startpagina

trefwoorden


index
literatuur


bekijk
foto's, werk


index
taalwerkvormen


index
taal algemeen


lees ook:

Beeldtaal en kleuters


Taalwerkvormen
Bijschrijven onder een taaltekening


Kinderen vertellen bij hun taaltekening, de leerkracht schrijft dat er onder

Eerst probeer je bij de werkelijke ervaring te komen door te vragen naar de gebeurtenis die getekend is.
Als je vraagt: 'wat is dat?' en je wijst op een onderdeel van de tekening,
komt er slechts een beschrijving van hetgeen al te zien is, daarmee voeg je niets toe aan het verhaal van het kind.
Als je te vroeg begint met bijschrijven heeft het kind nog geen verhaallijn uitgezet.
Pas op het moment dat er details verwoord worden die niet in de tekening te zien zijn begint het interessant te worden.

In een taaltekening tekent een kind over een eigen ervaring

Een taaltekening komt in de plaats van een tekst.
Het gaat niet om 'mooi tekenen', maar om duidelijk in beeld brengen van een ervaring. Taaltekenen valt dan ook niet onder tekenonderwijs, maar onder taalonderwijs. De leerkracht schrijft bij de tekening wat het kind vertelt over de ervaring. Het gaat hierbij niet om het benoemen van wat op de tekening te zien is, maar om het verhaal erachter. De leerkracht praat met het kind over de ervaring, vraagt erop door en schrijft het zoveel mogelijk in de woorden van het kind op.

Praktijk
Een kind vertelt soms in krom Nederlands. In dat geval maken wij er goede zinnen van, zoveel mogelijk met de woorden die het kind zelf gebruikt.
Dit doen we om het verhaal duidelijk te krijgen, maar ook om het kind zijn eigen verhaal in correct Nederlands terug te laten horen.

Het praten over de taaltekening moet in een veilige sfeer gebeuren
Het kind mag niet het gevoel krijgen dat het wordt gecontroleerd of beoordeeld.
Als leerkracht moet je erop uit zijn om te begrijpen wat het kind bedoelt, en het te helpen bij het verwoorden.
Een kind zegt soms dat het niet kan tekenen. We stellen het dan gerust door te zeggen dat dat helemaal niet erg is.
Dat je niet hoeft te kunnen tekenen, maar dat je het gewoon probeert.
Meestal raken de kinderen in de loop van de tijd gewend aan dit soort tekeningen en krijgen ze zelfvertrouwen.

Het is teveel voor een leerkracht om bij elke tekening te schrijven
Oplossingen hiervoor zijn:
- alleen bij een klein groepje bijschrijven,
- hulp te vragen in de klas voor deze activiteit,
- de tekeningen verzamelen en later op geschikte momenten gaan bijschrijven.

Soms hebben kleuters nog te weinig Nederlandse woorden
Door gebaren, aanwijzen en gesloten vragen stellen probeer je er toch achter te komen waar het over gaat. De uiteindelijke formulering leg je aan het kind voor, en als het klopt schrijf je het op. Door dat vol te houden bereik je vaak dat kinderen het op den duur oppakken en ook zelf gaan formuleren.
Het bijschrijven bij een taaltekening is een intiem moment daarvoor moet je even rustig apart zitten. Zo rustig als in de drukke klas mogelijk is.
De andere kinderen werken in de hun bekende hoeken waarvoor relatief weinig begeleiding nodig is.

Het verschil tussen 'BIJ een tekening schrijven' en 'OVER een tekening schrijven'
Er zijn verschillende vragen mogelijk om de kinderen aan het vertellen te krijgen bij hun tekening. Ik ben er niet op uit om ze over hun tekening te laten vertellen. Dat blijft namelijk meestal steken bij het benoemen van wat ze getekend hebben.
Bij taalvorming zijn we er op uit dat kinderen vertellen vanuit een ervaring.
We proberen zodanig op die ervaring door te vragen dat de beleving daarvan ook naar voren komt.
Het gaat om de vraag: "wat gebeurt er hier op jouw tekening" of "wat ben jij hier aan het doen". Als die vragen niet uitnodigen tot vertellen, vraag ik waar zij zelf zijn op de tekening en wie die anderen zijn.
Soms benoem ik wat ik zie op de tekening en koppel er dan een vraag aan vast.
Bijvoorbeeld: "ik zie hier allemaal water, waar was dat water?"

Praktijkvoorbeeld
Alle kinderen gaan tekenen, ook de kinderen die zeggen dat ze geen zin hebben.
Ik deel papier uit. Zodra je een vel hebt pak je een zwarte fineliner. Daarna zoek je een plekje om te gaan tekenen.
Ik loop rond, vraag welk plekje in de zon ze tekenen, of ze dat willen laten zien in hun tekening, of ze zichzelf ook willen tekenen.

Darnell verteld dat hij op een deken op het balkon ligt. Ik zie Darnell op de deken, maar niet het balkon. Ik vraag of hij het balkon er nog even bij wil tekenen.
Halil heeft zijn naam geschreven en een klein poppetje er naast getekend. Ik vraag waar Halil is op de tekening. Hij wijst zijn naam aan. Ik vraag waar hij Halil getekend heeft.
Halil wijst weer zijn naam aan. Hij heeft zijn naam geschreven, ik vraag of hij zichzelf ook nog wil tekenen, in het kader. Hij gaat naar zijn plaats en komt terug. Hij heeft zijn naam heel groot in het kader geschreven.
Ik wijs naar het kleine poppetje en vraag of dat Halil is. Hij loopt weer weg en komt terug met een poppetje en zwarte strepen er omheen.
Ik vraag wat hij daar doet. Hij zegt "zwemmen" en "water". Hij herhaalt het woord "water" een paar keer. Ik stel voor dat ik opschrijf "ik ga zwemmen in het water".
Hij vindt het goed.

Henk van Faassen