startpagina

register
trefwoorden

index
literatuur

bekijk
foto's, werk



 

 

 


lesontwerp
het LeeftijdMuseum


Het LeeftijdMuseum is een lesontwerp voor het werken met voorwerpen, teksten en gedichten die te maken hebben met je eigen leeftijd, de tijd daarvoor en later

Het schrijven van authentieke teksten is het belangrijkste onderdeel van dit project.
Het is ontwikkeld door Amsterdamse taaldrukkers.

Wat is een leeftijdmuseum
Het Leeftijdmuseum is een museumcollectie van voorwerpen, foto's en teksten die te maken hebben met je eigen leeftijd.
Leeftijd is op zichzelf niet zichtbaar. Voorwerpen die met leeftijd te maken hebben zijn dat wel. Bij iedere periode in je leven horen herinneringen en ervaringen. Er zijn voorwerpen die een betekenis hebben voor een bepaald moment in je leven. Moeders bewaren het eerste melktandje van hun kind in een speciaal doosje. Het eerste schoentje wordt soms in brons gegoten. Maar er zijn ook die schoenen die je droeg op de eerste dag naar de grote school. Het eerste boek dat je las en dat nu stukgelezen bewaard gebleven is. Er zijn foto's. Veel foto's uit je babytijd in de box met je knuffelkonijn . De knuffel is er nog steeds, een beetje versleten en nu die daar bij je op school zit voel je nog steeds hoeveel je van hem houdt.
Voorwerpen van jezelf mee naar school nemen en er over praten en schrijven is leuk en inspirerend.
We lachen om dat roze babyjasje dat je droeg toen je nul jaar was terwijl je nu als tienjarige met een stoer jack in de kring zit. Voorwerpen van jezelf en van anderen brengen je op verhalen.

Er zijn werkvormen om de kwaliteit van verhalen te verhogen.
Na het vertellen is het schrijven een vanzelfsprekende stap. Niet een plichtmatig opstel maar een authentieke tekst over iets van jezelf. Die teksten kunnen gedrukt worden, er komen tekeningen
bij. De gedrukte teksten komen in een boekje dat naar de andere groepen van de school en zelfs naar andere scholen gestuurd kan worden.

Vitrinekastjes
Gedurende het project maken de kinderen vitrinekastjes van karton en doorzichtig plastic, waarin ze hun voorwerp tentoonstellen, gecombineerd met foto's, eigen teksten en tekeningen.
De vitrines vormen bij elkaar een echt museum.
Het Leeftijdmuseum wordt op een centrale plek op school opgesteld.

Wanneer begin je met dit project?
Er zijn veel momenten waarop een school besluit een thematisch project uit te voeren. Het kan een jaarlijks terugkerende traditie zijn, het kan samenhangen met de kinderboekenweek of met een andere vaste gebeurtenis in het jaar. Het Leeftijdmuseum leent zich goed voor de invulling van zo'n thematisch project, of het nu met de hele school is, met een bouw of met een enkele groep.

Taal: schrijven op school
Er zijn in de dagelijkse schoolpraktijk veel schrijfopdrachten waarbij kinderen iets moeten invullen of aanvullen. Er zijn zakelijke teksten, dictees, verslagen en zo meer.
De kinderen schrijven veel over inhouden die ze van een ander opgedragen krijgen en die vaak niet dicht bij henzelf liggen. Taalvorming is een aanvulling op die onderwijspraktijk.
De ontwikkeling van een schrijfvaardigheid waarbij gebruik wordt gemaakt van persoonlijke ervaringen als materiaal zorgt ervoor dat kinderen met meer plezier en inzet aan het schrijven gaan. Iedereen maakt dagelijks van alles mee. De teksten die daarover geschreven worden zijn altijd betekenisvol.

Geschiedenis: oude dingen in de kring
Dat het project aansluit op de geschiedenislessen spreekt vanzelf. Door vanuit je persoonlijke ervaring te praten en schrijven over vroeger, ontstaat op een natuurlijke manier historisch besef: het besef dat de tijd verschuift, dat er iets was voor jij bestond en er ook na jou nog iets zal bestaan.

De opbouw van een Leeftijdmuseumproject
De serie lessen die aan het Leeftijdmuseum besteed wordt kan op verschillende manieren ingevuld worden. Het is belangrijk om van tevoren na te denken over wat er in een groep leeft, wat zal aanslaan, wat je als leerkracht zelf leuk en interessant vindt om te doen. Elke les heeft een onderwerp of een serie voorwerpen als uitgangspunt.

Eerst een tijdbalk
Een centraal onderdeel van het project is dat de kinderen eigen voorwerpen die bij een bepaalde leeftijd horen mee naar school brengen. Dat kan voorbereid worden door ieder kind een tijdbalk van hun leven te laten maken. Bij ieder jaar tekenen ze voorwerpen waarvan ze weten dat die nog thuis zijn. Vervolgens kiezen ze voor een bepaald voorwerp en nemen dat mee.
Foto's spelen een speciale rol in het Leeftijdmuseum. Vrijwel ieder kind heeft thuis foto's van vroeger: babyfoto's of foto's van vóórdat jij er zelf was. Alle kinderen vinden het leuk om zulke foto's te bekijken en erbij te vertellen.

De werkvormen van het Leeftijdmuseum op een rij:

Taalwerkvormen
Vertellen in de kring
Vragen stellen
Vertelronde over meegebrachte dingen
Foto's beschrijven
Lijstjes maken
Tweetalgesprekken
Begeleide associatie
Taaltekenen in groep 1/2/3
Bijschrijven bij een taaltekening
Schrijfronde
Aan regels gebonden teksten schrijven
Voorlezen in de kring

Drukwerkvormen
Tekstverwerken
Fotokopiëren
Rubberdrukken
Letterstempels
Linkprint
Dingdrukken
Meerkleuren sjabloneren

Vormgeving van het museum
Vitrines maken
Leeftijdmuseum opstellen
Bezoek aan het Leeftijdmuseum organiseren
Educatieve speurtocht door het Leeftijdmuseum

Aanvullend
Bezoek aan een echt museum

Praktijkvoorbeelden

Over kleren van vroeger
We zitten in de kring. Ik vertel hoe ik eruit zag als kleuter. Veel kinderen hebben thuis nog kleren uit hun babytijd: jurkjes, broekjes, sokjes. Ieder vertelt over één kledingstuk. Dingen van elkaar worden herkend, bijvoorbeeld dat je mouwen te lang zijn en moeten worden opgestroopt, of kleren die je van een nichtje kreeg en tegen je zin aanmoest.

