startpagina

trefwoorden


index
literatuur


bekijk
foto's, werk


index
taalwerkvormen


index
taal algemeen


lees ook:
Wat zit er in die doos?


Met een grote stapel dichtbundels


Taalwerkvormen
Beginnen met voorlezen in de kring

Als leerkracht lees je vaak en veel voor
Dat kan zijn om een mooi boek bij de kinderen te introduceren of gewoon omdat kinderen het fijn vinden om voorgelezen te worden.

Bij taalvorming staan de voorgelezen verhalen en gedichten in dienst van de interactie in de kring, het omhooghalen van eigen ervaringen van kinderen en als start voor de kinderen om te vertellen en te schrijven.
Soms om met een thema te gaan werken.

Praktijk
Je kiest of je met een gedicht, een verhaal of een prentenboek wilt werken.

Gedichten:
Er zijn drie mogelijkheden:
a) je kiest vooraf een gedicht
b) je kiest een gedicht dat aansluit bij de praatronde in de kring
c) de kinderen kiezen een gedicht uit een stapel. je kiest een gedicht dat aansluit bij de praatronde in de kring.

Je kiest vooraf een gedicht:
De keuze is helemaal van jezelf afhankelijk.
Je kiest met het gedicht mogelijk al een bepaald onderwerp waarop je verder wil gaan.
Oppassen voor bepaalde gedichten waar een thema, met een belerend doel, al ingebakken is.
Je keuze moet zodanig zijn dat je kunt verwachten dat alle kinderen er aansluiting bij hebben.

Je kiest een gedicht dat aansluit bij de praatronde in de kring:

In dat geval zorg je ervoor dat je voldoende bundels
of een verzamelbundel zoals 'Als je goed om je heen kijkt…' bij je hebt.
Voorwaarde is dat je de inhoud van de bundels goed kent zodat je snel kunt kiezen.
Je leest het gedicht voor:
Twee keer voorlezen, eventueel een derde keer door een van de kinderen.

De kinderen kiezen een gedicht:

In dat geval heb je een stapel gedichtenbundels meegebracht.
Je stelt groepjes samen waarvan een kind de 'spreker' is.
Die sprekers maken een eerste keuze door twee bundels uit te zoeken.
In hun groepje kiezen ze in overleg uit één van die twee en vervolgens voor een gedicht.

Voorlezen:
De sprekers lezen om de beurt het gedicht twee keer voor.
Kinderen die nog niet zo vlot voorlezen vraag je om één zin te doen.
De rest van het gedicht lees je zelf voor.

Sleutelwoord:
Je schrijft een sleutelwoord uit ieder voorgelezen gedicht op het bord.
Let erop, dat het niet de titel of het overduidelijke onderwerp van het gedicht is,
maar iets waaraan de kinderen denken als ze het gedicht beluisteren.

Kiezen:
Uit de sleutelwoorden kiezen de kinderen, via overleg met hun sprekers, een onderwerp dat hen aanspreekt.
Het gedicht dat erbij hoort wordt nogmaals voorgelezen.

Praatronde:
Na ieder voorgelezen gedicht is er een korte praatronde.
Je stelt stimulerende vragen, maar probeer te voorkomen dat je naar de bedoelingen van de dichter gaat vragen.
Je zorgt ervoor dat er een verbinding tussen de eigen ervaringen van de kinderen en het gedicht ontstaat.

Analyse en keuze:
Je analyseert ter plekke en in gedachten alle open gesprekjes en kiest daaruit één onderwerp of thema.

Vertelronde in de kring:
De vertelronde is toegespitst op het thema dat uit het gedicht is komen bovendrijven.
De kinderen vertellen hun eigen ervaringen,
ze fantaseren niet en komen ook niet met voorbeelden van de tv.

Ordening:
Uit de vertelronde maak je een toegespitste keuze voor een lijstje.

Tweetalgesprek:
Je geeft instructies voor het tweetalgesprek.

Schrijfronde:
Je kiest voor een manier van teksten schrijven die bijvoorbeeld aan regels gebonden is. Een vorm die bij het voorgelezen gedicht past.
Oppassen voor rijmdwang.

Voorlezen:

Je kiest voor een manier van voorlezen.
Je benadrukt dat een gedicht anders voorgelezen wordt dan een verhaal.

Herschrijven:
Je kiest voor een bepaalde manier van herschrijven. Bijvoorbeeld herschrijven om teksten duidelijker te krijgen, of herschrijven op een aan regels gebonden manier zoals bij een rondeel.

Een verhaal uit een boek
Een vergelijkbare werkwijze volg je als je een prozatekst gekozen hebt.
Hou er rekening mee dat er in een tekst zich vaak meer onderwerpen aandienen.
Neem vooral niet het thema dat met de titel van het boek verbonden is.
Het beperkt de kinderen in hun praat- en vertelrondes.
Kies voor een boek met korte hoofdstukken, waarbij ieder hoofdstuk een andere invalshoek of onderwerp heeft.

Een prentenboek
Bij de kleuters wil ik dat de kinderen zelf een boek uitkiezen dat ik ga voorlezen.
Daarmee hebben de kinderen een soort verantwoordelijkheid voor de inhoud van de les gekregen.
Ze zullen dat niet meteen als zodanig ervaren, maar ik hoor dan niet: "Oh dat boek kennen we al".

