startpagina

trefwoorden


index
literatuur


bekijk
foto's, werk


index
taalwerkvormen


index
taal algemeen

Lees ook:
Vier manieren van
begeleiden


Taalwerkvormen
Onderwerpen voor taalrondes

Nul-optie:
De meeste voorbeelden komen voort uit een onvoorbereid begin van een les.

Er is steeds een soort 'opmaat' voor de les begint, waaruit ik het thema oppik.
Soms blijft het één van de vele onderwerpen die in een kringgesprek aan de orde komen.
Een andere keer volgt een thematische verwerking.
Niet altijd liggen de onderwerpen en de verwerking dicht bij elkaar.
Er zit altijd een associatieve reeks met de kinderen tussen.

Groep 4:
Ietsje groter: "de stoel links is veel groter dan de middelste en ietsje groter die andere"
Thema: per ongeluk en expres (naar aanleiding van een verhaal van een van de kinderen)

Groep 4
Wie is dat? vragen de kinderen. Dat is het meisje met de lange haren en het brilletje, mijn stagiaire.
Thema: Scharen en knippen. Is er iemand anders dan rechtshandig?

Groep 4
Het ziekenfondskaartje
Thema: wat gebeurt er in het ziekenhuis?

Groep 4
Wat is roetselen? Ilias let niet op en zegt: Pianospelen

Groep 7
Wat is het verschil tussen geluid en muziek?

Groep 3/4
Dingen waar je 'op' zit, je stoel, maar ook je club en dingen waar je 'in' zit, de tram.
Thema: sleutels en deuren

Groep 3
Definities:
rood
is een jongenskleur want jongens dragen rode kleren
Een heuvel is net zo iets als een eiland, een klein bergje
Het avontuur is altijd groot
De horizon zit in Suriname De horizon is als de zon onder gaat.
Een rugzak is een tas, je kan er mee golfen, met een bal in een gat.
Thema: Alle tassen die er zijn: Rugzakken, Make-up; plastic-, school-, sporttassen.

Andere Groep 3
Definities:
Wakker
is als je eerst geslapen hebt; Een deur is een ding waardoor je naar buiten kan. Dik is als er veel in je buik zit.
Dwarrelen is als iets heel langzaam heen en weer naar beneden komt

Groep 8
Definities: Een bierviltje is een ding dat tussen de tafel en het glas zit.

Groep 4
Verloren: dingen die je kwijt raakt
je bed: dingen in en om je bed.
op reis naar je familie
Schoenen: welke doe je aan waarheen?

Groep 4/5
Een willekeurig woord uit je herinnering (associatief). Daar een zin mee maken. En daarna een zin met iets meer erin etc.
Thema: een kleur krijgen. Naar aanleiding van een van de zinnen
Vertelronde: hoe je er uit ziet.

Cosmetica
Lijstjes: opsmuk; mooi maken

Groep 4/5
Moeilijke woorden die je ter plekke te binnen schieten.
Thema: Kibbelen was een van de moeilijke woorden.
Vervolg: Ruzie krijgen en het weer goedmaken
Flashback: eerst vertellen dat je het goedmaakt; daarna: waar ging de ruzie eigenlijk over?

Groep 5
Een herinnering aan de vorige werkkeer
Thema: Dingetjes
Verwerking: vragen stellen over 'dat ding waarmee je dingest'

Groep 5
Een regel uit een versje dat je uit je hoofd kent.
Thema: dingen waar ik veel van hou
Gedicht: Weerzien op zolder (met je beer) Ida Gerhard.

Groep 4
Een jaar geleden: Wat kan je je nog herinneren? En van toen je 1 jaar was.
Vertelronde: Kattenkwaad en stout zijn.

Groep 4
Voorwerp: Steek je hand in je zak en zeg wat je in je hand hebt zonder de naam van het voorwerp te zeggen. Vertel wat je er mee doet. Als niemand het nog niet weet: noem je de naam van het voorwerp in een hele zin.
Voorlezen: gedicht "Rommel"
Thema: Dingen waar een snoer aan zit. (Magnetron; computer; adapter, gasfornuis (haha) en waar je zelf iets mee doet.

Groep 3
Mooi: een van de kinderen heeft een gebleekt stukje haar.
Thema: wat kinderen mooi vinden / wat moeders mooi vinden / wie is het mooiste meisje van de klas / de mooiste jongen
Verwerking: Dingen die 'altijd' zo mooi zijn (kuifje, ogen, glimlach) Dingen die alleen vandaag mooi zijn (spicegirls-trui, broek)

Groep 7
Oude dingen: als je in een museum bent
Vertelronde: dingen die thuis oud en kapot zijn

Groep 5/6
Kleuren: vertelronde over "geluk" naar aanleiding van de betekenis van bepaalde kleuren, maar ook de regel dat als je als jongen tussen twee meisjes in de kring terecht komt mag je een wens doen.
Verwerking: dingen waar je onhandig in bent.

Groep 3
Bloed: teksten die kinderen eerder schreven over vallen en bloed aan je kin.
Voorlezen met vragen stellen. Doorgaan met begrippen: "vallen" "gooien" "zetten" etc.

Groep 5
Verandering: de kinderen zitten ineens op een andere plek in de klas.
Thema: verhuizen, logeren en wennen aan een vreemde plek.

Groep 5
Je buren: Wie woont er naast je, onder je en wat merk je van ze.

Groep 7
Slaap: Iemand in de klas gaapt heel lang.
Thema: vertel in welke houding je slaapt (niet voordoen, maar met woorden)
andere keer:
Alleen zijn:
Verwerking: vervelende en prettige aspecten van alleen zijn. Eerst ben je alleen en dan…
Sterrenbeeld:
Verwerking: je goede en je slechte eigenschappen

Groep 8
Volwassenen: Meester is geen jongen meer; wanneer ben je man?
Thema: een paspoort hebben en dan zelf op reis gaan.

Groep 8
Mediteren: een experiment in de kring (heftig voor groep 8)
Vertelronde over het eerste dat bij je op komt.
Associatieronde

Groep 1/2
Thema: het kleinste ding uit de klas / het zwaarste

Henk van Faassen

naar boven