigen kleine geschiedenissen zullen beleven.

De beelden brengen ze op gedachten:
"Waar denk je aan als je deze prent ziet?"
Die associaties zijn heel persoonlijk en kunnen door de leerkrachten ook niet gecontroleerd worden, gelukkig maar.

Praktijk
De kinderen zitten in de kring.
Ze leggen een werkstuk dat ze in hun tafelgroepje gemaakt hebben in het midden.
De volgende legt er een ernaast als er sprake is van een associatie van vormen of kleuren.

Associëren gebeurt gevoelsmatig
Het is wel mogelijk een zekere verklaring te geven waarom die bepaalde vorm nu een relatie heeft met een andere, maar van een algemeen geldende verklaring is geen sprake.
Er is daarom geen enkele reden om daar met de kinderen op in te gaan.

Aantekeningen met beeldende middelen
Als alle werkstukken er twee aan twee liggen kunnen kinderen veranderingen voorstellen.
Associaties wisselen even snel als de wolken voor de zon die nieuwe patronen over het landschap trekken.

Als de kinderen over hun afbeeldingen praten vraag ik ze niet te beginnen met: 'dit doet me denken aan...'
Ik vraag ze meteen in hun verhaal te duiken.
Vervolgens is het beeld, dat de aanleiding voor het verhaal was, in feite niet belangrijk meer.

Het is goed als de kinderen niet uitsluitend op hun eigen afdrukken associëren.
Het is niet zo dat je eigen ervaringen uitsluitend tevoorschijn komen uit de afdrukken die je zelf gemaakt hebt. Integendeel, juist het ingaan op beelden die je niet kent vanaf dat ze ontstaan, zijn werkelijke associaties.
Het zijn in feite aantekeningen met beeldende middelen.

Dat moet ook wel want de werkstukken kun je moeilijk benoemen: die daar met dat rode rare plekje in het midden en die punten naar alle kanten die lijkt op het hek van een pretpark.


Het gaat altijd om zelf meegemaakte gebeurtenissen.
Verhalen die uit boeken of films naverteld worden leveren geen goede eigen teksten op.

Minder gemakkelijk om te voorkomen zijn de verhalen waarbij de kinderen zichzelf in de zijlijn opstellen.

Bijvoorbeeld:
"het lijkt op een boog, daarmee kun je pijlen in een boom schieten"
Overigens is het dan makkelijk te vragen naar die keer dat het kind zelf met een pijl en boog geschoten heeft.

Geheimen
Ik moet accepteren dat de gedachtegang van een kind voor mij verborgen blijft.

Er is iets mis als een volwassene een verhaal van een kind niet bij een beeld vindt passen, of als hij of zij denkt dat het niet voldoende associatief bezig geweest is en gaat sturen.
Dat is zeker zo bij zeer jonge kinderen.
We moeten hun associaties accepteren zoals ze zijn en blij zijn met ieder verhaal dat tevoorschijn komt.

Als volwassenen gaan sturen
Ze zijn dan met hun eigen associaties en hun eigen verhaal bezig.
Dat is het laatste wat ik wil bereiken.

Voor ouders en buitenstaanders, zeker als die het proces niet meegemaakt hebben, blijft de afbeelding abstract en kan niet, of moeilijk, vergeleken worden met de tekst.

De leerkracht die bijvoorbeeld een tekst voor een kleuter bijgeschreven heeft zal de gedachtegang van het kind beter kunnen volgen alhoewel er steeds geheimen blijven bestaan.

"De tafel is boven.
Ik ben klaar met eten.
Ik heb peile gegeten met een lepeltje".

Wat is peile eigenlijk?

We zullen het niet te weten komen.

De begeleiding
Die is erop gericht om kinderen op gang te helpen in het proces en niet om ze suggesties aan de hand te doen.

Als een kind een mompelend verhaal over donker en bliksem begint zijn er ondersteunende vragen om het verhaal compleet te krijgen.

"Het is donker.
Dan gaat het bliksemen.
Daar kan ik niet van slapen.
Dan ga ik op de bank slapen".

Een gegeven is dat veel jonge kinderen niet gewend zijn verslag te doen van hun ervaringen.
De meeste verhalen gaan dan ook over moeders die iets met hen ondernemen.
Bij het doorvragen is het dan zaak te komen bij wat het kind zelf doet en beleeft.
Ik gebruik open vragen zodat er niet alleen ja en nee als tekst komt.

De plek van eigen ervaringen
Het belangrijkste dat ik onderneem is dat ik kinderen en volwassenen meeneem
naar een plek in hun arsenaal aan herinneringen en ervaringen.

Daar zit een vorm, die zojuist op een toevallige manier ontstaan is, tussen, een vorm die verbonden is aan een gebeurtenis.
Het is een gebeurtenis waar een verhaal bij past.

Ik zou me er te gemakkelijk van af maken als ik de kinderen vraag een tekening te maken over bijvoorbeeld 'een vakantie ervaring'.
Zo'n vakantie is een cluster van belevenissen die te groot is om te behappen.

Toch moeten heel veel kinderen, als ze na de vakantie in de kring zitten, vaak over die vakantie vertellen of tekenen.
Arme kinderen, waar moet je beginnen?

Dan is het geruststellend te merken dat de abstracte vormpjes van jezelf,
samen met die van anderen in je groep, je herinnert aan een gebeurtenis.
Misschien is dat een gebeurtenis uit de vakantie, wie weet.

Henk van Faassen