startpagina

index
literatuur

taalwerkvormen


drukwerkvormen


eerst beeld


gedichten


Taalwerkvormen

Over zinsbouw

Taal is zowel persoonlijk als gemeenschappelijk.
Taal wordt noodzakelijk als er een innerlijke behoefte tot communiceren is en wordt van buitenaf gevormd naar de normen van de gemeenschap.
De vorm van die taal, de zinsbouw dus, is van die normen afgeleid.

Werken met ervaringsteksten:
Vertel iets wat er gebeurde met jou en het voorwerp.
Probeer het ding niet te noemen maar richt je op wat er gebeurde.
Dat laatste is van belang.
Als je deze structuur niet aanbrengt krijg je allemaal verhalen als: "Dit is mijn liefste knuffel, hij heet Stippie"

Werken met synoniemen:
Bij sommige woorden associëren kinderen met synoniemen.
Bij sjouwen denken ze aan tillen en dragen.
Bij buurvrouw denken ze aan heel verschillende kleuren om heel verschillende redenen. De een denkt aan de kleur van de vloerbedekking van de buurvrouw, een ander aan de jas van de buurvrouw of aan de kleur van haar haar.

Werken met teksten veranderen op het bord:
Ik kies Myrio, omdat hij een lekkere korte tekst heeft. Hij wil hem zelf op het bord schrijven.
Ik dicteer en hij schrijft.
De klas kijkt geduldig toe. Ze geven hem alle gelegenheid zijn tekst op te schrijven.
Zin voor zin lees ik de tekst voor en kijken we of we snappen wat daar staat.
Bij "En we zagen een gebroken huis", heeft niemand een vraag. I
k wel, ik wil weten hoe zo'n huis eruit ziet.
Myrio vertelt: de deuren waren eruit, de dakpannen eraf en een paar ramen waren kapot."
Ik vraag of hij dat erbij wil in zijn tekst.
Dat wil hij.

Werken met tekst bespreking:
Voor het tekstbespreken staan drie aandachtspunten op het bord.
- Snappen we wat er staat?
- Woorden die anders kunnen
- Punten, komma's, hoofdletters

Werken met volledige zinnen:
Vragen en antwoorden in volledige zinnen. Desnoods hulp geven door begin van een zin aan te bieden.

Werken met omschrijvingen:
Een omschrijving geven van woorden uit het verhaal die op het bord kwamen, zonder het woordje 'is'. Bijvoorbeeld:
"Brandnetels, ze prikken je",
"Brandnetels, ze kunnen bloemen hebben"
"Een mug steekt, drinkt bloed, eet geen wol"
"Een mot steekt niet, drinkt geen bloed, eet wel wol"

Werken met een kern van een verhaal:
Voor groep 8 is het zinvol om een structuur in de opdracht vooraf aan te geven.
Ieder verhaal heeft een introductie, de gebeurtenis waarover je vertelt en de afloop.
Als de kinderen chronologisch schrijven ontdek ik dat ze bij de inleiding al zoveel energie en zoveel woorden verbruikt hebben dat er voor de essentie van het verhaal weinig overblijft.
Daarom verander ik voor deze keer de volgorde en bedenk dat we beginnen met de kern van het verhaal: de gebeurtenis.
Op het blaadje hou je 1/3 van de ruimte over voor de aanloop en 1/3 voor de afloop.
In het voorbeeld verhaal van mij is de gebeurtenis, die van de Lemmingen die meelopen, de kern van wat ik wil vertellen.
Dat ik een voettocht maak is inleiding en dat ik 's avonds de dieren hoor rondscharrelen, de afsluiting van mijn verhaal.

Werken met weetjes of ervaringen:
Ook hierbij zijn de kinderen ongeduldig en willen meteen weten wat Lemmingen zijn. Ze onderbreken daarmee de structuur van de les en het is steeds een afweging of ik voor uitleg kies of voor het luisteren naar ervaringsverhalen.

Aandachtspunt:
Er zijn twee lijnen in de aanpak van taalvorming, de affectieve lijn en de cognitieve lijn. Het is zaak die twee lijnen, die veel met elkaar te maken hebben, toch uit elkaar te halen.
Het is duidelijk dat deze groep 8 voornamelijk les wil hebben op de cognitieve lijn en dat het uitwisselen van ervaringen een voor hen onbekend gebied is.

Werken met de computer:
De woorden van het bord worden door een aantal kinderen op de computer gezet.
Dit onderdeel vraagt nog heel veel begeleiding. Het is duidelijk dat een computer in de klas bij deze manier van werken noodzakelijk is, al is het maar om tegemoet te komen aan de kinderen die nog veel schrijf problemen hebben. Wil je alle kinderen goed begeleiden dan kost dit behoorlijk wat tijd. Je moet echt even de tijd nemen om met alle kinderen alles door te lopen en om een goed beeld te krijgen van hun verhalen.

Aandachtspunt:
Helder formuleren. Vooral voor het concentreren en het goed van wal kunnen steken is een voorzet als: "ik vier mijn…", bij het schrijven een hulp. Ook bij het spreken is dat het geval: "een hobo is een…"
Het steeds vragen om complete zinnen bij deze opzetjes zijn voor een aantal kinderen fijne kapstokken. Het structureert voor sommigen wat ze anders niet aan zouden kunnen.

Henk van Faassen