startpagina

register
trefwoorden


index
literatuur


bekijk
foto's, werk


lees ook:

museumlessen

De essentie

Lesopzet

Bert Schierbeek

Levende dieren
museum


Museumlessen voor groep één

Wat doen die kleuters in een museum?

Dat meisje ziet er uit als een prinses
Het is geen prinses
Prinsessen hebben lange haren
Dit meisje heeft een mutsje op
Zitten er meisjes met lange haren in deze klas?
Ja, hoor, maar dat zijn ook geen prinsessen
Zijn er meisjes met lange haren en een mutsje op school?
Ja, hoor
Zou dat meisje met het mutsje op dat schilderij een prinses kunnen zijn???

(gesprek bij een reproductie "Het meisje met de dode vogel" begin 16de eeuw)

Kunstplekken voor kinderen
In het algemeen zijn museumlessen, en zeker die met museumbegeleiders gegeven worden, bestemd voor de bovenbouw.
Er wordt daarbij van uitgegaan dat de algemene musea niet ingericht zijn op het niveau van zeer jonge kinderen.
Ik ga uit van het standpunt dat in de omgeving van jonge kinderen vele plekken zijn die niet voor hen bestemd zijn, maar waar de kinderen desalniettemin mee in aanraking zullen komen en moeten komen.
Het is een vreemde gedachte dat een pretpark er is voor kinderen en een museum er is om kunst te conserveren voor volwassen kunstliefhebbers.

Als musea educatieve kinderafdelingen inrichten is dat een goede stap
voorwaarts, toch zijn die afdelingen in het algemeen niet berekend op het ontvangen van zeer jonge kinderen.
Onze kinderen gaan naar veel plaatsen, dierenwinkels in de buurt, het postkantoor, de kinderboerderij en zo meer.
Plekken met kunst en musea horen daar ook bij.

Taalvorming en kunstzinnige vorming beginnen al in de peutergroep

De groei van de woordenschat van jonge kinderen is sterk afhankelijk van de omgeving waarin ze zich bewegen, van de dingen die ze daar zien en horen, van de activiteiten die ze daar ondernemen.
Het blijkt dat de talige omgeving zoals die in het klaslokaal aangeboden wordt, daarvoor niet toereikend is, we moeten daarvoor de school uit.
Gelijktijdig met kunst en taal bezig te zijn vraagt een bijzondere aandacht voor beide activiteiten.
Om dit samengaan dan ook nog te situeren in de kleuterbouw is nog meer bijzonder, hoewel het in principe gewoon zou moeten zijn.

Daar bovenop komt nog het feit dat de ouders van de meeste kinderen in onze klas een andere moedertaal dan het Nederlands spreken.

Iedere activiteit heeft een eigen doelstelling en aanpak en het is goed ons te realiseren dat die verschillende doelen niet zonder meer in één thematisch project gestopt kunnen worden. Het maken van schilderijen, het kijken naar kunst en het vertellen bij taaltekeningen zijn verschillende dingen. Goed leren kijken en durven vertellen wat je ziet is het belangrijkste.

Als ik de kinderen vraag in welke museums ze geweest zijn blijkt dat er slechts eentje ooit in het Scheepvaart museum was.
Een ander wel eens in het Rijksmuseum, en eentje in een museum in Egypte.

De kinderen uit de Amsterdamse Pijp gaan zelden naar een museum.
In een museum zijn oude dingen: oude boten, oude schilderijen en oude stoelen.

Een excursie naar een museum is voor de kleuters in de eerste plaats een spannende tocht naar een voor hen onbekende plek.
Met z'n allen in de tram. Dan met de roltrap naar de nieuwe vleugel van het Van Goghmuseum, lopen door grote kamers met oude dingen en grote schilderijen.
De kinderen kunnen dit allemaal in dit project doen.

De voorbereidende les
Omdat er veel ouders mee gaan naar het museum en omdat we graag willen dat de ouders ook meedoen met de activiteiten, hebben we hen gevraagd om ook bij de voorbereidende les mee te doen.
Zo zien ze meteen hoe het er in de klas toegaat en herkennen ze de verhalen die de kinderen thuis vertellen beter.

We zullen naar het Van Goghmuseum gaan, waar een tentoonstelling met het thema “Licht” is.