Over foto's
Iedereen vertelt waar thuis de foto's bewaard worden. Over foto's inplakken, de dozen op zolder en de fotolijstjes in de gang. De foto's bij Oma op de kast. Af en toe een verhaal over een speciale foto. Een volgende les nemen de kinderen babyfoto's van zichzelf mee.

Over de plekken waar je vroeger speelde
De kinderen vertellen over een plek van zichzelf, waar je vroeger speelde. Iedereen heeft zijn verhaal. Soms zijn het maar korte beelden: spelen met een poes op het gras; de hoek van de kamer met een knuffel. Sommige kinderen zijn verhuisd en weten nog te vertellen over het huis waar ze vroeger woonden.

Over iets wat je vroeger niet kon en nu wel
In een middenbouwgroep vertellen we elkaar over dingen die je vroeger geleerd hebt. Je moeder helpen met taart bakken. De vissenkom schoonmaken en je was nog zo klein dat je een vis dood kneep.
Ik vraag iedereen één verhaal te kiezen om op te schrijven.
Als kinderen in hun tekst meerdere verhalen aan elkaar 'breien' help ik ze een detail te kiezen en te schrappen. Er blijft dan meestal een betere tekst over.

In een kleutergroep
In een oudste kleutergroep vertellen we elkaar wat we goed kunnen: fietsen, hinkelen, rennen, op één been staan, steppen, klimmen. Iedereen weet meteen wat te noemen. Alles vertellen gaat niet. Als kinderen alles maar vertellen duurt het lang en denken ze helemaal niet na of het voor anderen wel interessant is. Ze laten het de andere kinderen maar uitzoeken en dat is een beetje slordig gebruik van taal.

Aan de grote tafel tekenen
Ik deel tekenlijstjes uit: papieren met kleine lege vakjes erop. In de vakjes tekenen de kinderen de dingen die ze vroeger, toen ze een peuter waren, nog niet konden. Tijdens het tekenen praat ik met de kinderen over wat ze tekenen. Het moeten snelle tekeningetjes worden en als ze te lang bezig zijn vraag ik ze naar het volgende vakje te gaan.
Een van de tekeningen uit het lijstje wordt uitgekozen en daar maken ze een grotere tekening van. 'Je gaat nu heel precies tekenen wat je doet en je tekent er ook het plekje bij waar je dat doet.'

Rubberdrukken
Voor het Leeftijdmuseum een rubberdruktekening maken. Afbeeldingen van zichzelf met één been in de lucht en op hun kop staande. Ik help de kinderen te zoeken naar vormen van de rubbersnippers die geschikt zijn. Dit is een goed been, dat lijkt wel een arm. Ik heb een schoen, ik zie geen hoofd, oh ja, hier heb ik een hoofd. De cellrubbersnippers zetten hun verbeelding aan het werk. De rubbervormen worden opgeplakt, ingerold met inkt en afgedrukt op wit papier.
Behalve voor de vitrinekastjes zijn er ook rubberafdrukken voor de boekjes die bij het museum horen.
Zo maken we elke week een paar bladzijden voor het boekje en komen er meer voor in het museum, bij de teksten en voorwerpen.

In een groep drie
Op blaadjes staan drie vakjes. In elk hokje tekenen de kinderen iets wat ze goed kunnen met hun lijf. Ze schrijven het woord eronder. We kiezen één tekeningetje uit waar we graag over willen vertellen en schrijven. Daar zetten we een kruisje bij.
In tweetallen vertellen de kinderen elkaar om de beurt over het tekeningetje waar ze een kruisje bij gezet hebben.
Na de tweetalgesprekken schrijven we een paar zinnen op uit het verhaal dat we net verteld hebben. Wie klaar is krijgt een A5-blaadje met een vierkant kadertje erop en daaronder ruimte om te schrijven. In het kader tekenen ze zichzelf in de houding van wat ze goed kunnen. Het werkwoord dat daarbij hoort schrijven ze boven de tekening. Als ik hun kladtekst heb nagekeken op begrijpelijkheid schrijven ze die in het net onder de tekening.

Over dingen waaraan je merkt dat je groter wordt
Waaraan merk je eigenlijk dat je groeit? Natuurlijk letterlijk aan je lengte en je breedte, maar ook dat je dingen die je eerst niet snapte nu veel beter begrijpt. Er zijn een heleboel dingen waar je niet meer om hoeft te huilen. Met alle leeftijdsgroepen is dit een leuk onderwerp om over te praten en te schrijven.
In de kring met kleuters zeggen we onze naam en rekken ons daarbij zo lang mogelijk uit, alsof we iets willen pakken dat heel hoog staat.

Over oude mensen
In een middenbouwgroep praten we in de kring over oude mensen.
We maken allemaal een lijstje van oude mensen die we kennen of wel eens gezien hebben. Uit het lijstje kies je een mens, die je je nog echt goed herinnert of waarover je graag iets wilt vertellen. In tweetallen vertellen de kinderen aan elkaar over die persoon.

Aan regels gebonden teksten schrijven
Ik stel steeds een vraag, en de kinderen schrijven dan een regel op.

