startpagina

register
trefwoorden


index
literatuur


bekijk
foto's, werk


lees ook:

museumlessen

De essentie

Bert Schierbeek

Kleuters
in het museum

Levende dieren
museum


Lesopzet
Taalvorming in het museum

De Praktijk van Taal-Museumlessen

De voorbereiding
Het is noodzakelijk om het museum en de tentoonstelling die op dat moment ingericht is van tevoren zelf te verkennen.
Je doet ideeën op en je weet welke zalen het meest geschikt zijn voor je lessen.
Je kondigt je bezoek bij het museum aan en maakt afspraken over de manier waarop je de lessen zelf geeft, de kosten en dergelijke.
De meeste musea zijn er op ingesteld dat een medewerker van de educatieve dienst de rondleiding verzorgt en men beschouwt een groep die het zelf doet als een 'wilde groep'. Schaf documentatie over de tentoonstelling aan en koop een aantal ansichtkaarten.

De omvang
De taal-museumlessen worden in drie delen gegeven.
De eerste les is de introductie die in de klas gegeven wordt.
De tweede les is het museumbezoek en de derde is een afronding op school.
Daarna volgt de presentatie in de vorm van een tentoonstelling met uitleg aan de andere groepen.

Les 1

Stap 1(op school)
Begrippen verzamelen
De kinderen verzamelen woorden die met het onderwerp van de museumlessen te maken hebben. Dat thema kan heel ruim zijn, bijvoorbeeld 'kunst' , maar ook bijvoorbeeld 'licht' of 'beweging' als dat het thema van een tentoonstelling is.

Rubriceren
De verzamelde woorden worden in rubrieken ondergebracht. De rubricering heeft een associatief element, dat wil zeggen dat de leerkracht niet bepaalt welk woord in welke rubriek komt. Deze activiteit heeft een iets andere doelstelling dan het maken van een woordveld, alhoewel het er veel op lijkt.

Stap 2
Kaartspel
Maak een ruime collectie ansichtkaarten.
De kaarten kennen twee categorieën, onderwerpen die direct met het te bezoeken museum te maken hebben, schilderijen, beeldhouwwerken en voorwerpen die de kinderen daar kunnen aantreffen.
De tweede categorie zijn kaarten met algemene onderwerpen zoals dieren, landschappen, voertuigen, gebruiksvoorwerpen, mensen die ergens mee bezig zijn et cetera.

Spelregels
De kinderen zitten in de kring. Ieder kind krijgt drie ansichtkaarten.
Iedere keer als je "doorgeven" zegt geven de kinderen één van de drie kaarten aan de linker buur.
Het is de bedoeling dat de kinderen aan het eind van het spel twee kaarten overhouden.
De opdracht is dat de twee kaarten een associatieve relatie met elkaar hebben.
Dat kan zijn dat ze onderwerpen hebben die bij elkaar passen, of juist met elkaar contrasteren. Leg dat verschil eerst aan de kinderen uit en geef er voorbeelden bij.

Verwoorden
In plaats van de kaarten aan elkaar te tonen vraag je de kinderen over hun keuze te vertellen. Ze moeten daarbij complete zinnen gebruiken.
De zinnen mogen niet beginnen met: "op deze kaart zie ik…."
Het moeten beschouwingen zijn in plaats van beschrijvingen.
Leg eerst het verschil uit.

Vragen stellen
De kinderen stellen elkaar vragen naar aanleiding van de verhalen, ze gaan in op de inhoud van het verhaal. De vragen van de één kan een ander gebruiken om zijn verhaal duidelijker te vertellen.

Stap 3
Schrijven vanuit het midden
Vraag de kinderen één regel uit het vertelde verhaal te kiezen en dat in het midden van een bladzijde van hun taalschrift te schrijven.
Vervolgens schrijven ze er een tweetal regels boven en een viertal er onder.
Het moet wel een aansluitend geheel worden.
Geef bij de regels aan waarover de kinderen schrijven.
Bijvoorbeeld de eerste twee regels gaan over de plek, en de laatste vier over de gebeurtenis die te maken heeft met de regel in het midden.
Het aantal regels is natuurlijk wel facultatief, maar het kan geen kwaad in het begin een beperking in te stellen om niet ter zake doende uitwijdingen te voorkomen.

