startpagina

register
trefwoorden


index
literatuur


bekijk
foto's, werk


lees ook:

museumlessen

Lesopzet

Bert Schierbeek

Kleuters
in het museum

Levende dieren
museum

 

De essentie van museumbezoek
Museumlessen op de basisschool

Beter leren kijken is van fundamenteel belang voor wat kinderen kunnen opsteken in een museum.
De beste manier van museumbezoek gaat, in mijn opvatting, uit van wat kinderen daarover schrijven en de taaltekeningen die ze daarbij maken. Ze leren op die manier verbanden te leggen tussen hun eigen teksten en tekeningen en die van professionele kunstenaars.
Het zal een effectieve manier blijken te zijn om kinderen bij kunst te betrekken.

Kinderen leren lezen en schrijven; zij leren decoderen. Ze leren stukje bij beetje te ontrafelen wat zij zien. Dit vermogen hebben ze nodig om toegang te krijgen tot de inhoud van een tekst van een kinderboekenschrijver of een schilderij en een beeld in een museum.
Zelfs bij een bezoek aan een dierenmuseum, zoals Artis, moeten kinderen selectief en associatief kunnen observeren.

De essentie van Taalvorming
Taalvorming ontwikkelt de taalvaardigheid van kinderen met behulp van middelen en uitingen van de kunsten.
Uitgangspunt en doel zijn de expressieve en creatieve vermogens van kinderen.
Daarnaast is de ontwikkeling van receptieve capaciteiten ten aanzien van cultuuruitingen van belang.
En niet in de laatste plaats gaat het bij taalvorming om het bevorderen van het eigen plezier in het gebruiken van taal en het ontwikkelen van een goede smaak en een esthetisch gevoel. Dit alles bij elkaar is een goede reden om een verbinding te leggen tussen taalvorming en de museumlessen.

Bij taalvorming vorming wordt taal gezien als een middel waarmee je kunt uitdrukken wat je waarneemt, wat je meemaakt, wat je beweegt en beroert, wat je voelt en wat je wilt. Door taal zo te gebruiken ontwikkelen kinderen hun taalvaardigheid. Ze leren beter praten, ze leren beter schrijven en ze leren beter kijken.

Het moeilijkste voor de leerkrachten bij het werken met taalvorming in een museum is, om de kinderen te vragen naar hun eigen ervaringen, in plaats van naar de kennis van feiten over de collectie, de kunstenaars en hun gebruikte technieken.
De meeste museumlessen zijn gebaseerd op kunsthistorische feitenkennis of op wereldoriëntatie en verwaarlozen het ongeremde genieten van alle visuele indrukken, in of buiten een museum.

Hoe kunnen museumlessen er uitzien?
Als ik er van uitga dat kunst een communicatieve functie in de samenleving heeft is het niet vreemd om een museumles in de eerste plaats als een taalles te beschouwen.
Het is wel een bijzondere taal die in museumcollecties gebruikt wordt. Het is dan ook taalles met een bijzondere structuur en een bijzondere opbouw. Dat moet ook wel want de kinderen komen in musea in aanraking met meer en andere zogenoemde talige uitingen dan die ze kennen als ze op school leren lezen en schrijven.

Leren omgaan met de eigen beeldtaal en verbeeldingskracht, en die van anderen, zijn de belangrijkste leerdoelen.
Daarnaast zijn de kunsthistorische feiten en wetenschappelijke gegevens van belang.
Het is echter zaak de affectieve en de cognitieve ontwikkeling van kinderen uit elkaar te houden, ondanks het feit dat er sprake is van een relatie tussen die twee domeinen.
De opbouw van de museumlessen vanuit taalvorming is expliciet gericht op de affectieve kant van het leren van kinderen.
De cognitieve kant komt, zoals uit de lesbeschrijvingen blijkt, impliciet eveneens aan de orde.

