startpagina

register
trefwoorden


index

literatuur


bekijk

foto's, werk



 

 


Lesontwerp
het LeeftijdMuseum


Wat is een leeftijdmuseum
Het LeeftijdMuseum is een lesontwerp voor het werken met voorwerpen, teksten en gedichten die te maken hebben met je eigen leeftijd, de tijd daarvoor en later

Het schrijven van authentieke teksten is het belangrijkste onderdeel van dit project.
Het is ontwikkeld door Amsterdamse taaldrukkers.

Het is een 'museumcollectie'
Leeftijd is op zichzelf niet zichtbaar. Voorwerpen die met leeftijd te maken hebben zijn dat wel.

Bij iedere periode in je leven horen herinneringen en ervaringen.
Er zijn voorwerpen die een betekenis hebben voor een bepaald moment in je leven.
Moeders bewaren het eerste melktandje van hun kind in een speciaal doosje.
Het eerste schoentje wordt soms in brons gegoten.
Maar er zijn ook die schoenen die je droeg op de eerste dag naar de grote school.
Het eerste boek dat je las en dat nu stukgelezen bewaard gebleven is.
Veel foto's uit je babytijd in de box met je knuffelkonijn .
De knuffel is er nog steeds, een beetje versleten en nu die daar bij je op school zit voel je nog steeds hoeveel je van hem houdt.

Voorwerpen van jezelf mee naar school nemen en er over praten en schrijven is leuk en inspirerend.
We lachen om dat roze babyjasje dat je droeg toen je nul jaar was terwijl je nu als tienjarige met een stoer jack in de kring zit.
Voorwerpen van jezelf en van anderen brengen je op verhalen.

Werkvormen om de kwaliteit van verhalen te verhogen.
Na het vertellen is het schrijven een vanzelfsprekende stap.
Niet een plichtmatig opstel maar een authentieke tekst over iets van jezelf.
Die teksten kunnen gedrukt worden, er komen tekeningen bij.
De teksten komen in een boekje dat naar de andere groepen van de school en zelfs naar andere scholen gestuurd kan worden.

Vitrinekastjes
Gedurende het project maken de kinderen vitrinekastjes van karton en doorzichtig plastic, waarin ze hun voorwerp tentoonstellen, gecombineerd met foto's, eigen teksten en tekeningen.
De vitrines vormen bij elkaar een echt museum.
Het Leeftijdmuseum wordt op een centrale plek op school opgesteld.

Wanneer begin je met dit project?
Er zijn veel momenten waarop een school besluit een thematisch project uit te voeren.
Het kan een jaarlijks terugkerende traditie zijn, het kan samenhangen met de kinderboekenweek of met een andere vaste gebeurtenis in het jaar.
Het Leeftijdmuseum leent zich goed voor de invulling van zo'n thematisch project, of het nu met de hele school is, met een bouw of met een enkele groep.

Geschiedenis: oude dingen in de kring
Dat het project aansluit op de geschiedenislessen spreekt vanzelf.
Door vanuit je persoonlijke ervaring te praten en schrijven over vroeger, ontstaat op een natuurlijke manier historisch besef: het besef dat de tijd verschuift, dat er iets was voor jij bestond en er ook na jou nog iets zal bestaan.

Eerst een tijdbalk
Een centraal onderdeel van het project is dat de kinderen eigen voorwerpen die bij een bepaalde leeftijd horen mee naar school brengen.
Dat kan voorbereid worden door ieder kind een tijdbalk van hun leven te laten maken.
Bij ieder jaar tekenen ze voorwerpen waarvan ze weten dat die nog thuis zijn.
Vervolgens kiezen ze voor een bepaald voorwerp en nemen dat mee.

Foto's spelen een speciale rol in het Leeftijdmuseum. Vrijwel ieder kind heeft thuis foto's van vroeger: babyfoto's of foto's van vóórdat jij er zelf was. Alle kinderen vinden het leuk om zulke foto's te bekijken en erbij te vertellen.