Voorlezen
De kinderen lezen bij toerbeurt hun tekst voor. Ik gebruik daarbij het liefst een 'voorleesstoel' voor de klas. De teksten worden zonder commentaar van de groep of de leerkracht voorgelezen. De activiteit moet 'veilig' zijn. In dit stadium blijven correcties en dergelijke achterwege

Stap 4
Beelden selecteren met een 'raampje'
Deel een aantal grote, uit tijdschriften geknipte, kleurenfoto's uit.
Het zijn gevarieerde onderwerpen die niet specifiek met kunst, of het onderwerp van de tentoonstelling, te maken hebben.
Daarbij krijgen de kinderen een A4tje waar in het midden een venstertje van ongeveer 5 x 5 cm. uitgesneden is.
Met behulp van dat 'raampje' kiezen de kinderen een stukje uit de foto.
Het geselecteerde detail tekenen ze drie keer zo groot op een A4tje waarop een kader van 14 x 14 cm afgedrukt is.

Stap 5
Zinnen selecteren
Deel een aantal gedichtenbundels uit.
Vraag de kinderen één regel uit een van de gedichten te kiezen.
Die regel schrijven de kinderen in het midden van een lege bladzijde van hun schrift.
Daarna schrijven de kinderen één of meer regels erboven en twee of meer eronder.
De tekst moet weer één geheel worden.
Omdat vreemde zinsconstructies te verwachten zijn kan het geen kwaad deze activiteit op het bord te oefenen.

Stap 6
Tekst en beeld bij elkaar
De vorige twee stappen dienden als voorbereiding op deze stap.
De kinderen nemen een tekst uit hun schrift.
Dat kan zijn een tekst die in stap 3 of in stap 5 geschreven is.
Ze zoeken uit de fotocollectie en behulp van het 'raampje' een detail dat aansluit bij die tekst. Het is de bedoeling dat het beeld iets toevoegt aan de tekst.
Ze tekenen dat detail weer vergroot op een A4 met kader zoals hierboven beschreven is.

Beeld en tekst bij elkaar
De kinderen nemen de tekening die ze in stap 5 gemaakt hebben voor zich.
In de dichtbundels zoeken ze een regel die aansluit op de tekening.
Dat is weer een associatieve relatie, leg dit even uit.
Op de manier die de kinderen inmiddels kennen, schrijven ze hun eigen regels erboven en eronder.

Stap 7
Voorlezen en laten zien
De kinderen lezen hun teksten voor en tonen hun tekeningen. In dit stadium is het op beperkte schaal mogelijk een enkele inhoudelijke vraag over tekst en tekening te laten stellen.

Stap 8
Teksten verbeteren als ze klaar zijn
De teksten worden besproken met behulp van 'sprekersblokjes'.
Gekleurde blokjes geven aan wie van een tafelgroep de leiding van de bespreking heeft.
Een eerste tekst, gekozen door de leerkracht, wordt op het bord geschreven.
Ieder tafelgroepje beschouwt de tekst op de volgende drie criteria:

a) is de tekst duidelijk of moeten we er iets over vragen aan de schrijver.
b) zijn er zinnen waarbij de woorden beter in een andere volgorde kunnen?
c) zijn er woorden die je anders kunt schrijven?

De 'spreker' verzamelt de opmerkingen uit zijn groepje en streept op het bord, met het kleurtje van zijn sprekersblokje aan, waar iets anders kan.
De voorstellen voor veranderingen van alle groepjes worden centraal besproken.
De schrijver van de tekst bepaalt zelf welke veranderingen hij overneemt en welke niet.
De leerkracht doet pas aan het einde van de activiteit, en met mate, voorstellen voor veranderingen.

Let wel, de voorstellen van de leerkracht hebben 'overmacht' en worden door de kinderen kritiekloos overgenomen. Het is in deze activiteit juist de bedoeling dat de kinderen voorgestelde veranderingen van elkaar accepteren.

Let erop dat de teksten die uit de dichtbundels gekozen zijn niet veranderd worden, ook al 'knellen' die regels soms. Probeer de kinderen hun regels te laten aanpassen aan de dichter en niet andersom.