Taal in een museum
Onze kinderen maken kennis met beeldende kunst in musea en zijn tegelijkertijd met de vorming van hun taal bezig.
Dat vraagt een bijzondere aandacht voor beide activiteiten.
Het is niet vanzelfsprekend dat als kinderen op excursie naar een museum geweest zijn en daarover een verslag schrijven ze ook aan taalvorming gewerkt hebben.

Iedere activiteit heeft een eigen doelstelling en aanpak en het is goed ons te realiseren dat die verschillende doelen niet zonder meer in één thematisch project gestopt kunnen worden. Het is de bedoeling dat museumlessen en taalvorming op een natuurlijke manier op elkaar aansluiten.
Het maken van schilderijen en het beschouwen van kunst zijn verschillende dingen.
Het beschrijven van een schilderij is iets anders dan het weergeven van een ervaring. Schrijven over wat je beleeft als je schilderijen bekijkt is weer iets anders dan zelf een tekening maken en er een tekst bij schrijven.
Lezen wat een dichter met bijzondere woorden opschrijft is iets anders dan het lezen van de ervaringsteksten die de kinderen schrijven.
De wederzijdse inspiratie van dichters, schrijvers en beeldend kunstenaars biedt, zowel op het gebied van taalvorming als van beeldende vorming, talloze mogelijkheden voor het onderwijs.

Onze kinderen maken kennis met het gegeven dat verschillende kunstdisciplines niet los van elkaar hoeven te staan. Ze zien dat beeldend kunstenaars inspiratie kunnen vinden in het werk van een dichter of een schrijver en dat deze op zijn beurt geïnspireerd kan raken door hun beeldende kunst.
De kinderen kunnen ervaren hoe het is om zelf geïnspireerd te raken door het werk van een ander en woorden om te zetten in beelden of beelden om te zetten in woorden.

De Doelen van Taalvorming in een Museum

De dialoog tussen beeld en taal
Doel: een affectieve ontwikkeling bij kinderen gericht op herkennen en gebruiken van beeldende taal.

Begrip voor kunst
Doel: herkennen en waarderen van kunstzinnige producten.

Begrip voor taalgebruik
Doel: de kinderen leren dat taal op verschillende manieren ontstaat en gebruikt wordt.

Beeldende elementen
Doel: het herkennen en gebruiken van beeldende elementen.

Woordenschatontwikkeling
Doel: uitbreiding van de woordenschat.

Begrippen
Doel: inzicht ontwikkelen in de verschillende kunstdisciplines.

Verwoorden
Doel: in woorden voor anderen weergeven wat je ziet.

Inspiratie opdoen
Doel: kinderen naar plekken brengen waar ze andere ervaringen opdoen dan thuis, op straat en op school.

Vragen stellen
Doel: uitwisselen van kennis en ervaringen.

Een beeld selecteren
Doel: dieper ingaan op een afbeelding door er een stukje uit te nemen.

Tekst selecteren
Doel: waardering ontwikkelen voor de woordkeus van anderen.

Teksten bespreken en herschrijven
Doel: in een groepsproces aandacht geven aan inhoud en spelling van een tekst.

Teksten vergelijken
Doel: inzicht in de verschillende manieren waarop schrijvers schrijven.

Taalbeschouwing
Doel: inzicht ontwikkelen voor de betekenis van woorden.

Voorlezen
Doel: presentatie van eigen teksten

Introductie van de kunstenaars op de tentoonstelling
Doel: De kinderen een eerste overzicht te geven van museumcollectie.

Sociale vaardigheden
Doel: ontwikkelen van het vermogen van kinderen om samen te werken.

Efficiëntie:
Veel tijd gaat verloren bij het uitvoeren van onbenullige handelingen: een schrift dicht slaan en opbergen kost de groep soms tien minuten.

Sociale opstelling:
Een groep kan soms onrustig zijn. Er zijn soms onderlinge conflicten.
Er wordt door sommige kinderen overdreven op elkaar gelet en luidruchtig over elkaar geklaagd.

