startpagina

trefwoorden


index
literatuur


bekijk
foto's, werk


index
taalwerkvormen


index
taal algemeen


Taalwerkvormen

Inventarisatie vervolgactiviteiten


Nadat een taalvormingsles een aantal ervaringsteksten van de kinderen opgeleverd heeft zijn er vervolgactiviteiten die ingezet worden om bepaalde taalvaardigheden met de kinderen te oefenen.
In de kerndoelen voor de taallessen zijn die activiteiten te vinden
Deze vervolgactiviteiten komen voort uit de inventarisatie die leerkrachten met ervaring met taalvorming gemaakt hebben.

Algemene activiteiten mondelinge taalvaardigheid:
Benoemen: van begrippen
Herhalen: opnieuw formuleren
Benadrukken: een onderwerp benadrukken
Tegenstellingen: tegengestelde woorden en begrippen verzamelen.
Voorlezen: van eigen teksten
Voorlezen: van onbekende teksten.
Spreekhouding: verbeteren
Woordenschat: uitbreiding
Gerichtheid: op elkaar
Inzicht: in taalproces
Zelfvertrouwen:
Taalgevoel:
Beeldend taalvermogen:

Algemene activiteiten schriftelijke taalvaardigheid:
Ervaringsteksten: nadruk op ervaringsdeskundigheid.
Ervaringen: verwoorden in eigen zinnen met eigen oplossingen.
Zingevende interactie: binnen en buiten de taalkring.
Nieuwsgierigheid:
Taalgevoel: confrontatie met gevarieerde taalproducties.
Inzicht: in abstracte situaties en - beelden
Eigen taalproductie: oefenen om uit jezelf (zonder opdracht) te schrijven

Taalvaardigheidsoefeningen globaal per bouw:

Groep 7 en 8
Hervertellen: kinderen laten vertellen wat ze willen schrijven.
Begrijpend lezen:
is de tekst van het ene kind ook goed bij een ander kind overgekomen?
Structureren:
waaraan moet een tekst voldoen wat betreft inhoud, opbouw, indeling e.d.
Structureren:
a) wat gebeurde er vroeger, b) wat is er nu, c) wat gebeurt later
Voorlezen: zelfgeschreven verhalen nadat ze opgemaakt zijn op de pc.
Tekstbespreking: met behulp van 'sprekersblokjes' teksten van het bord verbeteren.
Herschrijven: de teksten opnieuw schrijven nadat ze in de groep of in tafelgroepjes besproken en verbeterd zijn.
Herschrijven: teksten die een antwoord geven op een andermans tekst.
Dialogen schrijven:
Zakelijk schrijven: bijvoorbeeld teksten voor reclame of gebruiksaanwijzing.
Verschil tussen directe en indirecte rede:
Kennis aspecten: bijv. welk dier maakt welk geluid
Herschrijven: een kort verhaal uitgebreider schrijven
Tekstverwerken: een oplage maken van teksten via PC en kopieerapparaat.
Onderwerpen zoeken: uit boeken die door de klas gelezen zijn.
Inleven: wat wordt met een geschreven tekst bedoeld?
Reageren: vragen stellen en beantwoorden naar aanleiding van teksten.
Voorlezen: van elkaars teksten.
Woordenschat: nieuwe - of moeilijke woorden verzamelen in schriftje.
Grammaticale oefeningen: enkelvoud / meervoud;
Grammaticale oefeningen: lidwoorden;
Grammaticale oefeningen: werkwoorden (doewoorden) zoeken
Grammaticale oefeningen: teksten in andere tijd zetten.
Woorddelen zoeken: een half woord op de stoel in de kring, een half woord uitdelen.
Formuleren: een zin maken met de gevonden woorddelen.
Woordbetekenissen zoeken: welke soorten woorden kennen de kinderen. "een … is een…"
Vragen stellen: weet je het zelf niet dan mag een ander helpen.
Bordrijen maken: woorden uit geschreven teksten
Verschillen en overeenkomsten: bijv: opbellen, aanbellen, afbellen, inbellen.
Verschillen in betekenissen: bijv. tussen kijken en opletten.
Verschillen benoemen: bijvoorbeeld: staal / ijzer, kunstijsbaan / ijsbaan
Woorden opzoeken: in woordenboek en encyclopedie
Meerdere woorden: bijv. een rij knaagdieren, een rij insecten etc.
Biologische kenmerken: landdieren / waterdieren / vogels
Herschrijven: in de plaats van 'ik' een diernaam gebruiken
Helder formuleren: in complete zinnen.
Ordenen: op het bord verschillende woorden en betekenissen verzamelen in categorieën
Omschrijven: van woorden waarvan de betekenis niet helder is.
Aan regels gebonden teksten: a) over de plek, b) de gebeurtenis, c) wat iemand anders deed, d) wat je erbij dacht.
Uitwisselen: verhalen van de ene groep in de andere voorlezen en bespreken.
Verder schrijven: op een verhaal afkomstig van een andere groep.
Kern van een verhaal zoeken:

Groep 5 en 6
Spreekbeurten:
Onderzoekjes:
Documentatiecentrum: organisatie van -
Omzetten: van informatieve tekst naar ervaringstekst.
Literaire teksten: bijvoorbeeld een regel uit een gedicht uit je hoofd kennen.
Naam met bijnaam:
Preciseren:
Doewoorden: opsporen van -
Verklein en vergrootwoorden:
Analogieën:
Voorzetsels: bij elkaars teksten
Handschrift: van los naar aan elkaar.
Herschrijven: in plaats chronologisch schrijven kiezen voor bepaald moment.
Herschrijven: andere stijlvorm
Tekstbeschouwing: teksten uit kinderboeken betrekken op eigen situatie.
Selecteren: teksten selecteren op zelf vastgestelde criteria.
Argumenteren: redenen aandragen voor keuze etc.
Oriëntatie: omkering links - rechts; b en d of s en z of b - p
Volgorde: verwisseling van eu en ue; ei en ie etc.
Verwisseling: medeklinkers v - vaar waar.
Verwarring: langs - lans; nieuw - niew
(op dit punt zijn er meer verwerkingsoefeningen)

Groep 3 en 4
Werken met definities: 'Wie weet wat wakker is?'
Werken met 'sprekers': een blokje, geeft aan wie binnen een groepje gegevens verzamelt en het woord voert.
Associëren:
Sleutelwoorden of bordrij: woorden die aanleiding geven tot cognitieve verdieping.
Rubriceren: woorden en begrippen bijeenbrengen.
Spellingsschrift: verzamelen van woorden die kinderen in hun tekst gebruikt hebben met daarnaast oefeningen.
Verschillen: tussen hoe woorden klinken en hoe ze geschreven worden.
Uitdrukkingen en gezegden: opsporen bijvoorbeeld allen over dieren 'honger als een paard'. De aap komt uit de mouw'.
Prentenboeken: bij thema's uit de teksten.
Leeshoek: collectie leesboeken rondom eigen gemaakte boeken.
Begrijpend lezen: zie je het voor je?
Dramatiseren: van de geschreven verhaaltjes.
Herschrijven: met nadruk op hoofdletters, interpunctie, gen 'en toen' e.d.
Signaalwoorden:
Werken met alfabet:
Bijvoeglijke naamwoorden: in een herschrijfronde toevoegen.
Zinsbouw: de structuur van een voorgelezen verhaaltje als voorbeeld voor…
Samenvoegingen: speurtocht naar meer voorbeelden n.a.v. eentje uit een tekst.
Persoonsvorm veranderen: tekst herschrijven in andere persoon.
Flappen aan de muur: inslijpen van bijvoorbeeld 'ik heb' en 'ik ben'
Zelfcorrectie: in groepjes
Synoniemen: zoeken naar: sjouwen, tillen, dragen.
Teksten veranderen: op het bord en met 'sprekers'
Volledige zinnen: fragmentarisch geschreven teksten herschrijven.
Omschrijvingen: "Brandnetels, ze prikken je"
Weetjes en ervaringen scheiden: terugkomen op dingen die in teksten voorkomen: 'wat zijn lemmingen?'
Talige omgeving: kinderen verzamelen teksten uit tijdschriften etc die volgen op teksten die ze schreven.

Groep 1 en 2
Werken met gesplitste groep: nadat in de kring een onderwerp aan de orde is geweest.
Vertellen bij Lego en blokken: bouwsels uit uitgangspunt voor verhalen.
Uitstapjes: naar winkels, kinderboerderij e.d.
Kiezen: eerst dingen in de kring en daarna dingen uit de klas
Terug 'lezen' en vertellen: vanuit een bijgeschreven tekening.

Henk van Faassen