De werkvormen van het Leeftijdmuseum op een rij:

Taalwerkvormen
Vertellen in de kring
Vragen stellen
Vertelronde over meegebrachte dingen
Foto's beschrijven
Lijstjes maken
Tweetalgesprekken
Begeleide associatie
Taaltekenen in groep 1/2/3
Bijschrijven bij een taaltekening
Schrijfronde
Aan regels gebonden teksten schrijven
Voorlezen in de kring

Drukwerkvormen
Tekstverwerken
Fotokopiëren
Rubberdrukken
Letterstempels
Linkprint
Dingdrukken
Meerkleuren sjabloneren

Vormgeving van het museum
Vitrines maken
Leeftijdmuseum opstellen
Bezoek aan het Leeftijdmuseum organiseren
Educatieve speurtocht door het Leeftijdmuseum

Aanvullend
Bezoek aan een echt museum

Praktijkvoorbeelden

Over kleren van vroeger
We zitten in de kring.
Ik vertel hoe ik eruit zag als kleuter.
Veel kinderen hebben thuis nog kleren uit hun babytijd: jurkjes, broekjes, sokjes. Ieder vertelt over één kledingstuk.
Dingen van elkaar worden herkend, bijvoorbeeld dat je mouwen te lang zijn en moeten worden opgestroopt, of kleren die je van een nichtje kreeg en tegen je zin aanmoest.

Over foto's
Iedereen vertelt waar thuis de foto's bewaard worden.
Over foto's inplakken, de dozen op zolder en de fotolijstjes in de gang.
De foto's bij Oma op de kast.
Af en toe een verhaal over een speciale foto.
Een volgende les nemen de kinderen babyfoto's van zichzelf mee.

Over de plekken waar je vroeger speelde
De kinderen vertellen over een plek van zichzelf, waar je vroeger speelde. Iedereen heeft zijn verhaal.
Korte beelden: spelen met een poes op het gras; de hoek van de kamer met een knuffel.
Kinderen zijn verhuisd en weten nog te vertellen over het huis waar ze vroeger woonden.

Over iets wat je vroeger niet kon en nu wel
In een middenbouwgroep vertellen we elkaar over dingen die je vroeger geleerd hebt.
Je moeder helpen met taart bakken.
De vissenkom schoonmaken en je was nog zo klein dat je een vis dood kneep.

Iedereen kiest één verhaal om op te schrijven.
Als kinderen in hun tekst meerdere verhalen aan elkaar 'breien' help ik ze een detail te kiezen en te schrappen.
Er blijft dan meestal een betere tekst over.

In een kleutergroep
In een oudste kleutergroep vertellen we elkaar wat we goed kunnen: fietsen, hinkelen, rennen, op één been staan, steppen, klimmen.
Iedereen weet meteen wat te noemen.
Alles vertellen gaat niet. Als kinderen alles maar vertellen duurt het lang en denken ze helemaal niet na of het voor anderen wel interessant is. Ze laten het de andere kinderen maar uitzoeken en dat is een beetje slordig gebruik van taal.

In een groep drie
Op blaadjes staan drie vakjes.
In elk hokje tekenen de kinderen iets wat ze goed kunnen met hun lijf.
Ze schrijven het woord eronder.
We kiezen één tekeningetje uit.
In tweetallen vertellen de kinderen elkaar om de beurt over het tekeningetje.

Na de tweetalgesprekken schrijven we een paar zinnen op uit het verhaal dat we net verteld hebben.
Wie klaar is krijgt een A5-blaadje met een vierkant kadertje erop en daaronder ruimte om te schrijven.
In het kader tekenen ze zichzelf in de houding van wat ze goed kunnen.
Het werkwoord dat daarbij hoort schrijven ze boven de tekening.

Als de kladtekst nagekeken is op begrijpelijkheid schrijven ze die in het net onder de tekening.

Over dingen waaraan je merkt dat je groter wordt
Waaraan merk je eigenlijk dat je groeit?
Natuurlijk letterlijk aan je lengte en je breedte, maar ook dat je dingen die je eerst niet snapte nu veel beter begrijpt.
Er zijn een heleboel dingen waar je niet meer om hoeft te huilen.