De Opbouw van de Museumlessen

De voorbereiding
Het is noodzakelijk om het museum en de tentoonstelling die op dat moment ingericht is van tevoren zelf te verkennen. Je doet ideeën op en je weet welke zalen het meest geschikt zijn voor je lessen.

De omvang
De museumlessen worden in drie delen gegeven.
Ze beslaan per les in principe een dagdeel per week.

De eerste les is de introductie die in de klas gegeven wordt.
De tweede les is het museumbezoek
De derde is een afronding op school.
Daarna volgt de presentatie in de vorm van een tentoonstelling met uitleg aan de andere groepen.

Les 1

Stap 1(op school)
Begrippen verzamelen
De kinderen verzamelen woorden die met het onderwerp van de museumlessen te maken hebben. Dat thema kan heel ruim zijn, bijvoorbeeld 'kunst' , maar ook bijvoorbeeld 'licht' of 'beweging' als dat het thema van een tentoonstelling is.

Rubriceren
De verzamelde woorden worden in rubrieken ondergebracht.
De kinderen doen zelf voorstellen voor de titels van de rubrieken en de woorden die er in komen.
De rubricering heeft een associatief element, dat wil zeggen dat de leerkracht niet bepaalt welk woord in welke rubriek komt, zolang de kinderen een verklaring geven.
De inbreng van de leerkracht is het stellen van stimulerende vragen.
Deze activiteit heeft een iets andere doelstelling dan het maken van een woordveld, alhoewel het er veel op lijkt.

Stap 2
Kaartspel
Er is een ruime collectie ansichtkaarten.
De kaarten kennen twee categorieën, onderwerpen die direct met het te bezoeken museum te maken hebben, schilderijen, beeldhouwwerken en voorwerpen die de kinderen daar kunnen aantreffen.
De tweede categorie zijn kaarten met algemene onderwerpen zoals dieren, landschappen, voertuigen, gebruiksvoorwerpen, mensen die ergens mee bezig zijn et cetera.

Spelregels
De kinderen zitten in de kring. Ieder kind krijgt een kartonnen onderleggertje als tafeltje met daarop drie ansichtkaarten. Iedere keer als je "doorgeven" zegt geven de kinderen één van de drie kaarten aan de linker buur.
Je herhaalt het doorgeven een tiental keren of zoveel meer als leuk is.
Het is de bedoeling dat de kinderen aan het eind van het spel twee kaarten overhouden.
De overblijvende kaarten worden opgehaald.

De opdracht is dat de twee kaarten een associatieve relatie met elkaar hebben.
Dat kan zijn dat ze onderwerpen hebben die bij elkaar passen, of juist met elkaar contrasteren.
Leg dat verschil eerst aan de kinderen uit en geef er voorbeelden bij.

Verwoorden
In plaats van de kaarten aan elkaar te tonen vraag je de kinderen over hun keuze te vertellen. Ze moeten daarbij complete zinnen gebruiken.
De zinnen mogen niet beginnen met: "op deze kaart zie ik…."
Het moeten beschouwingen zijn in plaats van beschrijvingen.
Leg eerst het verschil uit.

Vragen stellen
De kinderen stellen elkaar vragen naar aanleiding van de verhalen.
Probeer te voorkomen dat de kinderen de bekende vraag stellen: "Waarom heb je die twee kaarten gekozen?", maar dat ze op de inhoud van het verhaal ingaan.
De vragen van de één kan een ander misschien gebruiken om zijn verhaal duidelijker te vertellen.

Stap 3
Schrijven vanuit het midden
Vraag de kinderen één regel uit het vertelde verhaal te kiezen en dat in het midden van een bladzijde van hun taalschrift te schrijven.
Vervolgens schrijven ze er een tweetal regels boven en een viertal er onder.
Het moet wel een aansluitend geheel worden.

