startpagina

trefwoorden


index
literatuur


bekijk
foto's, werk


index
taalwerkvormen


index
taal algemeen


Taalwerkvormen
Een tekst preciezer maken

Kinderen leren hun teksten zo te schrijven dat een ander voor zich ziet waar ze over geschreven hebben
Daarvoor is het noodzakelijk de schrijfopdrachten zodanig te formuleren dat de kinderen nauwkeuriger hun ervaringen gaan beschrijven.

In het algemeen is het zo dat je van de kinderen krijgt waar je naar vraagt

Geef je een ruime algemene schrijfopdracht als "schrijf een verhaaltje over de vakantie", dan krijg je algemene teksten.
De kinderen voelen zich door zo’n opdracht uitgenodigd om over alles wat ze in de vakantie gedaan hebben te schrijven.
De teksten gaan daardoor nergens de diepte in.
Ik vind het belangrijk dat de kinderen precies en gedetailleerd over een ervaring schrijven.
Ik geef daarom schrijfopdrachten over kleine gebeurtenissen en momenten.
Dat daagt kinderen uit om op zoek te gaan naar die woorden die hun ervaring het meest duidelijk weergeven.
Tijdens dat zoeken ontdekken ze de mogelijkheden van taal.
Een tekst die begrepen en herkent wordt, wordt met meer plezier gelezen. Dat moedigt het schrijven vervolgens weer aan.

Er is verschil tussen het schrijven over een ervaring en het schrijven van een verslag over wat je gedaan hebt in een vakantie.
Door met de kinderen in de opsomming van Donny’s tekst op zoek te gaan naar momenten ontdekken ze dat verschil.
Ik leg ze niets uit over verschillende soorten teksten en de functie daarvan, ik laat ze het al doende zelf ontdekken. Niet in hun eentje, maar samen.
Ik vraag Donny een moment te kiezen waar hij graag over wil vertellen en schrijven.
Hij wordt zich daardoor bewust van wat voor hem belangrijk is.
Door te schrijven word je je bewust van wat je bezighoudt, door terug te kijken naar wat je geschreven hebt word je je daar nog meer bewust van. Dan ga je ook meer bewust je woorden kiezen, word je je bewuster van hoe jij taal gebruikt en wilt gebruiken.

Praktijkverslag
Van de leerkracht van groep 7 krijg ik een stapel teksten die de kinderen de dag na de kerstvakantie geschreven hebben.
Het is de bedoeling dat ik samen met de kinderen die teksten ga bespreken.
Ik lees de teksten door en schrik een beetje van de lengte ervan. Lange teksten zijn niet handig om te bespreken.
Wat me opvalt aan de teksten zijn de opsommingen van activiteiten.
Dat is meestal het geval met teksten die over de vakantie gaan.
Ik besluit het probleem van de opsommingen aan te pakken.
Ik copieer de tekst van Donny in zodat er per twee kinderen een exemplaar is.

Het feest
Het begon allemaal zo.
Voor het feest gingen we eerst een zaal zoeken.
We waren overal zo een beetje geweest.
Uiteindelijk hadden we een zaal voor drie januari.
Die dag moest ik in de ochtend, eerst naar mijn geloof.
Daar ging eerst iemand een lezing houden.
Toen moesten we allemaal vragen uit een tijdschrift van ons geloof beantwoorden.
Tenminste als je dat wou. En als je antwoord wil geven moet je je vinger of je hand opsteken.
Daarna gingen we naar huis.
Daar ging ik met mijn broer op de computer.
Mijn broer had zelfgemaakte bara’s gemaakt.
En mijn broer had voor het feest cake gemaakt, het waren er wel drie.
De meneer die het feest had georganiseerd had mij gevraagd om te presenteren met een ander meisje.
Toen was het zover, we gingen naar het feest. Het was heel leuk.
Mijn zus ging met andere meisjes dansen. En er gingen mensen zingen. Er waren er ook een paar die gingen acteren.
Het was heel leuk want sommige kinderen gingen goochelen.
En toen gingen we het opruimen en naar huis.

De kinderen zitten in tweetallen waar ze graag in samenwerken
Ik lees Donny’s tekst voor terwijl iedereen meeleest.
We gaan de verschillende momenten die in de tekst zitten opzoeken.
Ik lees de eerste vier zinnen nog een keer voor en vraag welke momenten daarin zitten.
Ik geef als eerste Donny het woord. Hij noemt een zaal zoeken als een moment. Ik schrijf dat op het bord.
We halen samen nog een paar momenten uit Donny ‘s tekst.
Als hij naar mijn geloof zegt vraag ik wat hij daar mee bedoelt. Donny kijkt me niet begrijpend aan. Ik vraag wat hij bijvoorbeeld thuis zegt als hij naar zijn geloof gaat: zeg je ik ga naar mijn geloof? Het is tijd om naar mijn geloof te gaan? Donny vertelt dat hij zegt dat hij naar ‘de zaal’ gaat.
Op het bord schrijf ik: naar de zaal.
De tweetallen zoeken nu zelf verder naar momenten in de tekst van Donny.
Alle momenten schrijf ik op het bord:

een lezing
vragen beantwoorden
naar huis
broer op computer
broer maakt bara’s
naar het feest
zus danst
mensen zingen
mensen acteren
kinderen goochelen
opruimen

We kijken welke kleine momenten samen een wat groter moment vormen:
1. Een zaal zoeken en een zaal vinden.
2. Een lezing, vragen beantwoorden en naar huis gaan
3. Zus danst, mensen zingen, mensen acteren, kinderen goochelen
Daar kan ook nog opruimen en naar huis bij. Bij elkaar noemen we dat naar het feest.
Ik vraag Donny welk moment van de lijst op het bord hij zich nog heel goed herinnert. Hij noemt drie momenten:

Broer op computer
Broer maakt bara’s
Zus danst.

Ik vraag over welk moment hij een tekst zou willen schrijven.
Hij kiest ‘broer maakt bara’s’.

Donny komt op de ‘vertelstoel’, voor in de klas, zitten.
Wij stellen hem vragen om hem te helpen zijn herinnering aan dat moment helder naar boven te krijgen. Als niemand nog iets wil vragen gaat Donny naar zijn plaats terug.
Hij weet nu precies waar hij straks een korte tekst over kan schrijven.

Lucie Visch