In de kring:
Iedereen zit in de kring, ook de ouders.
Ze zijn allemaal in een ander land geboren. Er is maar één vader, een Chinese, bij.
De moeders houden hun jas nog maar aan, dan kunnen ze meteen weg, er is thuis nog meer te doen.
Toch blijven ze tot het eind.
De andere moeders, die volgende week meegaan, werken en moeten dan een snipperdag opnemen. De ouders die zich opgegeven hebben zijn nog nooit in een museum geweest.
Het blijft stil.

Het kunstkaartenspel:
Alle kinderen en alle grote mensen krijgen een ansichtkaart.
Het zijn voor een gedeelte reproducties van kunstwerken uit musea.
De kinderen bekijken de kaart en kijken vragend naar mij?
wat moeten we met die kaart?
“Wat is er op die kaart te zien?”
“Een fles en een glas”
Kijk eens goed wat nog meer?”,
“Een tafel en een stoel”. “Buiten lopen mensen”.
“Welke twee kaarten passen goed bij elkaar?”
“Die met die man die in het gras ligt, die man is nat, en die kaart van het strand, de mannen met die grote blauwe bal zijn ook nat”.

Als iedereen twee kaarten heeft, vertellen de kinderen over de twee kaarten.
Het zijn soms ingewikkelde verhalen die met zachte stemmetjes verteld worden.

De grote mensen moeten veel moeite doen alles te begrijpen, maar als je de twee kaarten ziet lukt het wel.
Het gaat over woeste paarden die kruimeltjes onder hun hoeven hebben.
Over een prinses die geen prinses kan zijn omdat ze geen lange haren heeft.
Over de gans die achter op de brommer meegenomen wordt en de eend die stilletjes in een vijver zwemt.
Over vlinders met mooie kleuren en bloemen die op vlinders lijken.

Een stukje van iets:
Ik hou een blad papier met een vierkant gat erin voor mijn oog en knipoog naar de klas. “Een oog” brult iedereen.
Dan hou ik het bij het oor van Mike en daarna de vlecht van Faicha. “Een oor, een staart”.

Daarna komen dingen aan de beurt: een stukje van de schaar, een dobbelsteen, een horloge, een haarclipje.
De kinderen zijn geďnteresseerd.
Stukjes van iets zijn soms leuker om te bekijken dan het hele ding.
Ik geef alle kinderen zo’n papieren raampje, een potlood en een blad papier met een kader erop.
De kinderen gaan iets te zoeken dat ze door het raampje kunnen bekijken en het dan in het vakje te tekenen.
De plastic dieren uit de bouwhoek, spullen uit de huishoek, iets uit de kast.

Bijschrijven:
Als de tekening klaar is gaan de grote mensen er bij schrijven wat er over te vertellen is. Snel leg ik de ouders uit wat de bedoeling is.
Het mogen geen teksten worden zoals: “hier heb ik een bloem getekend”
want dat kun je wel zien.
Doorvragen is het beste.
Van wie is die bloem en wat gebeurt er mee?

Mijn vader heeft een bloem gehaald. Die moest in een blauwe vaas want de baby huilde. Het naveltje van mijn broertje moest er af (Achraf)

Op de voorleesstoel:
De kinderen zitten op de voorleesstoel, dat is de draaistoel van de juf in de hoogste stand gezet.
Ik ga er op een klein stoeltje naast zitten en samen komen we stukje bij beetje bij het verhaal dat bij de tekening hoort.

Als het tijd is, dan pas moet ik misschien iets. Als je aan het knopje draait en het is zeven uur, dan moet je slapen (vertelt Baris)

Les 2 naar het museum
Even opwarmen
De kinderen komen binnen, de ouders ook. Er zijn nu veel ouders.
We kunnen pas om half tien naar het museum.

We vertellen over de tekeningen en verhalen van de vorige keer.
Over een meneer die zijn deur uit gaat om zijn fiets te pakken.
De kinderen zien heel goed het verschil tussen naar buiten gaan en thuis komen.
We praten over brillen die je opzet en wanneer je dat doet. Kijk je met een zonnebril naar een film met veel licht? Of met een zwembrilletje naar een film met veel water:
Als er zon is moet je door een bril kijken. Als ik naar de tv ga kijken moet ik ook een bril op mijn oog”(Hajar)

We praten over bloemen en de grond waarin ze groeien.
Die grond zit soms in een pot en soms in het park. Bloemen staan wel eens in een vaas en soms in een emmer bij de bloemenstal.
Ik had een bloem. Hij groeit in het midden omdat hij veel water gedronken had. (Nouhad).