Met alle leeftijdsgroepen is dit een leuk onderwerp om over te praten en te schrijven.
In de kring met kleuters zeggen we onze naam en rekken ons daarbij zo lang mogelijk uit, alsof we iets willen pakken dat heel hoog staat.

Over oude mensen
In een middenbouwgroep.
We maken allemaal een lijstje van oude mensen die we kennen of wel eens gezien hebben.
Uit het lijstje kies je een mens, die je je nog echt goed herinnert of waarover je graag iets wilt vertellen.
In tweetallen vertellen de kinderen aan elkaar over die persoon.

Aan regels gebonden teksten schrijven
Steeds een vraag, en de kinderen schrijven dan een regel op.

1. wat heb je die persoon zien doen, wat kon die goed?
2. waar was dat?
3. wie was het?
4. waar zag je die persoon voor het laatst?
5. een slotregel die je zelf bedenkt

Herinneringen aan je basisschooltijd
Aan het eind van het schooljaar vertellen de kinderen van groep acht elkaar herinneringen aan hun schooltijd.
Over de eerste dag dat je op school kwam.
Over kinderen en grote mensen waarmee je iets beleefd hebt, waar je vriendschap of ruzie mee had en hoe dat afliep.
Over een meester die je gehad hebt.
De teksten die daar uit komen zijn goed bruikbaar om te betrekken bij een Leeftijdmuseumproject.

Hoe doe je het precies in je les?

Hoe stimuleer je kinderen om te vertellen?
De vertelronde is een gezellige gebeurtenis. Alle kinderen zitten in de kring. Ieder komt aan de beurt en vertelt over iets dat hij of zij zelf heeft meegemaakt. Bijvoorbeeld naar aanleiding van een meegebracht voorwerp of een foto. Na het vertellen van een verhaal mag iedereen vragen stellen om nog preciezer te horen hoe het was.
Op deze manier helpen de kinderen elkaar om bij hun eigen herinneringen te komen. Ze associëren op voorwerpen en verhalen van elkaar en de reeks verhalen groeit.
Je zorgt, door stimulerende vragen te stellen, dat het vertellen spannend blijft. De kwaliteit van het vertellen kan verbeterd worden als je steeds doorvraagt naar nog meer details en aspecten van een ervaring.
Van belang is dat ieder zijn eigen verhaal in alle vrijheid kan vertellen. De mening van de leerkracht of van een ander kind mag het authentieke verhaal niet doorkruisen. Fouten maken in je eigen verhaal kan niet. Het is immers je eigen belevenis. Iemand anders kan hetzelfde voorval op een andere manier beleefd hebben, maar dat wil niet zeggen dat het ene verhaal beter is dan het andere. Je moet de vertelronde in die zin bewaken en er vooral voor zorgen je eigen volwassen waarden en normen voor je te houden.

Hoe werk je met lijstjes en tweetalgesprekken?
Als er in de kring over een onderwerp gepraat is, maakt iedere leerling voor zichzelf een lijstje van ervaringen of aspecten van een ervaring. Bij een meegebracht voorwerp kan bijvoorbeeld een lijstje gemaakt worden van plekken waar je met je meegebrachte voorwerp was, de plekken waar het voorwerp opgeborgen is, wie het nog meer gebruikt heeft, hoe je er aan komt, waar het gekocht is en zo meer.
Er worden tweetallen gevormd en iedereen kiest een onderwerp uit het lijstje om aan de ander over te vertellen. Het tweetalgesprek is een kort moment om bepaalde bijzonderheden precies te verwoorden, in de veiligheid van het tweetal. Een tweetalgesprek mag in geen geval het uitwisselen van meningen zijn. Nummer een vertelt, nummer twee luistert en stelt soms een vraag. Na korte tijd wisselen. Na een tweetalgesprek kan meestal onmiddellijk gevraagd worden om op te schrijven wat is verteld.