1. wat heb je die persoon zien doen, wat kon die goed?
2. waar was dat?
3. wie was het?
4. waar zag je die persoon voor het laatst?
5. een slotregel die je zelf bedenkt

Over voorwerpen van toen je klein was
Ik haal een koffertje tevoorschijn. Er zitten allerlei dingen in van toen ik jonger was dan nu. Ik haal ze er niet allemaal tegelijk uit, maar pak eerst een oud kinderboek. Ik vertel dat ik me nog goed herinner hoe mijn moeder me eruit voorlas. De kinderen vinden het interessant, het boek wordt doorgegeven.
We spreken af, dat iedereen voor volgende week een voorwerp meeneemt van vroeger, en een foto van vroeger. Sommige kinderen weten al meteen iets, ik laat het ze noemen zodat de anderen ook op ideeën komen. Ik noem expres veel verschillende dingen, om te voorkomen dat iedereen alleen een knuffel meeneemt. Oude schoentjes, een kettinkje, een speen, iets uit Turkije wat je bewaard hebt.

Een stapel voorwerpen
Allerlei smoezelige beertjes, maar ook kleine sokjes en een doosje met tanden erin. In een mapje bewaar ik de foto's die binnenkomen.
Alle voorwerpen liggen op een grote tafel in het midden. Ik stel voor dat om beurten elk kind een voorwerp pakt dat hij of zij interessant vindt, en het geeft aan degene van wie hij of zij denkt dat het is. Dat is spannend, hoewel van sommige voorwerpen al de hele week bekend is wie het heeft meegenomen. Als een voorwerp tenslotte bij de eigenaar terecht is gekomen, vertelt die erover. De andere kinderen stellen vragen. Ik probeer zoveel mogelijk door te vragen naar situaties waar het voorwerp bij hoorde: weet je nog wanneer je dat truitje aan had? Wie heeft het gemaakt? Heeft iemand anders het ook nog aan gehad?
Zo zorg ik dat de verhalen verder komen dan alleen 'dit is mijn oude konijn'. Ik wil graag zoveel mogelijk herinneringen en details naar boven krijgen. De kinderen bedenken daarbij vaak vragen waar ik zelf niet op kom.

Herinneringen aan je basisschooltijd
Aan het eind van het schooljaar vertellen de kinderen van groep acht elkaar herinneringen aan hun schooltijd. Over de eerste dag dat je op school kwam. Over kinderen en grote mensen waarmee je iets beleefd hebt, waar je vriendschap of ruzie mee had en hoe dat afliep. Over een meester die je gehad hebt. De teksten die daar uit komen zijn goed bruikbaar om te betrekken bij een Leeftijdmuseumproject.

Hoe doe je het precies in je les?

Hoe stimuleer je kinderen om te vertellen?
De vertelronde is een gezellige gebeurtenis. Alle kinderen zitten in de kring. Ieder komt aan de beurt en vertelt over iets dat hij of zij zelf heeft meegemaakt. Bijvoorbeeld naar aanleiding van een meegebracht voorwerp of een foto. Na het vertellen van een verhaal mag iedereen vragen stellen om nog preciezer te horen hoe het was.
Op deze manier helpen de kinderen elkaar om bij hun eigen herinneringen te komen. Ze associëren op voorwerpen en verhalen van elkaar en de reeks verhalen groeit.
Je zorgt, door stimulerende vragen te stellen, dat het vertellen spannend blijft. De kwaliteit van het vertellen kan verbeterd worden als je steeds doorvraagt naar nog meer details en aspecten van een ervaring.
Van belang is dat ieder zijn eigen verhaal in alle vrijheid kan vertellen. De mening van de leerkracht of van een ander kind mag het authentieke verhaal niet doorkruisen. Fouten maken in je eigen verhaal kan niet. Het is immers je eigen belevenis. Iemand anders kan hetzelfde voorval op een andere manier beleefd hebben, maar dat wil niet zeggen dat het ene verhaal beter is dan het andere. Je moet de vertelronde in die zin bewaken en er vooral voor zorgen je eigen volwassen waarden en normen voor je te houden.

Hoe werk je met lijstjes en tweetalgesprekken?
Als er in de kring over een onderwerp gepraat is, maakt iedere leerling voor zichzelf een lijstje van ervaringen of aspecten van een ervaring. Bij een meegebracht voorwerp kan bijvoorbeeld een lijstje gemaakt worden van plekken waar je met je meegebrachte voorwerp was, de plekken waar het voorwerp opgeborgen is, wie het nog meer gebruikt heeft, hoe je er aan komt, waar het gekocht is en zo meer.
Er worden tweetallen gevormd en iedereen kiest een onderwerp uit het lijstje om aan de ander over te vertellen. Het tweetalgesprek is een kort moment om bepaalde bijzonderheden precies te verwoorden, in de veiligheid van het tweetal. Een tweetalgesprek mag in geen geval het uitwisselen van meningen zijn. Nummer een vertelt, nummer twee luistert en stelt soms een vraag. Na korte tijd wisselen. Na een tweetalgesprek kan meestal onmiddellijk gevraagd worden om op te schrijven wat is verteld.

Hoe gaat het schrijven en voorlezen?
De kinderen schrijven op wat ze in het tweetalgesprek verteld hebben. Het verhaal is er grotendeels al en hoeft tijdens het schrijven niet moeizaam bedacht te worden. Terwijl ze schrijven, in de kring op onderleggers of aan hun eigen tafel, loopt je rond om kinderen te helpen die blijven steken of niet meer weten wat ze precies verteld hadden. Door middel van een kort gesprekje over de ervaring kunnen ze vaak weer op gang gebracht worden. 'Schrijf maar op wat je net aan mij vertelde', is vaak een goede aanwijzing.
Alle teksten worden voorgelezen, liefst in de kring. In onder- en middenbouw kan het een voordeel zijn als de leerkracht de teksten voorleest, omdat elke tekst dan op zijn best naar voren komt.
Als teksten over een voorwerp gaan, kan dit bij het voorlezen getoond worden. In het hele project is de wisselwerking tussen het voorwerp en de ervaring ermee erg belangrijk.
De teksten die geschikt zijn om in de museumvitrines te plakken, bijvoorbeeld bij een voorwerp of foto of gewoon op zichzelf, worden in het net geschreven op stukjes papier met verschillende kleuren en formaten. Het is handig om een voorraad van zulke stukjes papier te maken, waaruit de kinderen kunnen kiezen.