Geef bij de regels aan waarover de kinderen schrijven.
Bijvoorbeeld de eerste twee regels gaan over de plek, en de laatste vier over de gebeurtenis die te maken heeft met de regel in het midden.

Het aantal regels is natuurlijk wel facultatief, maar het kan geen kwaad in het begin een beperking in te stellen om niet ter zake doende uitwijdingen te voorkomen.

Voorlezen
De kinderen lezen bij toerbeurt hun tekst voor.
Het beste is een 'voorleesstoel' voor de klas te gebruiken.
Daarmee is de aandacht duidelijk op de voorlezer gericht.
Het is ook mogelijk dat de voorlezer opstaat.

De teksten worden zonder commentaar van de groep of de leerkracht voorgelezen.
De activiteit moet 'veilig' zijn. In dit stadium blijven correcties en dergelijke achterwege. Slechts wanneer de tekst slecht verstaanbaar is moet die, op hoger volume, nogmaals voorgelezen worden.
Het is ook mogelijk dat de leerkracht af en toe een tekst voorleest als een kind dat wenst.

Stap 4
Beelden selecteren
Deel een aantal grote, uit tijdschriften geknipte, kleurenfoto's uit.
Het zijn gevarieerde onderwerpen die niet specifiek met kunst, of het onderwerp van de tentoonstelling, te maken hebben.
Daarbij krijgen de kinderen een A4tje waar in het midden een venstertje van ongeveer 5 x 5 cm. uitgesneden is.
Met behulp van dat 'raampje' kiezen de kinderen een stukje uit de foto.
Het geselecteerde detail tekenen ze drie keer zo groot op een A4tje waarop een kader van 14 x 14 cm afgedrukt is.

Drie beeldende technieken
Geef de kinderen drie mogelijkheden om hun tekening op te bouwen: vlak, lijn en arcering. Teken voorbeelden van een met lijnen opgebouwd onderwerp, van arceringen op verschillende manieren en met verschillende kleuren en van een effen kleurvlak als afsluitende achtergrond, op het bord.

Stap 5
Zinnen selecteren
Deel een aantal gedichtenbundels uit.
Vraag de kinderen één regel uit een van de gedichten te kiezen.
Dat kan een regel zijn die opvalt omdat je hem mooi vindt of juist dat het een rare zin is die je niet begrijpt.
Die regel schrijven de kinderen in het midden van een lege bladzijde van hun schrift.
Daarna schrijven de kinderen één of meer regels erboven en twee of meer eronder.
De tekst moet weer één geheel worden.
Omdat vreemde zinsconstructies te verwachten zijn kan het geen kwaad deze activiteit op het bord te oefenen.

Stap 6
Tekst en beeld bij elkaar
De vorige twee stappen dienden als voorbereiding op deze stap.

De kinderen nemen een tekst uit hun schrift.
Dat kan zijn een tekst die in stap 3 of in stap 5 geschreven is.
Ze zoeken uit de fotocollectie en behulp van het 'raampje' een detail dat aansluit bij die tekst. Het is de bedoeling dat het beeld iets toevoegt aan de tekst.
Ze tekenen dat detail weer vergroot op een A4 met kader zoals hierboven beschreven is.
De tekst zal later, als die besproken is, in het net onder die tekening geschreven worden.

Beeld en tekst bij elkaar
De kinderen nemen de tekening die ze in stap 5 gemaakt hebben voor zich. In de dichtbundels zoeken ze een regel die aansluit op de tekening.
Dat is weer een associatieve relatie, leg dit even uit.
Op de manier die de kinderen inmiddels kennen, schrijven ze hun eigen regels erboven en eronder.

Stap 7
Voorlezen en laten zien
De kinderen lezen hun teksten voor en tonen hun tekeningen.
In dit stadium is het op beperkte schaal mogelijk een enkele inhoudelijke vraag over tekst en tekening te laten stellen.