Stap 9
Alles in het net
De teksten worden met behulp van een gelinieerd vel, dat onder het blanco vel gelegd wordt, en een zwarte 'fineliner' in het net geschreven.
Dat kan meteen onder de bijbehorende tekening.
Nog mooier is het als de tekst eerst onder een leeg kader geschreven, en daarna op getint papier gekopieerd wordt.
De tekening wordt vervolgens uitgenipt en opgeplakt.
Er ontstaat een mooi contrast tussen de tekening met een witte achtergrond en de tekst op gekleurd papier.

Les 2

Stap 1
(in het museum)
Algemene introductie
De kinderen krijgen uitleg in welk gebouw ze zijn, wat voor een museum het is, waar de speciale tentoonstelling over gaat. Hoe de gedragsregels in het museum zijn.
De kinderen ontvangen het materiaal dat ze in het museum nodig hebben.

Stap 2
Inleiding tot het onderwerp
Aan de hand van de eerste kunstwerken in de eerste zaal is het mogelijk in globale zin iets over de tentoonstelling te vertellen.
Die inleiding hou je zeer beperkt omdat de kinderen popelen om zelf aan de slag te gaan.
Voor ieder kind, of voor een tweetal, wijs je een een plekje op de tentoonstelling aan.

Pas wanneer die plek uitputtend ontdekt is mogen de kinderen een andere zaal verkennen.
Dat is om te voorkomen dat ze in de eerste fase van de les al rond gaan rennen en zo veel indrukken opdoen dat ze eigenlijk helemaal niet kunnen kiezen voor wat ze willen bestuderen.

Stap 3
Details verzamelen
De kinderen krijgen ieder één kaart uit het 'kunstkaartspel' (zie les 1 stap 2)
In dit geval zijn het kaarten waarvan je kunt verwachten dat de kinderen een associatie met een kunstwerk in het museum kunnen maken.
Er zijn ook reproducties bij van kunstwerken die ze in werkelijkheid kunnen aantreffen.
De leerkracht heeft vooraf de kaarten daarop geselecteerd. De opdracht is om een kunstwerk te zoeken dat past bij de kaart die je krijgt.

Op de manier waarop de kinderen in de eerste les (zie: les 1 stap 4) geleerd hebben om naar details te kijken, doen ze dat nu met de schilderijen en voorwerpen in het museum.

Leg uit dat ze natuurlijk niet hun 'raampje' op het schilderij kunnen leggen, maar dat ze er met gestrekte arm doorheen moeten kijken. Hoe dichter je het venstertje bij je oog brengt, hoe groter het detail van het kunstwerk te zien is.

De kinderen tekenen het detail met twee viltstiften van een willekeurige kleur.
Daarmee voorkom je dat de kinderen reproducties gaan maken in plaats van visuele 'aantekeningen'.

Teksten verzamelen
In de eerste les (zie les 1 stap 5) verzamelen kinderen zinnen uit gedichtenbundels.
De teksten in het museum zijn meestal technische beschrijvingen van het geëxposeerde werk. In sommige gevallen zijn er ook teksten van andere aard te vinden. Citaten van uitspraken van kunstenaars, of complete gedichten en stukken proza.
Het is goed om de kinderen het verschil tussen die twee soorten teksten uit te leggen.
De kinderen schrijven zinnen die ze in het museum aantreffen op.

Stap 4
Uitwisselen
Zoek een rustig plekje in het museum waar de kinderen elkaar kunnen vertellen wat ze gezien hebben. De gemaakte 'taaltekeningen' worden getoond en de teksten voorgelezen.

In dit stadium kan de leerkracht herkennen waar de aandacht van de kinderen zich op gericht heeft. Het is mogelijk om dingen te verduidelijken en het werk van de kunstenaars te bespreken.

Stap 5
Op eigen gelegenheid
Nadat de kinderen even tot rust gekomen zijn en er uitgewisseld is kunnen ze op eigen gelegenheid de tentoonstelling nog een keer bekijken.
Bij de uitwisseling zijn een aantal dingen genoemd waarop ze nog eens kunnen letten.
Tijdens deze rondgang heb je de gelegenheid om in kleine groepjes over bepaalde kunstwerken te praten.

Les 3

Stap 1
(weer op school)
Rubriceren
In de kring lees je een regel van een tekst die de kinderen in het museum gevonden hebben. Veel kinderen herkennen hun regel pas als ze de bijbehorende illustratie zien. Hun visuele geheugen is beter ontwikkeld.
Als alle kinderen hun tekst hebben gaan we ze rubriceren met behulp van steekwoorden.

