startpagina

trefwoorden


index
literatuur


bekijk
foto's, werk


index
taalwerkvormen


index
taal algemeen


Taalwerkvormen

De Nuloptie


Een manier om zonder voorbereiding een taalles te beginnen
Daarbij bepaalt niet de taalmethode maar de inbreng van de kinderen het thema van de les.

Specifiek

Er is altijd iets is om over te praten in een groep en vervolgens over te schrijven.
Eenvoudig omdat iedereen, ook elk basisschoolkind, de hele dag van alles waarneemt en beleeft.
Soms hoor ik leerkrachten veronderstellen dat hun schoolkinderen zo weinig meemaken, en dat kringgesprekken over eigen ervaringen daardoor vaak zo saai zijn.
Mijn ervaring is het tegenovergestelde.
Als ‘iets meemaken’ niet betekent: naar een pretpark zijn geweest of je been hebben gebroken, maar als het ook kan betekenen: iets kleins waarnemen of een dagelijkse gebeurtenis nauwkeuriger bekijken, dan maken juist kinderen heel erg veel mee.
De deskundigheid van leerkrachten bestaat erin, zulke kleine ervaringen te herkennen, in de verhalen van kinderen en in hun eigen leven. Om ze vervolgens om te zetten in vragen die bij iedereen weer nieuwe ervaringen oproepen.
Tijdens een onvoorbereide taalronde, maak ik voortdurend keuze, in wisselwerking met wat de kinderen inbrengen, en puttend uit het arsenaal van werkvormen die bij taalvorming ontwikkeld zijn.

Praktijkvoorbeeld
De kinderen druppelen de klas binnen en ik ga tussen ze in zitten en hoor hoe ze met elkaar praten over het Sint Maarten lopen gisteravond. Over hoe ze bij juffrouw Cisca’s huis aanbelden. En andere dingen die gebeurden bij het aanbellen.
Het snoep dat ze gekregen hebben.

In mijn hoofd begint zich iets te vormen waarover misschien de taalronde kan gaan.
Niet alleen over het Sint Maarten lopen, denk ik, dat is een beetje saai en bovendien heeft misschien niet iedereen het gedaan. Wel misschien over snoep: dat kan ik uitbreiden naar allerlei soorten snoep die je vaak of graag eet, hoe het er uit ziet, hoe je het precies eet, waar je het koopt of krijgt...

Om in de kring te komen bedenk ik, nog steeds een beetje in de Sint Maarten-sfeer en denkend over aanbellen bij voordeuren, dat we op volgorde van je eigen huisnummer kunnen gaan zitten. Dat gebeurt.
De kinderen gaan zitten in globale groepen, op de huisnummers in tientallen en honderdtallen.
We doen vervolgens een namenronde. Ik wil graag dat ze nog iets anders zeggen bij hun naam. Het huisnummer noemen vind ik een beetje saai, ik denk aan al die huizen: ‘vertel bij je naam hoeveel trappen je op moet voordat je voor je voordeur staat.’
Iedereen begint te denken en te tellen.
We doen de ronde en alleen het noemen van het aantal trappen roept alweer andere dingen op: hoe noem je een huis dat beneden is, zonder trap?
Kinderen geven woorden: begane grond, ‘huis’, beneden, parterre.
Een kind zegt dat hij heel veel trappen heeft, in kleine stukjes, met steeds een plat stukje ertussen. Er wordt uitgelegd over deuren, hekjes, tussendeuren, bellen. Trappen die binnenin je huis zijn.

Het is een leuk onderwerp en ik geef daarom hier en daar wat langer tijd om te vertellen.
Als de bel ter sprake komt is de vraag hoe hun bel klinkt. Er klinken zoemers, belletjes van trrring, dingdongs.
De kinderen zijn zeer betrokken, praten soms door elkaar heen maar iedereen blijft bij het onderwerp.
Zelf ben ik eigenlijk helemaal van mijn snoepidee afgeraakt.
Daarom gaat de tekenopdracht over voordeuren.
Iedereen krijgt een A5 blaadje met een kader erop, een onderlegger en een potlood.
‘Teken je eigen voordeur, precies hoe hij er uit ziet, en ook wat er naast of boven de deur zit, misschien een brievenbus, een bel, een raam?
Iedereen gaat aan de gang heel precies.
Terwijl ze tekenen, en ik teken ook zelf mee, kan ik even nadenken. Ik merk dat ik zin krijg om bij mijn tekening te vertellen.

Taal bij een tekening
Dat is dus mijn volgende opdracht: vertel aan je buur over je voordeur, bij de tekening.
Degene die luistert mag vragen stellen.
Er is een druk gepraat in tweetallen, iedereen wijst op tekeningen.
Zo helpt een tekening bij het vertellen over details, waar je zonder tekening misschien niet zo snel op zou komen.
Alleen de voordeur beschrijven vind ik nu niet genoeg voor een schrijfopdracht.
Als het weer stil is, vertel ik hoe ik en dan mijn fiets bij de voordeur zet, en dan getik hoor op het raam van de buurvrouw. De buurvrouw ziet me thuiskomen en wil een praatje maken. Ze komt uit de deur. Ik sta te praten met de sleutels in mijn hand, want eigenlijk wil ik naar boven.