Stap 8
Teksten verbeteren als ze klaar zijn
De teksten worden besproken met behulp van 'sprekersblokjes'.
Gekleurde blokjes geven aan wie van een tafelgroep de leiding van de bespreking heeft.

Een eerste tekst, gekozen door de leerkracht, wordt op het bord geschreven.
Ieder tafelgroepje beschouwt de tekst op de volgende drie criteria:
a) is de tekst duidelijk of moeten we er iets over vragen aan de schrijver.
b) zijn er zinnen waarbij de woorden beter in een andere volgorde kunnen?
c) zijn er woorden die je anders kunt schrijven?

Stap 9
Alles in het net
De teksten worden met behulp van een gelinieerd vel, dat onder het blanco vel gelegd wordt, en een zwarte 'fineliner' in het net geschreven.
Dat kan meteen onder de bijbehorende tekening. (...)

Les 2

Stap 1(in het museum)

Algemene introductie
De kinderen krijgen uitleg in welk gebouw ze zijn, wat voor een museum het is, waar de speciale tentoonstelling over gaat. Hoe de gedragsregels in het museum zijn.
De kinderen ontvangen het materiaal dat ze in het museum nodig hebben.

Stap 2
Inleiding tot het onderwerp.
Aan de hand van de eerste kunstwerken in de eerste zaal is het mogelijk in globale zin iets over de tentoonstelling te vertellen.
Die inleiding isl zeer beperkt omdat de kinderen popelen om zelf aan de slag te gaan.

Je wijst voor ieder kind, of voor een tweetal, een plekje op de tentoonstelling aan.
Pas wanneer die plek uitputtend ontdekt is mogen de kinderen een andere zaal verkennen.
Je voorkomt daarmee dat ze in de eerste fase van de les al rond gaan rennen en zo veel indrukken opdoen dat ze eigenlijk helemaal niet kunnen kiezen voor wat ze willen bestuderen.

Stap 3
Details verzamelen
De kinderen krijgen ieder één kaart uit het 'kunstkaartspel' (zie les 1 stap 2)
In dit geval zijn het kaarten waarvan je kunt verwachten dat de kinderen een associatie met een kunstwerk in het museum kunnen maken.
Er zijn ook reproducties bij van kunstwerken die ze in werkelijkheid kunnen aantreffen.
De leerkracht heeft vooraf de kaarten daarop geselecteerd.

De opdracht is om een kunstwerk te zoeken dat past bij de kaart die je krijgt.
Op de manier waarop de kinderen in de eerste les (zie: les 1 stap 4) geleerd hebben om naar details te kijken, doen ze dat nu met de schilderijen en voorwerpen in het museum.
Je moet natuurlijk uitleggen dat ze hun 'raampje' niet op het schilderij kunnen leggen, maar dat ze er met gestrekte arm doorheen moeten kijken.
Hoe dichter je het venstertje bij je oog houdt, hoe groter het detail van het kunstwerk is.

De kinderen tekenen het detail met twee viltstiften van een willekeurige kleur.
Daarmee voorkom ik dat de kinderen reproducties gaan maken in plaats van visuele 'aantekeningen'.

Teksten verzamelen
In de eerste les (zie les 1 stap 5) verzamelen kinderen zinnen uit gedichtenbundels.
Teksten in het museum zijn meestal technische beschrijvingen van het geëxposeerde werk.
In sommige gevallen zijn er ook teksten van andere aard te vinden.
Citaten van uitspraken van kunstenaars, of zoals bij de tentoonstelling 'Bert en het Beeld' en in het Kinderboekenmuseum, complete gedichten en stukken proza.
Het is goed om de kinderen het verschil tussen die twee soorten teksten uit te leggen.
De kinderen schrijven zinnen die ze in het museum aantreffen op.

