startpagina

index
literatuur

taalwerkvormen


drukwerkvormen


eerst beeld


gedichten


Taalwerkvormen

Grammatica


Grammatica is een stelsel van regels voor het gebruik van een taal in een gegeven context.
Woorden kunnen aan de hand van hun hoofdfunctie en hun combineerbaarheid met andere woorden worden gegroepeerd in woordsoorten.
Het op deze wijze benoemen van woorden noemt men taalkundig ontleden.

Taal wordt aangeleerd als leerlingen door en over taal leren
Alles tegelijkertijd in de context van authentieke gesprekken en literaire activiteiten.
Er is geen volgorde van vaardigheden in taalontwikkeling.
De opvatting dat 'je eerst leert lezen en daarna leest om te leren' is onjuist.
Beide gebeuren op hetzelfde moment en ondersteunen elkaar.
Dat geldt ook voor de regels die voor taal zijn vastgesteld.

Praktijk

Bijvoorbeeld werken met het bijvoeglijk naamwoord:
We zitten in de kring en hebben allemaal voorwerpen verzameld.
In de eerste ronde zeg je wat voor ding je meebracht, maar er wordt nog iets bijgevoegd.

Dat is gewoon te zien als je naar het voorwerp, dat je in je hand houdt, kijkt.
"Mijn oude beer" "Mijn vieze fietshandschoen"
Het is opmerkelijk dat af en toe de meest voor de hand liggende bijv. nmw zoals "Mijn ronde bal" niet gekozen worden.

Werken met zinsbouw:
Ik vraag de kinderen naar de 'structuur' van de eerste zin van het voorgelezen verhaal van Toon Tellegen:

Vroeg in de ochtend op een dag midden in de zomer liep de olifant langs het strand en zag daar de oester liggen.

Met elkaar halen we de zin uit elkaar:
1) er is een tijdstip van de dag,
2) een seizoen,
3) er zijn twee personages,
4) er is een plek en
5) een gebeurtenis.

Werken met zelfstandige naamwoorden, werkwoorden en meer:
We starten deze les met een taalpuzzel.
Een lijst met zelfstandige naam woorden en een lijst met werkwoorden die er bij passen.
Voor elke letter van het alfabet zijn ongeveer vijf woorden in een plastic zakje gedaan.
De zelfstandige naamwoorden zijn op gekleurd papier, de werkwoorden op wit geprint en vervolgens uitgeknipt.
Dadelboom / klimmen, dagblad / lezen, dagboek / schrijven, dakgoot / repareren etcetera.
De woorden zijn zo gekozen dat andere combinaties met dezelfde woorden mogelijk zijn: dagboek lezen, dakgoot klimmen.

Werkwijze:
De kinderen krijgen ieder een zakje en zoeken de bijpassende woorden bij elkaar.
Als ze het gevonden hebben schrijven ze de combinaties in hun woordenschrift.
In de kring maken we zinnen met behulp van de gevonden woorden.
We stellen vragen aan elkaar.
Opmerkelijk is dat sommige kinderen hulpeloos graaien in de hoeveelheid strookjes en het snel opgeven.
Anderen leggen eerst de gekleurde strookjes op een rij, daarna de witte en zien dan vrij snel welke woorden bij elkaar kunnen passen.

In een andere les zijn de strookjes nu uitgebreid met lidwoorden en bijvoeglijke naamwoorden en dergelijke.
het zware aambeeld / hard / slaan / de verslapte aandacht / terug krijgen / de wrakke aanlegsteiger / stevig vastbinden.
Het zijn zelfstandige naamwoorden en werkwoorden die de kinderen al van de vorige les kennen.
Het is wel zo dat de kinderen andere zakjes krijgen dan de vorige keer.
In hun schrift maken de kinderen complete zinnen met behulp van de strookjes.

Werken met samenvoegingen:
Het bord staat nog vol woorden waar gisteren een les over ging:
erop, eronder, ernaast, erin, erboven, ineens, onderdoor, allemaal samenvoegingen.
We schrijven vandaag de namen van de voorwerpen erbij:
Bierviltje bij 'erop' en bierviltje bij 'ertussen', dat kan dus allebei . Kurkentrekker bij 'erin', want de kurk zit nog in de fles als je met trekken begint. De schelp bij 'erlangs', want het strand is langs de zee.
Een bord vol met mogelijkheden.
Zo merken de kinderen dat de taalles van de ene dag te maken heeft met de les taalvorming een dag later.

Werken met samengestelde woorden:
'zand' en 'korrel' is zandkorrel. Suikerkorrel. Meer van zulke woorden worden gevonden: kurkentrekker, bierviltje.

Werken met persoonsvorm:
'Ik vier mijn…' is hulp om mee te beginnen. (zie ook: AR82: Toon Tellegen, Rups viert zijn jas)
Van persoonsvorm naar een dier als persoonsvorm met onderstrepen in de eerste tekst van wat gaat veranderen.

"Ik vier mijn jurk"
herschrijven: "Kangoeroe viert haar jurk"
Zo worden enkele zinnen op het bord voorgedaan.
Kinderen gaan nu eerst in hun eigen tekst onderstrepen, daarna rechts de tekst in 'dier persoonsvorm'

Oefening baart kunst:
ik vier mijn hobo, hij viert zijn hobo

Naar het spellingsschrift gaat ook een aantal regels als: Dit schrift is van mij. Het is mijn schrift.
Vervolgens het werkwoord hebben / zijn
ik heb / ik ben
jij hebt / jij bent
hij heeft / hij is
zij heeft / zij is
wij hebben / wij zijn

Alles op flappen aan rails gehangen.
Voor veel kinderen is "ik heb", "ik ben" e.d. moeilijk.
Het staat vaak niet correct in hun eigen tekst.
Dan kan steeds naar de flappen verwezen worden.
Daarna zelf denken: "O, ja, daar staat het" en zo kunnen 'inslijpen'

Oefeningen met de verhalen:
Zoek een 'doe woord' uit de bordrij. Maak een zin met dat woord.

Bijvoorbeeld:
Kan jij bellen blazen? Ik ga in mijn kopje blazen, de thee is heet.
De kinderen gebruiken vaak 'ik ga blazen' of 'ik ging blazen' en dan het werkwoord.
Hoe kan het anders? Ik blaas, ik blies.

Werken met correcties van de kinderen:
We verdeelden de gekopieerde teksten van de binnen de 6 groepjes en zo had iedere leerling 3 andere teksten te lezen en zijn of haar eigen tekst werd eveneens door 3 medeleerlingen gelezen.
Daarna werden de teksten opnieuw geschreven met daarin de eventuele aanwijzingen van medeleerlingen verwerkt.
Deze versie heeft de leerkracht bekeken, waar nodig op spellingfouten gecorrigeerd en onduidelijkheden met de individuele leerling besproken.

Henk van Faassen