Bij wie gebeurt ook wel eens iets voor de deur als je thuiskomt?
De kinderen vertellen eerst ook over buurvrouwen. Die bijvoorbeeld over het balkon hangen en roepen: ‘Waar is je moeder?’ Maar ook andere dingen: kinderen die aanbellen, broertjes die de deur vlak voor je neus dichtslaan terwijl je geen sleutel hebt. Thuiskomen en er is niemand.

Tweetal
Het tweetalgesprek, nu met de buur aan hun andere kant, gaat over dingen die voor de deur gebeuren. Er kan een goede schrijfopdracht volgen met twee onderdelen:
beschrijf eerst precies hoe je voordeur er uitziet,
en dan over iets dat daar vlak voor wel eens gebeurd is.
De kinderen beginnen allemaal meteen enthousiast te schrijven.
Er gebeurt veel voor de deur.

Nog een praktijkvoorbeeld
We gaan meteen in het taalschrift werken en ik vraag wie die wil uitdelen.
Er zijn zes kinderen voor dit werkje verantwoordelijk zijn. Op mijn gevoel deel ik de stapel schriften in zessen.
Het laatste kind krijgt de dikste stapel, de andere kinderen protesteren. Ik heb verkeerd geschat.
Op dat moment besluit ik het woord 'schatten' op het bord te schrijven.
Als toelichting zeg ik dat je dingen die je niet precies weet kunt schatten, zoals ik de stapeltjes schriften geschat heb.
Dan vraag ik naar nog meer betekenissen van het woord 'schatten'.
Dat is voor de kinderen een bekend terrein: een schat is een kist met goud.
Schatten zijn meer kisten met goud.
Een derde betekenis: "Jullie zijn schatten van kinderen".
Maar zijn alle kinderen schatten? De jongens willen liever niet zo aangesproken worden, de meisjes wel.

Vanaf dat moment kies ik ervoor om de kring samen te stellen op iets dat je moet schatten. Ik besluit daarvoor de tijd te nemen die je nodig hebt om van huis naar school te komen. Ik doe dat omdat dit de meest recente ervaringsschatting bij de kinderen oplevert.

Omdat alleen het aantal minuten zo 'kaal' is laat ik erbij schrijven hoe je naar school kwam: alleen, met je moeder, lopend, achter op de fiets, gebracht met de auto.
Die twee elementen bij elkaar zorgen ervoor dat het schatten iets concreter voor de kinderen is: ze zien zichzelf in gedachten achter op de fiets zitten en voelen dan ook hoe lang dat ongeveer duurde.

Als een van de kinderen vertelt dat hij naar school rende komt de gedachte op om uit te zoeken wat het verschil in snelheid tussen lopen en rennen is.
Maar als lopen en rennen op het bord staan vraag ik ook naar iets dat langzamer gaat: kruipen, en iets dat sneller gaat: op de fiets.
Vanaf dit punt komen de vervoersmiddelen in beeld.

Ik vraag me af of de kinderen ook kunnen schatten hoe hard al die vervoersmiddelen gaan.
Hier en daar schrijf ik getallen op, achter lopen: 4 km.
De brommer mag niet harder dan 20 km. Dat schatten we niet maar dat weten we.
Weten de kinderen ook dat je met een auto op bepaalde wegen niet harder dan 100 mag? Hebben ze wel eens bij hun vader in de auto gezeten als die te hard reed?

Nu ik bij vervoersmiddelen terecht gekomen ben wil ik weer terug naar ervaringen van kinderen: die keer dat ze lange tijd in de auto moesten zitten, of in het vliegtuig.
De plekken waar ze naar toe gegaan zijn.

Dat vraag ik op een lijstje te schrijven, en dan zo precies mogelijk.
We 'zoomen' als het ware in op de kleinst mogelijke ervaring.
Als die plekken op het lijstje staan is het simpel om bij de ervaringsteksten, die bij die plek horen, te komen.

Zo gaat dat bij mij en het lijkt zo simpel en voor de hand liggend.
Het is wel zo dat ik vooral in de eerste fase van de les, of eigenlijk al voor de les in werkelijkheid begonnen is, al mijn 'antennes' op de kinderen richt.
Alles wat ze me te melden sla ik op en sorteer intensief of er iets bij is waar ik op in kan gaan.
Het is een training om zo naar de kinderen te kijken en te luisteren.
Op deze manier geef ik met plezier les en dat plezier slaat over naar de kinderen en die zullen spelenderwijs hun taal ontwikkelen.

Begripsvorming
Weten onze kinderen eigenlijk wel wat een kilometer is, hoe lang een kilometer is en hoe lang je erover doet om een kilometer te lopen?
De beste manier om dat te onderzoeken is natuurlijk om met de kinderen naar een weg te gaan waarlangs kilometerpaaltjes staan. Dan kunnen ze voelen en zien hoe lang een kilometer is. Eventueel kunnen we een wedstrijd houden met een stopwatch om te zien hoe lang we over een kilometer doen, lopend, rennend, kruipend, fietsend.
Om te weten hoe hard een auto kan en mag kunnen we misschien iets in het documentatiecentrum vinden.
Hoe hard vaart een schip en hoe snel gaat een vliegtuig?
Opbellen naar een scheepvaartmaatschappij en de KLM ?

Henk van Faassen