Stap 4
Uitwisselen
Zoek een rustig plekje in het museum waar de kinderen kunnen vertellen wat ze gezien hebben.
De gemaakte 'taaltekeningen' worden getoond en de teksten voorgelezen.
In dit stadium kan de leerkracht herkennen waar de aandacht van de kinderen zich op gericht heeft. Het is mogelijk om dingen te verduidelijken en het werk van de kunstenaars te bespreken.

Stap 5
Op eigen gelegenheid
Nadat de kinderen even tot rust gekomen zijn en er uitgewisseld is kunnen ze op eigen gelegenheid de tentoonstelling nog een keer bekijken.
Bij de uitwisseling zijn een aantal dingen genoemd waarop ze nog eens kunnen letten. Tijdens deze rondgang heb je de gelegenheid om met kleine groepjes kinderen over bepaalde kunstwerken te praten.

Les 3

Stap 1(weer op school)

Rubriceren
We zitten in de kring en je leest steeds een regel van een tekst die ze in het museum gevonden hebben.
Veel kinderen herkennen hun regel pas als ze de bijbehorende illustratie zien.
Hun visuele geheugen is beter ontwikkeld.
Als alle kinderen hun tekst hebben gaan we ze rubriceren met behulp van steekwoorden.

Filosofische definities
Als er genoeg gerubriceerd is gaan we dieper op de begrippen in.
De verschillen en de overeenkomsten tussen bepaalde observaties uit het museum.
De kinderen geven hun eigen gevoelsmatige definities van de dingen die ze gezien hebben. Het is niet nodig hieraan leergesprekken te verbinden.
Op een ander tijdstip, en niet verbonden met de museumlessen, is er voldoende gelegenheid om hun kennis aan te vullen.

Stap 2
Technisch en persoonlijk schrijven:
De zinnen die we meegebracht hebben uit het museum kunnen zeer technisch van aard zijn. Teksten waar veel uitgelegd wordt en waar jaartallen en zo in staan.
Je vraagt de kinderen al die technische dingen in regel drie te plaatsen.
Daarboven zullen de kinderen een 'aanloopje' naar die technische verhandeling schrijven, maar daarna moet er ook een persoonlijke belevenis op volgen, of andersom natuurlijk.
(zie les 1, stap 3)
De zinnen kunnen ook persoonlijke ontboezemingen van een kunstenaar zijn.

Teksten bespreken als ze klaar zijn
(zie les 1, stap 8)

Stap 3
Van taaltekening naar illustratie
In het museum hebben de kinderen zogenoemde taaltekeningen gemaakt.
Het zijn visuele aantekeningen.
Met behulp van de tijdschriftfoto's (zie les 1, stap 4) worden details aan de taaltekeningen toegevoegd.
Er wordt tevens meer aandacht geschonken aan de afwerking met vlak en arcering.
Er kunnen ook andere materialen zoals vetkrijt, ecoline en dergelijke gebruikt worden.
De teksten worden in het net geschreven en weer op getint papier gekopieerd. De tekening uitgeknipt en er bij geplakt.

Laatste stap:
Een tentoonstelling en een portfolio
De tekeningen en de teksten worden zorgvuldig op prikborden in een speciaal daarvoor ingericht 'schoolmuseum' opgehangen.
Rondleidingen voor de kinderen van andere groepen georganiseerd.
Na verloop van tijd wordt het werk in een showmap bijeengebracht.
Zo'n map bevat tevens de foto's van het museumbezoek, de toelichting van de leerkracht en dergelijke.

Deze map kan bij toerbeurt mee naar huis om aan ouders getoond te worden.
Hij dient ook om collega's de gelegenheid te geven de activiteit over te nemen.
Aan het eind van het schooljaar, of eerder, komt het werk van de kinderen in hun individuele portfolio met alle werkstukken van het jaar.

Henk van Faassen

uitgebreide tekst: archief

meer over:
museumlessen