startpagina

trefwoorden


index
literatuur


bekijk
foto's, werk


index
taalwerkvormen


index
taal algemeen


Lees ook: Taalvermogen en
taalvaardigheid


Taalwerkvormen
de Tekstbespreking

Teksten die kinderen geschreven hebben bespreken en veranderen
Een werkvorm waarbij de kinderen in de groep hun eigen teksten beschouwen en voorstellen voor verbeteringen doen. De auteur van de tekst bepaalt welke verandering over genomen wordt en hoe hij of zij de tekst herschrijft.

Praktijk:
Er staan één of meer gekozen teksten op het bord.
De kinderen hebben die er, bijvoorbeeld in een pauze, opgeschreven.
De kinderen doen in groepjes van vier voorstellen voor verandering ervan.
Een van hen is bij toerbeurt de "spreker", herkenbaar aan een gekleurd blokje voor zich.
In groep 3 hebben ze beertjes met gekleurde lintjes en in groep 5 kozen ze eendjes van steen, plastic en pitriet. Daar heten de sprekers 'kwakers'.
De spreker mag de voorstellen over te brengen en overlegt steeds met het groepje.
De veranderingen worden door de leerkracht met de kleur van het sprekersblokje op het bord geschreven.

De schrijver van de tekst beslist altijd of veranderingen worden overgenomen.
We kijken of iedereen het verhaal kan herkennen. Zien we voor ons wat er is beschreven?
In tweede instantie letten we op de spelling, de zinsconstructie, of iets met beter met een ander woord geschreven kan worden. En dan kijken we ook naar de interpunctie, voorzetsels en lidwoorden.

Vragen stellen
Soms is het goed aan de hand van vragen een tekst samen te herschrijven.
Dat zijn vragen van de kinderen naar details van de gebeurtenis die beschreven is.
Stimulerende vragen van de leerkracht kunnen de kinderen op een spoor zetten.
Essentieel is het alle veranderingen niet als fouten te benoemen en voortdurend respect te hebben voor de schrijver en zijn tekst.

De originele tekst van de schrijver en de veranderingen zijn materiaal voor een analyse door de leerkracht.
Aan de hand hiervan bepaal je welke instructie je gaat geven, aan de groep of aan een individuele leerling.
Je ziet dingen in het taalgedrag van je kinderen die bij toetsen en testen meestal verborgen blijven omdat die uitgaan van teksten uit het leerboekje en niet de eigen teksten van de kinderen.

Je bedenkt welke vervolgactiviteiten je aan de teksten kunt verbinden
De bordteksten worden in het taaldrukschrift geschreven om later in de computer gezet te worden.
Met behulp van de computer kan de tekst worden geprint.
De oplage wordt gebruikt voor een boekje of als werkblad ingezet voor instructie.

Samen met een kind een tekst herschrijven
De teksten die niet gekozen zijn om te drukken worden ook verbeterd.
De leerkracht werkt dan met een leerling individueel.
De andere leerlingen zijn zelfstandig aan het werk en mogen niet storen.
Vraag het kind zijn tekst aan je voor te lezen, vraag door waar het niet helder is.
Laat het kind nadenken over onderdelen van de die hij of zij zelf kan verbeteren. Bijvoorbeeld de spelling van bekende woorden.
Help de zinsconstructie te verbeteren, door een begin te maken of te vragen: "wat klinkt beter?"
Als er heel veel verbeteringen zijn is het handig de goede tekst, die je samen met de leerling ontdekt hebt, zelf even op te schrijven opdat die niet in de knoeiboel verloren raakt.
Ook hier blijft de beslissing bij het schrijvertje, zelfs als je het er niet mee eens bent. Je moet kunnen accepteren dat taal stap voor stap gevormd wordt, je hele leven lang.

Soms gaat het op een andere manier

Een bijzonder beeldje
.
In een kleine kring van vijf kinderen bespreekt juf Irene teksten. De rest van de groep is bezig met zelfstandige taaloefeningen.
Sherima schreef een tekst over een bijzonder beeldje, gemaakt van een bijzondere steensoort.
Ze schrijft dat ze het beeldje soms naast haar bed zet als ze bang is.

Sherima leest haar tekst voor en Irene schrijft die met viltstift in grote duidelijke letters, eerst precies zoals Sherima die schreef, op een groot vel A3.

Deese biezodre steenzoort, zet ik soms in de glaasen-kast en soms op mijn nachtkasje soms zet ik het op mijn bieroou en als ik bang ben zet ik het op de bed en als ik bid dan is het weer oofer.

Juf schrijft daarna de tekst nog een keer over:

deze bijzondere steensoort zet ik soms in de glazen kast en soms op mijn nachtkastje en soms op mijn buro en als ik bang ben zet ik het op mijn bed en als ik bid dan is het weer over.


De tekst die de juf schreef en die van Sherima hangen nu naast elkaar op het bord.
Irene bespreekt de spelling niet expliciet.
Het gaat erom of het hoe en waarom duidelijk is.
Als Sherima de tekst leest zoals juf die opschreef kan ze haar eigen tekst verbeteren als ze er aan toe is.


De kinderen stellen vragen:
"Wat is er bijzonder, het beeldje of de steensoort?"
Beide zijn bijzonder volgens Sherima, die het beeldje meebracht naar school.
We kunnen allemaal zien hoe het er uitziet.
'Dit bijzondere beeldje is van een bijzondere steensoort gemaakt'schrijft juf erbij.
"Maar waar staat het beeldje nu precies?"
De kinderen tellen vier plekken in de tekst.
Sherima vertelt over een plankje boven haar bed.
Irene doet het in de kleine kring omdat er in de grote kring geen aandacht te krijgen is voor een dergelijke uitgebreide tekstbespreking.
De concentratie van de vijf kinderen is optimaal.

De consequenties
De keuze tussen het bespreken in de grote kring of in kleinere kring heeft twee consequenties. Kies je ervoor om de les makkelijk hanteerbaar te houden dan splits je.
Het belang van een interactie met alle kinderen is daaraan dan ondergeschikt geworden.
Een deel van de groep heeft geen kennis van de ontwikkeling in de kleine kring.
Het heeft nauwelijks zin die kennis op een later moment aan de andere kinderen over te dragen omdat de bron ervan die speciale interactie in de kleine kring was.
Het enige dat over te dragen is zijn de feitelijke dingen over het 'bijzondere beeldje'. De teksten hangen een poosje voor iedereen zichtbaar voor de klas en de kinderen merken ook dat bepaalde woorden uit die tekst, zoals bijzonder, voor iedereen van belang zijn.

Moeilijk of niet
Kies je voor een optimale communicatie, en dat is de basis voor taalvorming, dan heb je het als leerkracht moeilijker als je met een grote kring werkt.
Een gegeven is dat er meerdere niveaus in de groep voorkomen. Binnen die niveaus zijn dan weer de gebruikelijke subniveaus. Gedragsproblemen, concentratieproblemen, taalachterstanden en zo meer.
Al deze niveaus vragen om specifieke aandacht van de leerkracht. Toch moet de individuele taalontwikkeling van ieder kind voorop blijven staan.

Henk van Faassen