startpagina

trefwoorden


index
literatuur


bekijk
foto's, werk


index
taalwerkvormen


index
taal algemeen


lees ook:

Kou is als...


Taalwerkvormen
Prentenboeken

Een prentenboek is het meest voorkomende boek in peuter- en kleutergroepen
Er wordt veel uit voorgelezen.
De plaatjes worden bekeken.
De kinderen kijken zelfstandig in de boeken.

Een prentenboek is een geschikt middel om een vertelronde in de kring mee te beginnen.
De kinderen komen door het zien van de plaatjes en het horen van de tekst op eigen ervaringen.
Daarover vertellen ze in de kring.

Praktijk

Praatronde:
Je begint met een open praatronde in de waarbij je het prentenboek al op schoot hebt.
Het is goed als de kinderen bij het begin van een les al iets kunnen inbrengen.
Voorlezen en de plaatjes laten zien:
Je leest voor en geeft ruimte voor korte spontane reacties.
Eventueel richt je de aandacht op bepaalde details van de prenten of van het verhaal.

Ordening:
Je maakt tijdens het voorlezen in gedachten een ordening van de onderwerpen
waar de kinderen met hun associaties op gereageerd hebben.
Je probeert te voorkomen dat het jouw eigen visie op het verhaal voorop staat.
Het kenmerk van een associatie is dat je niet hoeft te weten hoe die in het hoofd van een kind ontstaan is.

Vertelronde:
Je kiest voor een thema dat is komen bovendrijven.
Als de vertelronde 'opdroogt' verander je de invalshoek of je kiest voor een ander onderwerp.

Getekende lijstjes:
Jonge kinderen die nog niet schrijven tekenen hun lijstje op een strookje papier waarop je hokjes gekopieerd hebt.
Je benadrukt dat het hier niet gaat om mooie tekeningen,
maar om een soort 'aan'tekeningen.
De kinderen zitten nog steeds in de kring en krijgen een onderlegger om op hun knie te kunnen tekenen.

Tweetal:
De kinderen kiezen voor één van de onderwerpen uit hun lijstje
door de strook papier zodanig te vouwen dat die aantekening boven is.
Ze laten die elkaar in een tweetal zien en vertellen er om de beurt over.

Taaltekening:
De kinderen gaan terug naar hun tafeltje.
Je deelt blaadjes uit waarop een kader gedrukt is.
In dat kader tekenen de kinderen gedetailleerd wat ze in het tweetalgesprek verteld hebben.
Het kan geen kwaad als je daarbij een startopdracht geeft.
Bijvoorbeeld:
Teken eerst hoe de plek er uitzag en dan pas de dingen en mensen die erbij horen.
Of je beperkt een groot thema:
Teken hoe je bij je moeder achter op de fiets zat, of hoe je bij je oma in de tuin speelde. Je laat de tekening eerst met zwart potlood maken, waarna eventueel kleur toegevoegd kan worden.

Bijschrijven:
Zodra de kinderen een beetje op gang zijn ga je bijschrijven.
Ieder kind vertelt het verhaal dat bij de tekening hoort.
Je stelt stimulerende vragen en schrijft een korte tekst onder het kader.
Je leest die tekst voor en vraagt op het zo goed is.
Eventueel vraag je of het kind een belangrijk woord uit de tekst wil overschrijven.
Dat komt boven het kader.

Voorlezen:
Hoewel de kinderen nog niet allemaal kunnen voorlezen noem je het wel zo.
Om de beurt komen ze op de 'voorleesstoel', dat is de stoel van de juf.
Je zit zelf op een kinderstoeltje ernaast om hier en daar een woord voor te fluisteren.
De kinderen vertellen wat er onder de tekening bijgeschreven is, of lezen het daadwerkelijk voor.
Ze laten de tekening zien.
In de gevallen dat het 'voorlezen' mislukt, vraag je of jij de tekst mag voorlezen.

Henk van Faassen