Hoe werk je met een begeleide associatie?
De bedoeling van een begeleide associatie is om op een intensieve manier zoveel mogelijk herinneringen bij de kinderen op te roepen.
Het is een werkvorm waarbij kinderen stap voor stap bij hun herinneringen en ervaringen gebracht worden. Er worden algemene vragen gesteld, over plekken bijvoorbeeld. In steekwoorden schrijven de kinderen op hoe het op die plek ruikt, welke kleuren er zijn en welke geluiden. Of er andere mensen of dieren zijn. Hoe het voelt als het regent en hoe als de zon schijnt. Misschien valt er iets te proeven. Deze reeks steekwoorden is het materiaal dat gebruikt wordt voor het vertellen en schrijven over die plek.
Met de opbrengst van de begeleide associatie schrijven de kinderen een tekst. Nadrukkelijk moeten ze erop gewezen worden dat ze niet alle associaties hoeven te gebruiken. Het zijn slechts bruggetjes naar hun herinneringen. Het kan zelfs beter zijn om de blaadjes met steekwoorden te laten wegleggen als er met schrijven begonnen wordt.

Hoe werk je met het schrijven van aan regels gebonden teksten?
De werkwijze is: voor iedere regel die de kinderen schrijven wordt een bepaalde opdracht gegeven. Bijvoorbeeld, als het over plekken gaat, in de eerste regel de benaming van de plek, de tweede gaat over de voorwerpen die er zijn. De derde regel beschrijft een handeling en de vierde de gevolgen van die activiteit.
Zo ontstaat stap voor stap een tekst en wordt voorkomen dat de kinderen afdwalen in hun tekst of chronologische opsommingen maken waarbij de essentie van het verhaal verloren dreigt te gaan. Een aan regels gebonden tekst schrijven is een opstap naar vorm- en stijlontwikkeling.
Bij aan regels gebonden teksten moet je je als leerkracht realiseren dat het een hulpmiddel, een kader, is. Het gebeurt vaak dat kinderen in hun enthousiasme de aangeboden regels vergeten en een prima tekst schrijven. In zo'n geval laat je natuurlijk het verhaal zoals het is en mag je niet streng aan het kader vasthouden. De kaders zijn bedoeld om de kinderen een grotere vrijheid te geven en niet, zoals het lijkt, ter beperking van de schrijfactiviteit.
In het algemeen is het zinvol om een goed onderscheid te maken tussen deze schrijfactiviteiten en die in een taalles, waar het wel nodig is om bepaalde taalregels te leren.

Hoe werk je met associaties?
Voor deze lessen is het vermogen om te associëren belangrijk om te leren.
Hoe vaker je ermee werkt, hoe meer de kinderen doorkrijgen dat bij associëren alles goed is wat ze te binnen schiet. De enige eis die je stelt is, dat het over een zelf beleefde ervaring moet gaan, en dus niet iets mag zijn van de televisie of een weetje uit een boek. Bij voorwerpen hebben kinderen eerst de neiging te gaan opnoemen hoe iets heet en waar het voor is. Het is goed om daar even ruimte voor te geven maar dan snel over te gaan op het vertellen van ervaringen waaraan ze bij het zien van de voorwerpen moeten denken. En als er in de kring veel verteld wordt, is het associëren op elkaars verhalen een heel natuurlijk proces.

Hoe gebruik je af en toe een gedicht?
Lees het gedicht van Paul van Ostayen 'Marc groet 's-morgens de dingen' voor.
Doe het twee keer, om de vorm goed door te laten dringen.
Eerst vinden de kinderen het maar gek dat je dingen zou kunnen begroeten. Praat met ze over de keren dat ze tegen hun ritsluiting mopperen omdat hij niet opengaat of tegen de afwas praten.
Op het bord een rijtje begroetingen:
Hoi, chao, goedemorgen, dag, enz. Maar ook groeten in het pools, Turks, Spaans, Marokkaans, Indonesisch. Groeten uit het dagelijkse taalgebruik als: 'de ballen' en 'de mazzel' komen er ook bij.

Naar aanleiding van een eerder geschreven tekst over een voorwerp een herschreven rondeel.
Er wordt per regel tekst een opdracht gegeven, bijvoorbeeld:
regel 1: kies een groet en schrijf de naam van het voorwerp er achter.
regel 2: waar is het voorwerp meestal?
regel 3: hoe wordt het gebruikt, of: een gebeurtenis met het voorwerp.
regel 4: is hetzelfde als regel 1 maar dan met een andere groet.
regel 5: een vraag aan het voorwerp.

Hoe gaat het drukken?
Behalve in de vitrinekastjes kunnen de teksten van de kinderen in gedrukte vorm zichtbaar gemaakt worden. Bij het museum worden vaak boekjes gemaakt. Daarvoor zijn een paar druktechnieken omgezet in zogenoemde drukwerkvormen. Tekeningen en teksten kunnen in de klas op een simpele manier gedrukt worden. We gebruiken daarvoor rubberdrukken, sjabloneren en stempelwerkvormen. De tekstverwerker en de fotokopieermachine kunnen worden ingezet in combinatie met deze werkvormen.
Het zijn werkvormen die geschikt zijn om in je klaslokaal uit te voeren.
In het algemeen zijn de kinderen in groepjes van drie met een bepaalde druktechniek bezig.

Hoe werk je met rubberdrukken
Rubberdrukken werkt met zelfklevend dun rubber. De afbeeldingen worden uitgeknipt en opgeplakt en vervolgens met inkt en zachte rollertjes ingerold. Het afdrukken gaat met behulp van een 'drukboek', twee stukjes karton waartussen de rubber vorm en het afdrukpapier op elkaar gelegd zijn. Met een harde roller wordt stevig over het dichtgeslagen drukboek gerold en daarna kan de afdruk voorzichtig uitgenomen worden. Als toevoeging van kleur aan de tekeningen die met het kopieerapparaat vermenigvuldigd zijn is deze techniek geschikt.

