startpagina

index
literatuur

taalwerkvormen


drukwerkvormen


eerst beeld


gedichten



Taalwerkvormen, vertellen
Vertellen over voorwerpen

Werken met voorwerpen die in de praat- en vertelkring gebruikt worden
om een verhaal op gang te brengen


Kinderen benoemen een collectie voorwerpen op tafel.
Ze gebruiken de voorwerpen om over hun ervaringen te vertellen en te schrijven.
De voorwerpen inspireren tot associaties en ontwikkelen hun woordenschat.
Kinderen, en zeker kinderen die nieuw in Nederland zijn, kennen vaak wel het gebruik van een voorwerp maar nog niet de naam.
Door het stellen van vragen komt de groep er achter.
Ze rubriceren de voorwerpen op vorm, kleur en gebruik.

Bijvoorbeeld:
Er is een collectie lepels

De kinderen vertellen een handeling met een van de lepels in een zin waar een handeling, een werkwoord in voorkomt.
In tweede instantie worden de juiste namen van de lepelsoorten benoemd.
Op deze manier komen alle verhalen die met eten en koken te maken hebben te voorschijn.

Werkwijze
Er zijn drie manieren om met een verzameling voorwerpen in de kring te werken.
a) met een thematische collectie
b) met een gevarieerde collectie
c) met voorwerpen uit de zakken en tassen van de kinderen of uit het lokaal.

Benoemen:
De kinderen zitten in de kring.
De eerste ronde is er om de voorwerpen één voor één uit een tas tevoorschijn te halen en precies te benoemen. De kinderen oefenen om verder te gaan dan "Dit is een dinges" Als het voorwerp niet meteen herkend wordt is er een vragenronde: "wie weet wat dit is?"
Je geeft als leerkracht pas in laatste instantie de juiste naam van het voorwerp.

Benoemen van het gebruik:
In een tweede ronde vertellen de kinderen wat ze met een bepaald voorwerp wel eens gedaan hebben, of erbij geweest zijn dat er iets mee gedaan werd.

Ordening:
De kinderen leggen steeds twee voorwerpen bij elkaar die wat betreft vorm, kleur, toepassing en zo meer, bij elkaar passen.
Het kan ook een associatieve ordening zijn.
De combinaties zullen steeds wisselend zijn.
De kinderen geven een toelichting op hun keuze: "De kaars en de batterij liggen bij elkaar omdat ze alle twee licht geven" of "De kaars en het bierviltje liggen bij elkaar omdat ze aan een feestje doen denken"

Vertelronde:
Alle voorwerpen liggen op een tafel midden in de kring.
Iemand pakt een voorwerp en vertelt op een associatieve manier.
Het verschil tussen benoemen en vertellen moet je benadrukken.
Het gaat nu om de eigen ervaring.

Vragenronde:
De kinderen stellen vragen aan de verteller om bepaalde details duidelijker te krijgen. Je beperkt het aantal vragenstellers per voorwerp.

Wie heeft dat ook?:
In deze ronde neemt één van de kinderen een voorwerp en vraagt bijvoorbeeld: "Wie heeft ook wel eens geprobeerd een kurk uit een fles te trekken wat niet lukte?"
De kinderen die er een ervaring mee hebben staan op en uit die kinderen kiest de vragensteller er eentje die vertelt.

Lijstje schrijven:
Uit de vertelrondes maak je een keuze voor het maken van een lijstje.

Tweetalgesprek:
Je geeft instructies voor het tweetalgesprek.
Het is mogelijk dat de kinderen in de tweetalgesprekken de voorwerpen aan elkaar tonen om over details te vertellen.

Schrijfronde:
Je kiest voor een manier van teksten schrijven.
Bijvoorbeeld een tekst die met een handeling begint en pas later de naam van een voorwerp.

Voorlezen:
Je kiest voor een manier van voorlezen.
Bijvoorbeeld de verhalen die bij een bepaald voorwerp horen achter elkaar.
Of de verhalen twee aan twee op de manier waarop ze eerder hun voorwerpen twee aan twee gelegd hebben.

Herschrijven:
Je kiest voor een bepaalde manier van herschrijven.
In ieder geval is er de noodzaak om de teksten zo precies mogelijk te krijgen.

Henk van Faassen

NB
Voordat je de werkvormen in een groep gaat uitvoeren is het goed dat vooraf met collega's te doen. De knelpunten worden daarmee duidelijk en je krijgt de gelegenheid de werkvormen aan te passen.
Uitgebreide beschrijvingen van de werkvormen zijn bij de index te vinden.