|
Taalwerkvormen
Bijschrijven
onder een taaltekening

Kinderen
vertellen bij hun taaltekening en de leerkracht schrijft dat onder
de tekening
Eerst probeer je bij de werkelijke ervaring te komen door te vragen
naar de gebeurtenis die getekend is.
Als je vraagt: 'wat is dat?' en je wijst op een onderdeel van
de tekening,
komt er slechts een beschrijving van hetgeen al te zien is, daarmee
voeg je niets toe aan het verhaal van het kind.
Als je te vroeg begint met bijschrijven heeft het kind nog geen
verhaallijn uitgezet.
Pas op het moment dat er details verwoord worden die niet in de
tekening te zien zijn begint het interessant te worden.
In een taaltekening tekent een kind over een eigen ervaring
Een taaltekening komt in de plaats van een tekst.
Het gaat niet om 'mooi tekenen', maar om duidelijk in beeld brengen
van een ervaring.
Taaltekenen valt dan ook niet onder tekenonderwijs, maar onder
taalonderwijs.
De leerkracht schrijft bij de tekening wat het kind vertelt over
de ervaring.
Het gaat hierbij niet om het benoemen van wat op de tekening te
zien is, maar om het verhaal erachter.
De leerkracht praat met het kind over de ervaring, vraagt erop
door,
en schrijft het zoveel mogelijk in de woorden van het kind op.
Praktijk
Een kind vertelt soms in krom Nederlands.
In dat geval maken wij er goede zinnen van, zoveel mogelijk met
de woorden die het kind zelf gebruikt.
Dit doen we om het verhaal duidelijk te krijgen, maar ook om het
kind zijn eigen verhaal in correct Nederlands terug te laten horen.
Het
praten over de taaltekening moet in een veilige sfeer gebeuren
Het kind mag niet het gevoel krijgen dat het wordt gecontroleerd
of beoordeeld.
Als leerkracht moet je erop uit zijn om te begrijpen wat het kind
bedoelt, en het te helpen bij het verwoorden.
Een kind zegt soms dat het niet kan tekenen. We stellen het dan
gerust door te zeggen dat dat helemaal niet erg is.
Dat je niet hoeft te kunnen tekenen, maar dat je het gewoon probeert.
Meestal raken de kinderen in de loop van de tijd gewend aan dit
soort tekeningen en krijgen ze zelfvertrouwen.
Het
is teveel voor een leerkracht om bij elke tekening bij te schrijven
na de vertelkring
Oplossingen hiervoor zijn:
- alleen bij een klein groepje bijschrijven,
- hulp te vragen in de klas voor deze activiteit,
- de tekeningen verzamelen en later op geschikte momenten gaan
bijschrijven.
Soms
hebben kleuters nog te weinig Nederlandse woorden
Door gebaren, aanwijzen en gesloten vragen stellen probeer je
er toch achter te komen waar het over gaat.
De uiteindelijke formulering leg je aan het kind voor, en als
het klopt schrijf je het op.
Door dat vol te houden bereik je vaak dat kinderen het op den
duur oppakken en ook zelf gaan formuleren.
Het bijschrijven bij een taaltekening is een intiem moment daarvoor
moet je even rustig apart zitten. Zo rustig als in de drukke klas
mogelijk is.
De andere kinderen werken in de hun bekende hoeken waarvoor relatief
weinig begeleiding nodig is.
Het
verschil tussen 'BIJ een tekening schrijven' en 'OVER een tekening
schrijven'
Er zijn verschillende vragen mogelijk om de kinderen aan het vertellen
te krijgen bij hun tekening.
Ik ben er niet op uit om ze over hun tekening te laten vertellen.
Dat blijft namelijk meestal steken bij het benoemen van wat ze
getekend hebben.
Bij taalvorming zijn we er op uit dat kinderen vertellen vanuit
een ervaring.
We proberen zodanig op die ervaring door te vragen dat de beleving
daarvan ook naar voren komt.
Het gaat om de vraag: "wat gebeurt er hier op jouw tekening"
of "wat ben jij hier aan het doen".
Als die vragen niet uitnodigen tot vertellen, vraag ik waar zij
zelf zijn op de tekening en wie die anderen zijn.
Soms benoem ik wat ik zie op de tekening en koppel er dan een
vraag aan vast.
Bijvoorbeeld: "ik zie hier allemaal water, waar was dat water?"
Praktijkvoorbeeld
Alle kinderen gaan tekenen, ook de kinderen die zeggen dat ze
geen zin hebben.
Ik deel papier uit. Zodra je een vel hebt pak je een zwarte fineliner.
Daarna zoek je een plekje om te gaan tekenen.
Ik loop rond, vraag welk plekje in de zon ze tekenen, of ze dat
willen laten zien in hun tekening, of ze zichzelf ook willen tekenen.
Darnell verteld dat hij op een deken op het balkon ligt. Ik zie
Darnell op de deken, maar niet het balkon. Ik vraag of hij het
balkon er nog even bij wil tekenen.
Halil heeft zijn naam geschreven en een klein poppetje er naast
getekend. Ik vraag waar Halil is op de tekening. Hij wijst zijn
naam aan. Ik vraag waar hij Halil getekend heeft.
Halil wijst weer zijn naam aan. Hij heeft zijn naam geschreven,
ik vraag of hij zichzelf ook nog wil tekenen, in het kader.
Hij gaat naar zijn plaats en komt terug. Hij heeft zijn naam heel
groot in het kader geschreven.
Ik wijs naar het kleine poppetje en vraag of dat Halil is.
Hij loopt weer weg en komt terug met een poppetje en zwarte strepen
er omheen.
Ik vraag wat hij daar doet. Hij zegt "zwemmen" en "water".
Hij herhaalt het woord "water" een paar keer.
Ik stel voor dat ik opschrijf "ik ga zwemmen in het water".
Hij vindt het goed.
naar
boven
terug
|
|