Hoe werk je met vormstempelen.
Met vormstempels kan een afbeelding die uit verschillende vormpjes en kleuren opgebouwd is bij een tekst gestempeld worden. De stempeltjes zijn abstracte vormpjes zelfklevend rubber, door de kinderen geknipt en geplakt op houtblokjes. De vormstempeltjes gaan in een doos en worden, net als letterstempeltjes, steeds opnieuw gebruikt om andere stempelwerkstukken mee te maken.
Vormstempelafdrukken kunnen ook toegevoegd worden aan de andere druktechnieken.

Hoe werk je met sjablonen
Sjabloneren is een alom bekende techniek waarbij gaten in papier geknipt worden. Door die openingen kan de kleurige inkt gerold worden. Het bijzondere in ons geval is dat er werkvormen zijn om meerdere kleuren aansluitend te drukken. Daarvoor gebruik je bijvoorbeeld drie stukken papier die op dezelfde maat omgevouwen zijn, dat is de aanleg. De kinderen knippen uit die drie stukken drie verschillende onderdelen van een tekening dan kunnen die in verschillende kleuren tot een geheel afgedrukt worden.
Als toevoeging van kleur aan de tekeningen die met het kopieerapparaat vermenigvuldigd zijn is deze techniek geschikt. In dat geval is er al een tekening in het zwart. Drie afdrukken daarvan worden gebruikt om de verschillende vormen die kleur moeten krijgen uit te snijden en over de zwarte tekening af te drukken.

Hoe werk je met Letterstempels
Voor het stempelen van bijvoorbeeld titels en koppen gebruiken we losse stempelletters. Voor korte zinnen is Linkprint geschikt. Dat zijn aaneenschakelbare stempellettertjes. Ook in dit geval biedt het gebruik van stempelletters een goede mogelijkheid om tekstdelen in kleur aan de zwarte gekopieerde tekst toe te voegen.
Voor het museum worden de bijschriften op kleurige strookjes gestempeld.

Hoe werk je met dingdrukken?
Dingdrukken is een techniek waarmee je gemakkelijk afdrukken kunt maken van voorwerpen.
Je kunt daarvoor spulletjes uit de kastjes van de kinderen of voorwerpen uit de verzameling voor het museum, gebruiken.
Of min of meer platte dingen die je voor dit doel verzameld hebt .
Een voorwerp wordt op een stukje krantenpapier gelegd en met een linoroller en inkt ingerold. Alleen de hoge delen van het voorwerp krijgen inkt.
Voorzichtig schuif je het ingerolde ding op een schoon stukje krantenpapier.
Met een schone, dikke, zachte roller ga je voorzichtig over het voorwerp heen.
De afdruk staat nu op de omtrek van de roller.
Voorzichtig breng je de afdruk over op de gewenste plek op een wit papiertje.
Je moet de roller zo draaien dat je met afdrukken bij het begin van de vorm, die op de omtrek van de roller staat, begint.
Als de afdruk op een bepaalde plek boven een tekst moet komen is het handig om een kadertje uit te snijden waarbinnen de afdruk gemaakt wordt.
Meestal zit er genoeg inkt op de rol om er twee of drie afdrukken van te maken.
Daarna moet de afdrukroller goed schoongemaakt worden en herhaal je de handeling. Hoe groter de omtrek van de afdrukroller is des te grotere voorwerpen afgedrukt kunnen worden.
De afdruk van het ding is niet altijd een precieze weergave ervan, behalve bijvoorbeeld bij een munt of een platte sleutel of iets dergelijks.
Eerst worden de afdrukken gebruikt voor het schrijven van nieuwe associaties, maar de afdrukken kunnen ook boven de gekopieerde teksten afgedrukt worden.

Wat heb je voor dingdrukken nodig?
Voorwerpen die min of meer plat zijn en een reliëf vertonen zoals bijvoorbeeld sleutels, munten, plastic verpakkingen, ijsstokjes, stukjes stof, gedroogde blaadjes.
Lino-inktrollertjes of sjablonerollertjes.
Boekdrukrollers (met een omtrek van minimaal 10 cm.)
Boekdrukinkt, stencilinkt of Blockprint-inkt in verschillende kleuren.
Inktuitrolplaatjes.
Schoonmaakmiddelen
Schoonmaaklapjes en/of keukenrol
Papier A4 en A5
Krantenpapier gesneden tot A4

Het kan geen kwaad om deze werkvorm eerst zelf, zonder de kinderen erbij, te proberen.

Hoe werk je met kinderen van de onderbouw die nog niet schrijven?
Een taaltekening vervangt een geschreven verhaal als een leerling van groep een, twee of drie nog niet zoveel kan schrijven. Of als een leerling eerst een andere taal geleerd heeft en zich in het Nederlands nog niet zo gemakkelijk uitdrukt. Een taaltekening vervangt ook een geschreven tekst als de situatie die je wilt vertellen ingewikkeld is. Een taaltekening wordt ook gebruikt als je wilt uitleggen hoe een bepaalde plek er precies uitziet. Meerdere taaltekeningen op een rij vervangen het geschreven lijstje. De taaltekening verschilt van een gebruikelijke tekening vanwege de talige functie ervan.
Kinderen vertellen bij hun taaltekening en de leerkracht schrijft dat onder de tekening. Dat wil niet zeggen dat je alles maar opschrijft wat het kind zegt. Eerst probeer je bij de werkelijke ervaring te komen door te vragen naar de gebeurtenis die getekend is. Als je vraagt: 'wat is dat?' en je wijst op een onderdeel van de tekening, komt er slechts een beschrijving van hetgeen al te zien is, daarmee voeg je niets toe aan het verhaal van het kind. Als je te vroeg begint met bijschrijven heeft het kind nog geen verhaallijn uitgezet. Pas op het moment dat er details verwoord worden die niet in de tekening te zien zijn begint het interessant te worden. Dan onmiddellijk beginnen met bijschrijven!
Taaltekeningen worden meestal binnen een voorgedrukt kader op een A4 of A5 blad gemaakt. Het kader zorgt ervoor dat eronder voldoende ruimte voor het verhaal blijft.

