startpagina

trefwoorden


index
literatuur


bekijk
foto's, werk


index
taalwerkvormen


index
taal algemeen



Taalwerkvormen
Kinderen lezen hun eigen teksten voor

Als alle kinderen klaar zijn met schrijven lezen ze hun tekst voor als ze dat willen.
En wie wil dat niet?


De volgorde waarin de kinderen voorlezen bepalen ze zelf. Het verhaal kan aansluiten op het voorgaande.
Het is goed als de leerkracht het voorlezen niet regelt en zelf ontspannen kan luisteren naar de verhalen van de kinderen.
Er staat een voorleeskruk vlak naast de leerkracht, zodat die hulp kan geven. De moeilijke woorden fluister je bijvoorbeeld voor.
De taaltekeningen worden getoond.

Snappen we het?
Als kinderen hun tekeningen 'voorlezen' doen ze dat met dezelfde vanzelfsprekendheid alsof ze de door de juf bijgeschreven tekst zelf geschreven hebben.
Dat zorgt voor vertrouwen in hun talige vermogens, nog voor ze zelf aan het schrijven gaan.
Tegelijkertijd is er in de voorleesronde gelegenheid om elkaar te bevragen.
Alles moet zo duidelijk zijn alsof je er zelf bij was.
Wat voor een stok kreeg je toen je voet gebroken was?
En: wie waren er nog meer bij?
Of: stond je helemaal boven aan de trap, toen je viel, of waren het maar een paar treetjes.
Op deze wijze vindt er uitwisseling plaats en dat is toch de bedoeling van taal?
Het verbeeldingsvermogen zit aan twee kanten. Bij de voorlezer en bij de luisteraar.
Leerkrachten kunnen oog krijgen voor deze bijzondere situatie en even vergeten wat ze allemaal in een taalles moeten stoppen.



Teksten kiezen om in de middenbouw meer mee te doen
Als alle teksten zijn voorgelezen kiezen we teksten uit waar meer mee kan gebeuren.
Een kleine bundel drukken met limograaf, linkprint en vormstempels bijvoorbeeld.

Keuze criteria
We maken samen met de kinderen elke keer na het voorlezen een lijstje met keuze criteria.
Waar letten we op? Komen alle verhalen over ongelukjes bij elkaar? Moeten het verdrietige of spannende verhalen zijn? Of juist grappige.
Maar bovenal: zijn de verhalen die we kiezen duidelijk?
Het verhaal moet kort zijn, of juist lang.
Moet het een jongens of een meisjes tekst zijn, of juist niet.
Steeds vergelijken we twee verhalen met elkaar om de keuze makkelijker te maken.
Iets dat je alleen doet, met z'n tweeŽn of een verhaal over iets met z'n allen doen.
Aan de hand van de criteria, die steeds wisselen, leren de kinderen hun keuze beargumenteren.
De criteria voorkomen dat er alleen voor teksten van vriendjes gekozen wordt.

Herschrijven
De uitgekozen teksten worden door de schrijvers op het schoolbord geschreven.
De overige kinderen wisselen hun schrift en herschrijven het verhaal van een ander om het daardoor beter en duidelijker te maken. Daarna kijkt de leerkracht na. De op het bord geschreven teksten worden klassikaal beter gemaakt.
Essentieel is het alle veranderingen niet als fouten te benoemen en voortdurend respect te hebben voor de schrijver en zijn tekst.

Bordrijen
De originele tekst van de schrijver en de veranderingen zijn materiaal voor analyse.
Zogenoemde bordrijen worden er uit samengesteld.
Aan de hand hiervan bepaal je welke instructie gegeven moet worden aan de groep of aan een individuele leerling.
In alle gevallen zijn het steeds de woorden van de kinderen die bepalen wat er geleerd moet worden.
Je bedenkt welke vervolgactiviteiten je aan de teksten van de kinderen kunt verbinden.
De bordteksten worden in het taaldrukschrift geschreven om later in de computer gezet te worden. Met behulp van de computer kan de tekst worden geprint. De oplage wordt gebruikt voor een boekje of als werkblad ingezet voor instructie.

Henk van Faassen