Welk boek zullen we nemen?
Het uitkiezen is, net zoals alle andere activiteiten, een 'werkvorm'.
Een werkvorm heeft steeds stapjes.
De eerste stap is dat ik een stapel van 6 boeken op tafel leg.
De tweede stap is dat vier kinderen die stapel bekijken en er in overleg met elkaar 2 uitzoeken die ze aan mij terug geven. Nu zijn er vier boeken over.
De derde stap is dat twee andere kinderen van die vier er weer twee aan mij terug geven.
Weer overleggen ze met elkaar en ze kiezen voornamelijk op de omslag.
De vierde stap: een ander kind kiest uit die twee boeken degene die voorgelezen zal worden.
Nu mag er ook in het boek gekeken worden, hoe de plaatjes er uitzien en of er veel of weinig tekst in staat.
Ik ga het boek voorlezen.

Praktijk:
Het is deze keer "Taart voor kleine beer"
In de meeste boeken heb ik de tekst gekopieerd en omgekeerd in het boek geplakt.
Zo kan ik gemakkelijk te tekst lezen terwijl ik het boek zichtbaar voor de kinderen op mijn knieën heb.

De tweede ronde in de kring is een praatronde.
De kinderen hebben het over alles wat in het boek voor komt.
De kinderen willen graag weten wie van de dieren de oudste is.
Dat komt omdat kleine beer jarig is en nergens staat hoe oud hij geworden is.
De haas is de grootste op de plaatjes, dus die moet ook wel de oudste zijn.
We vertellen elkaar over het bakken van taarten.
De derde ronde is een getekend lijstje van alle soorten taarten die je zelf wel eens hebt helpen maken of helpen opeten.

We schrijven de teksten bij de tekeningen.
Als we de teksten gaan voorlezen wil een groepje het verhaal met stokpoppen spelen.
Alle andere verhalen worden voorgelezen.
We sluiten de les af met een rondje:
Welke taarten bestaan er?
Ieder kind noemt er eentje en zo ontstaat een mooie rij met alle mogelijke taarten.
De chocoladetaart met één aardbei in het midden wordt het meest genoemd want die staat in het boek.

Een boek met tellen en schatten
Kiezen uit dezelfde stapel als de vorige keer.
De juf en ik zijn benieuwd of ze misschien opnieuw het boek van de vorige keer zullen uitkiezen.
De kinderen hebben al voor de les in de boeken zitten kijken.
Het wordt deze keer "Maatje spanrups"
Als ik voorlees vraag ik de kinderen te schatten hoe lang de snavels of de staarten van de verschillende dieren zijn.
We tellen hardop als ik met mijn vingen over de plaatjes ga.
Het valt mij op dat de oudere kleuters een redelijk gevoel voor de verschillen in maat hebben.
Het tekenlijstje dat we maken gaat over de kleinste dieren die je kent, een mugje, tot de grootste.
Je moet er ook iets mee beleefd hebben.
De mug die je prikte, de hond die je mocht uitlaten, de duif die bijna op je hoofd poepte.
We gaan weer in twee groepjes tekenen, stempelen en bijschrijven.

De voorleesronde gaat nu iets anders
Iedere keer als er een verhaal geweest is mogen twee kinderen er een vraag over stellen.
En vragen stellen is iets anders dan vertellen wat je zelf ook wel eens meegemaakt hebt.

Een boek met een lange slang
Gloria kan nog niet lezen maar wil graag het verhaal van de eerste keer 'voorlezen'.
Ze neemt plaats op de voorleesstoel en vertelt het verhaal van kleine beer aan de hand van de plaatjes.
De kinderen luisteren aandachtig en geven af en toe commentaar als er van het oorspronkelijke verhaal afgeweken wordt.

Daarna kiezen we weer een boek.
De samenwerking in het overleg loopt perfect.
De kinderen weten nu precies wat er van hen verlangd wordt.
Toch blijven kinderen met blikken en gebaren proberen de keuze te beïnvloeden.
Er zijn kinderen die hun eigen keuze doorzetten en er zijn er die verlegen toegeven.
De keuze valt op "Wil je mijn vriendje zijn?"
De structuur van het verhaal is identiek aan "Maatje spanrups"
Op iedere bladzijde valt er te tellen hoe lang een staart is.
Aan het meten van de slang begin ik niet want die loopt over een aantal pagina's.

In de vertelronde, praten de kinderen over de dingen die in het boek aan de orde geweest zijn.
Het is eigenlijk een soort 'navertellen'.
Dat is deze keer ook goed.

Het tekenlijstje gaat weer over dieren die je kent.
Het moeten dieren zijn die je op school, thuis, in het park of in de kinderboerderij gezien hebt.
De kinderen zijn nog niet zo lang geleden in de kinderboerderij geweest en hebben dan ook veel ervaringsverhalen.
Het dikke varken is een van de belangrijkste personages in hun verhalen.
De rest van de les kennen de kinderen nu ook goed: tekenen, stempelen, bijschrijven en voorlezen met vragen stellen.

Henk van Faassen