Hoe maak je museumvitrines?
De voorwerpen die de kinderen meebrengen horen in vitrines. Dat kunnen kartonnen dozen zijn. Wij gebruiken ook stukken karton, in drie panelen gevouwen, met doorzichtig plastic ervoor. Een museumvitrine waarin voorwerpen samen met foto's en teksten bijeen staan geeft het project meteen het karakter van een echt museum.
Als alle voorwerpen en foto's verzameld zijn en alle teksten en tekeningen gemaakt zijn kunnen we met de museumvitrines beginnen.
We gebruiken daarvoor stukken stevig wit karton van 25 x 50 cm. In het karton zijn vooraf met een mes twee kerven gemaakt zodat er een drieluik uit gevouwen kan worden. De zijklepjes van dit drieluik zijn 10 cm breed zodat er een half A4 tje met tekst op geplakt kan worden. Op die zijflapjes komen ook de foto's en druksels. Op het middenpaneel worden de voorwerpen met bloembinddraad vastgezet. Voor voorwerpen die hiervoor te groot zijn wordt een plekje buiten de kartonnen vitrine gezocht. Met behulp van Linkprint stempels worden de begeleidende teksten, titels en leeftijdaanduidingen gedrukt. Langere teksten kunnen met fineliners geschreven worden. Opgeplakte gekleurde stroken papier zorgen voor een goede afscheiding tussen de verschillende onderdelen van de tentoongestelde voorwerpjes in de vitrines. Het werk van een kind past in zo'n vitrinekastje.
Als alles klaar is komt er een stuk doorzichtig plastic voor de vitrine. Nu lijkt het op een echte museumopstelling. De omgevouwen vlakken zorgen ervoor dat de vitrine zelfstandig kan staan. Meerdere vitrines kunnen rug aan rug of in blokken opgesteld worden. Het is ook mogelijk een aantal vitrines aan de muur te bevestigen.


Dan komen de bezoekers naar het Leeftijdmuseum
Het belangrijkste van een museum is natuurlijk de opstelling van vitrinekastjes waarin de voorwerpen, foto's en teksten tentoongesteld worden. Het Leeftijdmuseum wordt een verhaal van de hele groep in woord en beeld, op plat vlak en driedimensionaal.
Een museum is pas echt als er ook bezoekers komen. Op een centrale plek in de school worden alle vitrines opgesteld. Enkele kinderen worden aangesteld als 'suppoost'. Die kunnen toelichting geven.
De bezoekers zijn verrast als ze zien wat de anderen gemaakt hebben. Ze herkennen veel van de tentoongestelde leeftijden en lachen hartelijk als ze de babyfoto's zien van kinderen die ze kennen. Natuurlijk worden de ouders ook uitgenodigd. Misschien is er zelfs een echte opening met een lint, een schaar en een belangrijk persoon. Op één van de scholen werd de opening verricht door de jongste kleuter en de oudste achtste groeper samen.

Als het tevoren goed afgesproken is kan het Leeftijdmuseum goed in de Openbare Bibliotheek opgesteld worden. Tijdelijk worden dan een aantal boekenplanken leeggeruimd om de kastjes op te stellen en er is een aardige kinderboekenschrijver om het museum te openen. Zeker omdat er een duidelijk verband tussen het lezen van verhalen en gedichten en het museum bestaat is dit project een prima gelegenheid om aan leesbevordering en bibliotheekbezoek te doen.

Werken met oude voorwerpen


Voorwerpen roepen allerlei associaties op, en zorgen dan ook gemakkelijk voor verhalen. In het Leeftijdmuseum wordt gewerkt met voorwerpen van toen je klein was.
Wij zijn een stap verder gegaan en hebben ook andere oude voorwerpen mee de klas in genomen. Voorwerpen die in deze tijd niet meer gemaakt worden, die ouder zijn dan jijzelf bent, waarvan je niet eens meer weet waarvoor ze dienen. Door ernaar te kijken, erover te praten en er op te associëren ervaren kinderen dat er zoiets bestaat als geschiedenis en het verschuiven van de tijd. Hoewel er geen jaartallen, tijdbalken of andere chronologische overzichten bij te pas komen, zijn ze toch bezig met geschiedenis.
In onze werkwijze staan de ervaringen en directe associaties van de kinderen voorop. Het gaat ons niet om het verwerven van kennis over de geschiedenis of het doen van gericht onderzoek. We zijn uit op een soort openheid van geest en op het uitbouwen van het creatieve taalvermogen dat elk kind van zichzelf bezit.
De volgende lesbeschrijvingen zijn voorbeelden van hoe met 'oude' voorwerpen gewerkt kan worden.
De lessen leveren altijd teksten en tekeningen op. Die kunnen na afloop samen met de voorwerpen als museum tentoongesteld worden.

Oude en nieuwe dingen
Ik vertel dat ik thuis een nieuwe lamp boven de tafel heb. Rafaela naast mij mag iets ouds noemen dat ze thuis heeft. Ze zegt zonder lang nadenken: een oud Mariaplaatje. Nathalie weer iets nieuws: een cassettebandje. Hanana heeft thuis een hele oude Koran. Ik vraag of hij van haar vader of opa is, maar nee hoor, hij is van haarzelf. Jana heeft thuis een nieuwe tv. Margreta's moeder heeft een oud dressoir van de straat gehaald. We praten even over het woord dressoir.
In mijn tas heb ik een verzameling oude en nieuwe voorwerpen, zodanig gekozen dat er steeds een oud en een nieuw voorwerp bij elkaar horen.
Bijvoorbeeld: een oud email kroesje en een plastic beker; een oude sleutel en een nieuwe sleutel met een kleurtje; een oud theeblikje en een plastic ijskastdoosje; een oud hamertje en een nieuwe hamer; een houten booromslag en een nieuwere handboor; een mattenklopper en een onderdeel van een stofzuiger; een timmermanspotlood en een viltstift.

Om beurten mag elk kind iets uit mijn tas pakken
Een paar jongens zijn snel met het benoemen en raden van wat het is. Enkele oude gereedschappen wekken verbazing. 'Die komt uit de oertijd', zegt iemand bij de oude booromslag.
Eerst laat ik de kinderen een eigen naam voor de voorwerpen bedenken. Een naam die afgeleid is van de bestudering van het voorwerp. De kinderen betasten en besnuffelen de gereedschappen.