Hoe gaat het schrijven en voorlezen?
De kinderen schrijven op wat ze in het tweetalgesprek verteld hebben. Het verhaal is er grotendeels al en hoeft tijdens het schrijven niet moeizaam bedacht te worden. Terwijl ze schrijven, in de kring op onderleggers of aan hun eigen tafel, loopt je rond om kinderen te helpen die blijven steken of niet meer weten wat ze precies verteld hadden. Door middel van een kort gesprekje over de ervaring kunnen ze vaak weer op gang gebracht worden. 'Schrijf maar op wat je net aan mij vertelde', is vaak een goede aanwijzing.
Alle teksten worden voorgelezen, liefst in de kring. In onder- en middenbouw kan het een voordeel zijn als de leerkracht de teksten voorleest, omdat elke tekst dan op zijn best naar voren komt.
Als teksten over een voorwerp gaan, kan dit bij het voorlezen getoond worden. In het hele project is de wisselwerking tussen het voorwerp en de ervaring ermee erg belangrijk.
De teksten die geschikt zijn om in de museumvitrines te plakken, bijvoorbeeld bij een voorwerp of foto of gewoon op zichzelf, worden in het net geschreven op stukjes papier met verschillende kleuren en formaten. Het is handig om een voorraad van zulke stukjes papier te maken, waaruit de kinderen kunnen kiezen.

Hoe werk je met een begeleide associatie?
De bedoeling van een begeleide associatie is om op een intensieve manier zoveel mogelijk herinneringen bij de kinderen op te roepen.
Het is een werkvorm waarbij kinderen stap voor stap bij hun herinneringen en ervaringen gebracht worden. Er worden algemene vragen gesteld, over plekken bijvoorbeeld. In steekwoorden schrijven de kinderen op hoe het op die plek ruikt, welke kleuren er zijn en welke geluiden. Of er andere mensen of dieren zijn. Hoe het voelt als het regent en hoe als de zon schijnt. Misschien valt er iets te proeven. Deze reeks steekwoorden is het materiaal dat gebruikt wordt voor het vertellen en schrijven over die plek.
Met de opbrengst van de begeleide associatie schrijven de kinderen een tekst. Nadrukkelijk moeten ze erop gewezen worden dat ze niet alle associaties hoeven te gebruiken. Het zijn slechts bruggetjes naar hun herinneringen. Het kan zelfs beter zijn om de blaadjes met steekwoorden te laten wegleggen als er met schrijven begonnen wordt.

Hoe werk je met het schrijven van aan regels gebonden teksten?
De werkwijze is: voor iedere regel die de kinderen schrijven wordt een bepaalde opdracht gegeven. Bijvoorbeeld, als het over plekken gaat, in de eerste regel de benaming van de plek, de tweede gaat over de voorwerpen die er zijn. De derde regel beschrijft een handeling en de vierde de gevolgen van die activiteit.
Zo ontstaat stap voor stap een tekst en wordt voorkomen dat de kinderen afdwalen in hun tekst of chronologische opsommingen maken waarbij de essentie van het verhaal verloren dreigt te gaan. Een aan regels gebonden tekst schrijven is een opstap naar vorm- en stijlontwikkeling.
Bij aan regels gebonden teksten moet je je als leerkracht realiseren dat het een hulpmiddel, een kader, is. Het gebeurt vaak dat kinderen in hun enthousiasme de aangeboden regels vergeten en een prima tekst schrijven. In zo'n geval laat je natuurlijk het verhaal zoals het is en mag je niet streng aan het kader vasthouden. De kaders zijn bedoeld om de kinderen een grotere vrijheid te geven en niet, zoals het lijkt, ter beperking van de schrijfactiviteit.
In het algemeen is het zinvol om een goed onderscheid te maken tussen deze schrijfactiviteiten en die in een taalles, waar het wel nodig is om bepaalde taalregels te leren.