Met de ouders spreek ik af wat hun taken in en naar het museum zijn.
Dat ik het leuk zou vinden als ze ook bij de tekeningen van de kinderen bijschrijven.
Dat het goed is als ze zich niet uitsluitend met hun eigen kind bezig houden.

Dan gaan alle kinderen naar de wc, trekken hun jasjes aan en kunnen we op weg.
Midden op het museumplein kijken we met z’n allen in het rond.
Welk gebouw zou het Van Goghmuseum zijn?
We zien erg veel. De kinderen denken dat het Concertgebouw ook wel een museum zou kunnen zijn, want het lijkt veel op het Rijksmuseum en het Stedelijk Museum.

In het museum
De kassajuffrouw niet gewend om zoveel ouders bij evenveel kleuters toe te laten.
Er zijn regels hoeveel begeleiders er gratis mee naar binnen mogen.
Toch mag iedereen mee.
We krijgen een lange sliert gratis toegangskaartjes en de kinderen geven die aan de toegangsbewaker.

Dan mogen alle jasjes in een bagagekar en kunnen we met de roltrap naar de nieuwe vleugel waar de tentoonstelling “Licht” ingericht is.

De kinderen krijgen allemaal een onderlegger, een kijkraampje, papier met kader en een pen van mij.
Dit materiaal kennen ze al van de eerste les, ze weten al wat ze er mee moeten doen.

Opnieuw de ansichtkaarten
Behalve het materiaal deel ik ook de ansichtkaarten van het ‘kunstkaartenspel’ uit. Ik verwacht dat de kinderen op hun rondgang door de tentoonstelling dingen zullen zien die bij hun kaart passen.
Het is zelfs mogelijk dat ze het schilderij dat op hun kaart staat in het echt zullen aantreffen. En dat gebeurt ook.

Kijken naar kunst
De eerste afdeling is een diapresentatie van een bekende straat in Amsterdam met een verlichting uit verschillende tijden, van 1750-1900. Kaarslicht, gaslicht, booglicht en moderne straatverlichting wisselen elkaar af.

Er hangt een echte gaslamp te flakkeren.
De kinderen vinden dat het een kaars is.
Zijn er soms ook andere soorten lichtjes te zien? De tl buizen, de kleine lampjes in het plafond van het museum en de lampjes in het levensgrote woord “Licht” worden opgespoord.
Er is ook geluid bij.
Ze horen oude en nieuwe trams, maar ook vliegtuigen voorbij komen.

Bij de schilderijen en voorwerpen vraag ik de kinderen op de grond te gaan zitten en de ouders zich daar achter op te stellen. Het kost me veel moeite om de moeders stil te krijgen en de kinderen aan het woord te laten.

We bekijken de schilderijen van vulkaanuitbarstingen, vuurwerkexplosies en stadsbranden uit het verleden.
Wat zie je door je papieren 'raampje'?
Bij de vulkaanuitbarsting: I
k zag brand en veel mannen en ze waren bang. Ze gingen rennen, die mannen zeiden we hoeven niet met jullie mee

We bekijken De 'aardappeleters’ en de gaslamp die boven de tafel hangt.
De kinderen hebben het over ‘de aardappelkokers’ ze ontdekken dat die ook koffie drinken. Samen aardappels schillen en ze drinken koffie. Er is een lamp en een klok bij

De rest van de groep gaat dan weer verder.
We bekijken de vitrines met oude gaslampen. Af en toe worden er relatie gelegd tussen de ansichtkaarten en de tentoonstelling.

Dan treft Natacha het schilderij ‘de zaaier’ aan, het is ‘haar’ schilderij, ze heeft de reproductie ervan in haar hand.
We praten over wat we zien.
Een kromme boom, een man met een tas en de zon. Of is het de maan?
De kinderen weten het niet zo goed want het is wel een beetje donker op het schilderij.
Wat zou die man in zijn tas hebben en wat doet hij daar?
De kinderen veronderstellen dat er water in zijn tas zit en denken dat de in blauwe kleuren geschilderde akker water voorstelt, vandaar.

