startpagina

trefwoorden


index
literatuur


bekijk
foto's, werk


index
taalwerkvormen


index
taal algemeen


Taalwerkvormen
Een tekst is nooit in een keer goed



Herschrijven is dat kinderen intensief
naar alle onderdelen van een ervaringstekst kijken

Het is een stap naar een helder taalproduct.
Teksten worden in de groep besproken
alvorens ze 'in het net' voor het een of andere doel gebruikt worden.

Als je een tekst schrijft staat het er nooit in een keer goed
Dat kan niet en dat hoeft niet. Dat is een hele opluchting voor kinderen.
Het schrijven op zich doe je in je eentje, maar wat eraan vooraf gaat en wat er daarna komt doe je met elkaar.
Dat je elkaar kunt helpen om je tekst duidelijker te krijgen.
Dat dat niet in een sfeer van 'goed of fout' gaat, is een geruststellend idee voor de kinderen.

Leerkrachten zijn van tevoren vaak bang dat het bedreigend is voor een kind als zijn tekst klassikaal besproken wordt.
In de praktijk blijkt het tegendeel: kinderen vechten erom om hun tekst op het bord te krijgen.
Ik zorg ervoor dat de sfeer positief en opbouwend blijft en dat de schrijver meester blijft over zijn tekst.
Ik verander nooit iets aan de tekst als het kind het niet wil.

In het begin zijn de kinderen verbaasd dat ze zelf iets over hun tekst te zeggen hebben, dat ze alles wat er over hun tekst gezegd wordt goed vinden.
Na verloop van tijd ontwikkelen ze een kritische blik op hun taalproducten.
Door samen teksten te bespreken worden de kinderen deelgenoot van elkaars schrijfproces.
Samen houden ze zich bezig met de vraag hoe de tekst duidelijker kan worden.
Doordat de aandacht zich richt op de inhoud vindt er zinvolle en betekenisvolle communicatie plaats.
De kinderen wisselen ervaringen, gedachten en ideeën uit.
Er komen daarbij vanzelf verschillende begrippen, woorden en taalproblemen naar voren.

In het begin zien de kinderen het bespreken van teksten als een spel
Het is leuk, dus dan leer je er niet van, is hun conclusie.
Soms vraagt een kind tijdens een taalvormingsles waarin iedereen ontzettend actief meedoet: wanneer we nou gaan werken?
Als ik dan zeg dat we aan het werken zijn krijg ik een ongelovige blik.
Na een paar keer ontdekken ze dat het niet alleen leuk is, maar dat hun teksten er ook beter van worden.

Praktijk
In groep 4 heb ik de tekst van Latifa op het bord geschreven:

Ik ging met mijn moeder naar Marokko en toen ging ik naar buiten.
En toen zag ik een mier achter mij aanlopen en ik had de mier dood gemaakt.
En toen ging de mier in mijn schoen en ik ging huilen en ik had een pleister gekregen.

Als de kinderen binnen komen beginnen er meteen een aantal Latifa’s tekst te lezen.
Als iedereen in een halve cirkel voor het bord zit, vraag ik of Latifa haar tekst wil voorlezen.
Ik vraag wie er iets aan Latifa wil vragen over haar tekst:
"iets wat je niet begrijpt of iets omdat je er graag meer over wil weten."
Veel vingers.
Latifa wijst een kind aan dat een vraag aan haar mag stellen.
Abdel kijkt naar mij en stelt zijn vraag aan mij. Ik zeg dat ik er niet bij was in Marokko en dat ik het dus niet weet.
Abdel snapt niet hoe het kan dat Latifa eerst een mier dood maakt en dat die mier daarna in haar schoen ging.
Ik help Abdel met het formuleren van zijn vraag en herhaal die dan nog eens.
Iedereen dan goed kan horen wat Abdel wil vragen.
Latifa antwoordt niet meteen.
Een paar kinderen roepen dat ze het weten.
Ik vraag of zij er bij waren in Marokko.
Als dat niet het geval blijkt te zijn zeg ik dat ze het dan niet kunnen weten.
Latifa is de enige die het weet.
Ze zegt dat er een andere mier in haar schoen ging.
Ik verander het in haar tekst : toen ging een andere mier in mijn schoen.

Ik lees de tweede zin nog eens voor, omdat ik die niet goed voor me kan zien:
En toen zag ik een mier achter mij aanlopen en ik had de mier dood gemaakt.
Ik loop voor de klas heen en weer en stel me hardop voor hoe Latifa daar in Marokko liep.

Ik draai me om, kijk achter me en zeg:
"Hé, een mier, daar loopt een mier achter me aan"

Ik vraag aan Latifa of het zo ging. Ze knikt.
"En toen maakte je hem dood?"
Latifa knikt weer.
Ik zeg niks, ik probeer me een voorstelling te maken van wat Latifa precies deed.
Even is het stil in de klas, dan roept Erik: "maar hoe maakte je hem dood?"
Ja, hoe maakte je hem dood, vallen andere kinderen hem bij.
Latifa zegt dat ze hem met haar schoen dood maakte.
Ik vraag wat ze met haar schoen deed.
Latifa gaat staan en trapt een paar keer met haar schone op de grond.
Latifa kent het Nederlandse woord niet.
Erik zegt: "trappen".
Ik vraag: je ging hem dood trappen?
Latifa knikt.
Ik veeg in haar tekst gemaakt uit en verander het in getrapt.

Op het bord schrijf ik met grote letters DOOD.
Daaronder trappen.
Latifa heeft een mier dood getrapt, wie heeft er op een andere manier wel eens een klein beestje dood gemaakt?
Nu komt er een stroom van woorden los.
Ik schrijf op wat de kinderen zeggen.

Er ontstaat een lange lijst:
schudden, drukken, vergiftigen, snijden, persen, knijpen, slaan, laten stikken, rijden, laten verdrinken, stampen, klappen, schieten, verpletteren, gooien.
Bij elk woord vraag ik naar de ervaring die erbij hoort.
Wat was het voor beestje.
Hoe deed je het precies?

Ufuk vertelt dat hij een hommel in zijn hand dood maakte.
Hij laat zien hoe hij zijn hand dicht kneep.
Ik vraag wat hij met zijn hand deed waardoor die hommel dood ging.
Ufuk zegt dat hij ging persen.
Een ander kind zegt "knijpen".
Ik vraag wat het verschil tussen persen en knijpen is.
Volgens Erik gaat persen veel harder dan knijpen.
"Bij persen komt echt al het bloed eruit".
Ik wil een paar keer stoppen met de lijst op het bord, maar de kinderen gaan maar door met woorden roepen.
Ik probeer zoveel mogelijk woorden op te schrijven.
Als ze volgens mij genoeg geschreeuwd hebben, stop ik met schrijven
en vraag ik aandacht voor de laatste zin.

Lucie Visch