Filosofische definities
Als er genoeg gerubriceerd is gaan we dieper op de begrippen in.
De verschillen en de overeenkomsten tussen bepaalde observaties uit het museum.
De kinderen geven hun eigen gevoelsmatige definities van de dingen die ze gezien hebben.
Het is niet nodig hieraan leergesprekken te verbinden.
Op een ander tijdstip, en niet verbonden met de museumlessen, is er voldoende gelegenheid om hun kennis aan te vullen.

Stap 2
Technisch en persoonlijk schrijven
De zinnen die we meegebracht hebben uit het museum kunnen zeer technisch van aard zijn. Teksten waar veel uitgelegd wordt en waar jaartallen en zo in staan.
Vraag de kinderen om al die technische dingen in regel drie te plaatsen.
Daarboven kunnen ze een 'aanloopje' naar die technische verhandeling schrijven, maar daarna moet er ook een persoonlijke belevenis op volgen, of andersom natuurlijk.
(zie les 1, stap 3)

De zinnen kunnen ook persoonlijke ontboezemingen van een kunstenaar zijn.
Teksten bespreken als ze klaar zijn (zie les 1, stap 8)

Stap 3
Van taaltekening naar illustratie
In het museum hebben de kinderen zogenoemde taaltekeningen gemaakt.
Het zijn visuele aantekeningen.
Met behulp van de tijdschriftfoto's (zie les 1, stap 4) worden details aan de taaltekeningen toegevoegd.
Er wordt tevens meer aandacht geschonken aan de afwerking met vlak en arcering.
Er kunnen ook andere materialen zoals vetkrijt, ecoline en dergelijke gebruikt worden.
De teksten worden in het net geschreven en weer op getint papier gekopieerd.
De tekening uitgeknipt en er bij geplakt.

Laatste stap
Een tentoonstelling en een portfolio
De tekeningen en de teksten worden zorgvuldig op prikborden in een speciaal daarvoor ingericht 'schoolmuseum' opgehangen.
Rondleidingen voor de kinderen van andere groepen georganiseerd.

Na verloop van tijd wordt het werk in een showmap bijeengebracht.
Zo'n map bevat tevens de foto's van het museumbezoek, de toelichting van de leerkracht en dergelijke.
Deze map kan bij toerbeurt mee naar huis om aan ouders getoond te worden.
Hij dient ook om collega's de gelegenheid te geven de activiteit over te nemen.

Wat heb je bij Museumlessen nodig?


Voorbereiding en benodigde materialen
Gegevens over de te bezoeken tentoonstelling.
Deze kunnen meestal van de website van het desbetreffende museum gehaald worden.

Een collectie ansichtkaarten uit het museum:
reproducties van schilderijen, beeldhouwwerken en kunstvoorwerpen.
Een verzameling ansichtkaarten uit eigen bezit met verschillende onderwerpen: stadsgezichten, landschappen, voorwerpen, voertuigen, architectuur, mensen en hun bezigheden, mensen in uitheemse kledij, bloemen, dieren, sport, huishoudelijke onderwerpen, et cetera

Een verzameling kleurenfoto's geknipt uit tijdschriften. De foto's moeten minimaal 10 x 15 cm. zijn en mogen geen tekst bevatten.

Een aantal gedichtenbundels, minimaal één per tafelgroepje, liever meer exemplaren.
Het is ook mogelijk een collectie gedichten te kopiëren.
In dat geval moet een tafelgroepje van 5 kinderen minstens tien gedichten hebben om uit te kiezen.

Stevig, gekleurd, papier A4 met een daaruit gesneden venster van 5 x 5 cm.
Werkbladen A4 met kader van 14 x 14 cm.
Schriften, Potloden of balpennen, Fine liners, Gekleurde viltstiften, (of een ander beeldend materiaal naar keuze)
Sprekersblokjes.
Prikborden of een vrijgemaakte wand in de hal.
Ringband met insteekmappen

Henk van Faassen

Met dank aan de kinderen en hun leerkrachten van Basisschool De Avonturijn in Amsterdam

een uitgebreide beschrijving: archief

meer over museumlessen