Oud en nieuw
In de kring liggen twee kleedjes.
Ik vraag de kinderen om oude dingen op het gele, en nieuwe dingen op het blauwe kleedje te leggen. Grappig is dat veel meer dingen op het gele kleedje komen. Ze vinden kennelijk meer dingen 'oud'. Als alles ligt vraag ik of iemand vindt dat er nog wat veranderd moet. Een hoop dingen verhuizen razendsnel van het ene naar het andere kleedje en soms weer terug. Ik zeg nergens bij of iets goed of fout is. Het is interessant om te zien wat door de kinderen uit zichzelf als 'oud' en 'nieuw' wordt gezien.
Elk voorwerp hoort bij een ander voorwerp. Overal wordt o ja! geroepen. Een voor een iets pakken, en de volgende pakt wat erbij hoort. Ze vinden het leuk en alles komt precies bij elkaar zoals ik verwacht had.

Associaties
De kinderen zitten met de bij elkaar horende voorwerpen naast elkaar. Het is al meteen een soort museum. Ik vraag wie er iets bij zijn voorwerp wil vertellen, niet waar het voor is maar waar je aan moet denken of waar het op lijkt.
Een aantal kinderen begint te vertellen waar hun voorwerp voor is of hoe het werkt. Dat kap ik af, het gaat om iets wat je zelf hebt gezien of meegemaakt. Dat is het soort ervaringen waarover ik wil horen. Je hebt in een groep altijd kinderen die er moeiteloos en gedetailleerd over vertellen, en kinderen bij wie je enorm moet graven en peuteren om ze aan het vertellen te krijgen.

Vragen stellen
We doen een voorleesronde waarbij gemaakte tekeningen getoond worden en bij elke tekst een vraag gesteld mag worden. Er is veel belangstelling, vooral voor de tekeningen. Er zijn teksten die voornamelijk vertellen waarvoor iets is. Andere teksten die over een eigen ervaring gaan. Verder valt op dat of iets 'oud' of 'nieuw' is nauwelijks uit de teksten naar voren komt. Bij nieuwe voorwerpen is dat niet zo vreemd, er zijn immers directe ervaringen mee. Bij de oude geldt alleen voor de hele 'vreemde' dingen dat er iets van terugkomt in de teksten.

Teksten in het net
De kinderen bekijken in tweetallen hun teksten en veranderen die eventueel nog. Ik loop rond en geef suggesties voor veranderingen. Daarbij probeer ik sommige beschrijvende teksten toch nog om te zetten in ervaringsteksten. Teksten die af zijn worden onder de tekeningen in het net geschreven

Elk tweetal kiest een tekst die in twaalfvoud wordt gekopieerd. Daarna wordt het papier gesneden en kunnen ze met sjablonen twee kleuren toevoegen aan de tekening.
De gekopieerde teksten zijn bedoeld voor in een boekje met een oplage van twaalf. Er komen nog meer teksten uit andere lessen bij.
De originele teksten bewaren we voor in het museum dat we gaan inrichten. Korte teksten kunnen we daarvoor op het kopieerapparaat vergroten.

Eerst een beeld en dan pas tekst

In deze les gaan we eerst 'dingdrukken'
Voor er een verhaal bij een voorwerp verteld wordt, is er al een beeld van. Dat beeld ziet er anders uit dan een tekening van het voorwerp. Het is een afdruk ervan, maar het verwijst wel naar het voorwerp.
Eerst lekker iets met je handen doen is een goede opstap voor taal.
Voor de dingdrukken kunnen we speciaal verzamelde voorwerpen gebruiken. Maar we kunnen ook allemaal iets pakken dat we bij ons hebben, in onze zak of tas of kastje.
Het moet iets zijn dat zonder problemen met inkt kan worden ingerold.
Bij een van tevoren ingerichte drukplek kan elk kind zijn of haar voorwerp twee keer komen afdrukken.

Associaties
Als de dingdrukken en tekeningen klaar zijn gaan we associëren, bij de afdrukken zowel als bij de voorwerpen zelf. Het zal blijken dat de verhalen verschillend kunnen zijn en dat is juist de bedoeling.
Ieder kind heeft het voorwerp en de afdruk ervan voor zich. Ik vraag de kinderen om zich te concentreren op een van de afdrukken. Schrijf op waaraan je denkt als je naar de afdruk kijkt. Dat is soms iets heel anders dan als je naar het originele voorwerp kijkt.
Je mag niet schrijven : ik denk aan.... of ik zie.... maar je begint meteen aan de precieze beschrijving van waar je aan denkt. Ik doe het voor met mijn eigen afdruk.
We gebruiken dingdrukken om er zogenoemde snelassociaties bij te schrijven.
Waar denk je het eerste aan als je die afdruk ziet? Het hoeven niet perse je eigen afdrukken te zijn. De voorwerpen zelf zijn niet meer van herkenbaar belang en de kinderen associëren er lustig op los.
De voorwerpen hebben gezorgd voor geheimzinnige beelden en die brengen je op veel plekjes in je herinnering.

Een associatie als een 'Rondeel'
Bepaalde regels worden herhaald waardoor kinderen ineens ontdekken dat deze vorm een beetje op een gedicht lijkt.
Op regel 1. schrijf je: Wat denk je bij de dingafdruk?
Schrijf niet: ik zie... dit is... maar beschrijf precies wat je voor je ziet.
Regel 2. Waar speelt het zich af.
Regel 3. Wat gebeurt er.
Op regel 4. schijf je regel 1 over.
Regel 5. Wat deed je zelf?
Regel 6. wordt even open gelaten. Eerst regel 7 en 8 schrijven; daarna een regel waarin het verhaal compleet wordt.
Regel 7. is weer dezelfde als regel 1. en regel 8. als regel 2.
Het lijkt ingewikkeld maar als de teksten klaar zijn blijkt het simpel te zijn en geeft het een leuk effect aan de tekst.
We moet wel voortdurend opletten dat de kinderen door het effect van de vorm de belangstelling voor de inhoud van de tekst niet verliezen.