Natacha tekent wat ze op het schilderij ziet en ik schrijf er bij wat ze vertelt:
dat mannetje gaat graankorreltjes op de grond gooien. Er zitten blaadjes aan de boom

Veel teksten van de kinderen gaan over blaadjes aan bomen en over bloemen.
Ze zijn geinteresseerd in hoe dingen groeien.

Dan gebeurt er iets ergs.
We zitten allemaal in het midden van een grote zaal met schilderijen.
Een van de kinderen is ongeduldig als hij op zijn beurt moet wachten om bijgeschreven te worden. Hij zwaait driftig met zijn viltstift en ineens spatten er zwarte inktdruppels uit, op het glimmende parket.

De vlek gaat niet weg.
Met angst en beven bedenk ik wat er zou gebeuren als die spetters op de Aardappeleters terecht gekomen zouden zijn.
“Kleuters veroorzaken een nationale ramp in het museum” .

Musea zijn nog niet helemaal tegen kleuters bestand.
Ze bewegen meer dan Japanse toeristen en maken daarbij meer geluid en spatten met inkt, als ze enthousiast zijn over iets dat ze zien.
Ik haal de pennen en de werkstukken op.
Gelukkig is de zaalwacht niet boos. De vloer kan wel weer schoon gemaakt worden.

Les 3 Afronding (op school)
Een museumcatalogus als prentenboek
We bekijken samen de prachtige reproducties.
De kinderen herkennen de schilderijen en voorwerpen die ze in het museum gezien hebben.
We hebben daar gesprekjes over.
Af en toe haal ik een tekening, die in het museum gemaakt is, erbij en lees de tekst voor.

Er is gelegenheid wat dieper op de platen in te gaan.
Hoeveel mensen zijn er eigenlijk op het schilderij ‘de aardappeleters’ en wat voor mensen zijn dat?
“twee mannen, twee vrouwen en een meisje” .
Ik vraag bij het schilderij ‘de stoel van Gauguin’ naar de soorten stoelen die ze kennen: “draaistoel, gewone stoel, ligstoel, paddenstoel”

Nog een keer tekenen
Bedenk welke lampjes en lichtjes er allemaal zijn.
Er zijn lampjes aan je fiets en lampjes bij je bed die je zelf aan en uit doet, kaarsjes en zwaailichten.
Kies er eentje uit om te tekenen.
We schrijven er weer bij.

Er was een brandweer en een politieauto, want er was brand. Ze reden naar de andere polities toe met lampen die aan en uit gingen en met de sirene. (Dennis)

Er gebeurt vuurwerk. Het vuurwerk ging uit de berg. Ze gingen allemaal wegrennen naar hun huisje toe. Toen gingen ze uit het raam kijken of het vuurwerk afgelopen was. (Jill)

Ik ging naar huis, het was donker. Ik pakte een kaars, hij lag op de grond. Toen kon ik met de kaars in mijn hand kijken wat boven is en beneden. Ik mag van mijn moeder de kaars mee naar huis nemen. (Baris)

Ik heb de maan getekend. De maan doet niks. Er is sneeuw op de maan. Ik ben nooit op de maan geweest. (Ouassim)

Faicha weet nog van de verhalen die over de prinses gingen. ze tekende de koning en de prinses en vertelde:

De rode steen van de prinses was weg. De uil had het gezien. De prinses pakte de lamp, heel hoog op het trappetje. Toen zei de koning: gelukkig was de steen niet weg. De prinses kon hem zien met de lamp.

Nog een keer voorlezen
De kinderen komen terug van buiten spelen en laten hun koude handjes en wangen voelen. Ik vraag of er soms licht op het schoolplein was.
“Er was wel licht, maar dat kwam van de wolken”
Er was dus geen zon, maar het was ook niet donker.
Als het donker is zie je de lichtjes achter de ramen van de huizen.

Toen de kinderen buiten speelden hebben we de teksten op mooi geel papier gekopieerd en de tekeningen erbij geplakt.
Nu zien de tekeningen eruit alsof ze in een passe-partout zitten.
Ze kunnen zo het museum in.



© Henk van Faassen

met dank aan de kinderen en de leerkrachten van Basisschool de Avonturijn in Amsterdam.

uitgebreide beschrijving museumlessen: archief

meer over museumlessen