Hoe werk je met associaties?
Voor deze lessen is het vermogen om te associëren belangrijk om te leren.
Hoe vaker je ermee werkt, hoe meer de kinderen doorkrijgen dat bij associëren alles goed is wat ze te binnen schiet. De enige eis die je stelt is, dat het over een zelf beleefde ervaring moet gaan, en dus niet iets mag zijn van de televisie of een weetje uit een boek. Bij voorwerpen hebben kinderen eerst de neiging te gaan opnoemen hoe iets heet en waar het voor is. Het is goed om daar even ruimte voor te geven maar dan snel over te gaan op het vertellen van ervaringen waaraan ze bij het zien van de voorwerpen moeten denken. En als er in de kring veel verteld wordt, is het associëren op elkaars verhalen een heel natuurlijk proces.

Hoe gebruik je af en toe een gedicht?
Lees het gedicht van Paul van Ostayen 'Marc groet 's-morgens de dingen' voor.
Doe het twee keer, om de vorm goed door te laten dringen.
Eerst vinden de kinderen het maar gek dat je dingen zou kunnen begroeten. Praat met ze over de keren dat ze tegen hun ritsluiting mopperen omdat hij niet opengaat of tegen de afwas praten.
Op het bord een rijtje begroetingen:
Hoi, chao, goedemorgen, dag, enz. Maar ook groeten in het pools, Turks, Spaans, Marokkaans, Indonesisch. Groeten uit het dagelijkse taalgebruik als: 'de ballen' en 'de mazzel' komen er ook bij.

Naar aanleiding van een eerder geschreven tekst over een voorwerp een herschreven rondeel.
Er wordt per regel tekst een opdracht gegeven, bijvoorbeeld:
regel 1: kies een groet en schrijf de naam van het voorwerp er achter.
regel 2: waar is het voorwerp meestal?
regel 3: hoe wordt het gebruikt, of: een gebeurtenis met het voorwerp.
regel 4: is hetzelfde als regel 1 maar dan met een andere groet.
regel 5: een vraag aan het voorwerp.

Hoe gaat het drukken?
Behalve in de vitrinekastjes kunnen de teksten van de kinderen in gedrukte vorm zichtbaar gemaakt worden. Bij het museum worden vaak boekjes gemaakt. Daarvoor zijn een paar druktechnieken omgezet in zogenoemde drukwerkvormen. Tekeningen en teksten kunnen in de klas op een simpele manier gedrukt worden. We gebruiken daarvoor rubberdrukken, sjabloneren en stempelwerkvormen. De tekstverwerker en de fotokopieermachine kunnen worden ingezet in combinatie met deze werkvormen.
Het zijn werkvormen die geschikt zijn om in je klaslokaal uit te voeren.
In het algemeen zijn de kinderen in groepjes van drie met een bepaalde druktechniek bezig.

Het kan geen kwaad om deze werkvormen eerst zelf, zonder de kinderen erbij, te proberen.

Hoe maak je museumvitrines?
De voorwerpen die de kinderen meebrengen horen in vitrines.
Dat kunnen kartonnen dozen zijn.
Wij gebruiken ook stukken karton, in drie panelen gevouwen, met doorzichtig plastic ervoor. Een museumvitrine waarin voorwerpen samen met foto's en teksten bijeen staan geeft het project meteen het karakter van een echt museum.

Als alles klaar is komt er een stuk doorzichtig plastic voor de vitrine. Nu lijkt het op een echte museumopstelling.
De omgevouwen vlakken zorgen ervoor dat de vitrine zelfstandig kan staan.
Meerdere vitrines kunnen rug aan rug of in blokken opgesteld worden.

NB
Voor details van de werkvormen zijn elders op de website pagina's te raadplegen.
Het verdient aanbeveling een bepaalde werkvorm vooraf met collega's of vrienden uit te voeren.
De knelpunten zijn daarmee vooraf te herkennen en belemmeren niet de voortgang van een les met je kinderen.

De complete tekst met uitgebreide beschrijving van de werkvormen en voorbeelden van teksten die kinderen schreven:
archief taalvorming

Voor het maken van een Natuurmuseum verwijzen we naar het project
Nieuwsgierig naar onze natuur


naar boven