De oorspronkelijke voorwerpen hebben hun eigen verhaal, gebaseerd op het gebruik ervan en zo meer. De dingafdrukken hebben weer hele nieuwe verhalen. Die teksten naast elkaar zijn prachtig materiaal voor de museumkastjes. Dat niet iedereen het verband ziet maakt het spannend.

Het fotografiemuseum

Een leerkracht heeft zijn verzameling fototoestellen meegebracht

Van een vierkant boxje tot een volautomatische kleinbeeldcamera. De collectie ligt op een tafel uitgestald, de kinderen in een kring er omheen.
Het enthousiasme voor alle toestellen is groot. De nieuwere modellen worden meteen herkend, de oudere moeten betast en besnuffeld worden.
We doen een vertelronde over die keer dat je gefotografeerd werd. Waar dat was, hoe je op de foto staat. Wat er gebeurde nadat de foto gemaakt werd, of juist ervoor. Wie die foto maakte en waar de foto nu is.
De tweede vertelronde gaat over die keer dat je zelf een foto maakte. Waar dat was en hoe het lukte of mislukte. Het is een levendige les waarin de kinderen met woorden veel foto's verbeelden, en dat is een goede manier om met taal om te gaan: precies kijken in je geheugen en precies verwoorden wat je voor je ziet.
De volgende les nemen de kinderen veel foto's mee die ze zelf gemaakt hebben en foto's waar ze zelf op staan. Nu zien we de foto's in het echt en we leggen de verhalen van de vorige keer erbij. Ook brengen ze, als ze die hebben, hun eigen fototoestellen mee. Van kartonnen instantcamera's tot echte toestellen met flitsers.

Net zoals bij het Leeftijdmuseum dienen de voorwerpen, de foto's en de toestellen waarmee ze gemaakt zijn als even zovele opstapjes naar de verhalen van de kinderen. Niet alleen een vakantiefoto of een babyfoto, maar de gehele geschiedenis eromheen komt tot leven.
Het gaat ook niet om de oude en nieuwe fototoestellen zelf, alhoewel het aardig is om naar al die verschillende typen te kijken.
De les is een goed voorbeeld hoe de hobby van een leerkracht, of van een van de ouders tot een geslaagde les kan leiden.

Lampjes, licht en donker, vroeger en nu

Een verzameling lampen, oude en nieuwe
Olielampen, een zaklamp, een oude kampeerlamp, een stormlantaarn, poppenhuislampjes, een nachtlichtje voor in het stopcontact, drijflontjes in een Maria-doosje, een kaarsje, een gloeilamp, een schijnwerper.

De vertelronde gaat over de laatste keer dat je een vuur of vlam zag
De verhalen gaan van kampvuur en straatfikkies tot theelichtjes en gasvlammen.
De lampjes die ik meebracht roepen reacties op, hier en daar worden vragen gesteld over wat iets is of hoe iets werkt. Vaak zijn er dan andere kinderen die een antwoord weten.
De oude lampen worden door de meeste wel herkend. De drijflichtjes kennen ze niet. Ik vertel hoe ze werken en dat ze vroeger als nachtlichtje werden gebruikt.
Ik vraag wie iets bij een lamp kan vertellen. De kinderen weten al dat het een eigen ervaring moet zijn. Meestal begint een verhaal met 'ik heb ook zo'n lampje'. Ik probeer dan soms naar aanleiding van de rest van het verhaal een specifiekere vraag aan de groep te stellen.
Bijvoorbeeld: 'Wie heeft zich ook wel eens aan een lamp gebrand?'
Of: 'Wie heeft wel eens meegemaakt dat het licht uitviel?'
Of: 'Wie slaapt 's nachts ook met een lichtje aan?'
Dat leidt tot allerlei verhalen, bijvoorbeeld over olielampjes in Suriname of de duisternis op straat in Indonesië, over vaders die in het donker in meterkasten staan te prutsen en over verschillende soorten licht die je vanuit je bed kunt zien.

Dingen van vroeger
Een geboortebeker, een tinnen muisje, een oude globe, een ivoren olifant, een kinderboek uit Suriname, een babyarmbandje, een oude teddybeer, een doopkaars, een vierkante munt uit Suriname, twee oude beren, een zonnebril, een telefoonboek uit 1891, een rugzakje maar dat ziet er nieuw uit, een in brons gegoten babyschoentje, een speelgoedaap.
Ik vraag: wie weet hoe oud zijn voorwerp is? Juf Ingrid weet het precies, omdat haar geboortekaars net zo oud is als zijzelf, 33 jaar. Een knuffelbeer is zeker ouder dan zijn eigenaar, maar hoe oud precies? Op sommige dingen blijken nu jaartallen te staan: op de oude Surinaamse munt bijvoorbeeld en ook op een gulden uit 1960. Dat vinden de kinderen al heel oud. In het oude telefoonboek staat een jaartal uit de vorige eeuw.

We gaan op volgorde van ouderdom van de voorwerpen in de kring zitten
Nadat alle voorwerpen op witte velletjes op de grond zijn gelegd, schrijft iedereen een zin over het eigen voorwerp op een strook. De zin kan gaan over een ervaring met het voorwerp, en moet geen beschrijving ervan zijn.
De zinnen worden voorgelezen. Daarna is er ruimte om elkaar vragen te stellen over de zinnen en de voorwerpen

NB
De beschrijvingen zijn kort, maar in principe duidelijk genoeg om mee te werken.
Voor details van de werkvormen zijn elders op de website pagina's te raadplegen.
Het verdient aanbeveling een bepaalde werkvorm vooraf met collega's of vrienden uit te voeren.
De knelpunten zijn daarmee vooraf te herkennen en belemmeren niet de voortgang van een les met je kinderen.

De complete tekst
met uitgebreide beschrijving van de werkvormen en voorbeelden van teksten die kinderen schreven kunt u opvragen bij:
archief taalvorming

Voor het maken van een Natuurmuseum verwijzen we naar het project 'Nieuwsgierig naar onze natuur'.

naar boven