startpagina

register
trefwoorden


index
literatuur


bekijk
foto's, werk



 

 


AR252
Taalvorming

Nieuwsgierig Naar Onze Natuur

Inleiding
De mogelijkheden die taalvorming biedt om in de klas met taalonderwijs en natuuronderwijs te combineren..

Taalvorming geeft leerkrachten middelen in handen om de nieuwsgierigheid van kinderen naar wat er in hun leefomgeving gebeurt te begeleiden en de resultaten ervan te integreren in het natuuronderwijs.
Meestal is het zo dat er bij natuuronderwijsmethodes gezocht wordt naar een creatieve verwerving en verwerking van de leerstof.
Bij het taalonderwijs worden soms thema's en onderwerpen die aan de natuur ontleend zijn gebruikt.
Taal ten dienste van natuur-onderwijs, of natuur ten dienste van taalonderwijs.
In het project "Nieuwsgierig Naar Onze Natuur" is gestreefd naar een gelijkwaardigheid van beide vakken.

Doelen
Een aantal doelstellingen van het Natuuronderwijs komen overeen met die van Taalvorming.

* Het onderzoeken met gebruikmaking van alle zintuigen.
* Het leren benoemen van wat je waarneemt.
* Het prikkelen van de fantasie van kinderen.
* Aandacht schenken aan de omgeving waarin je leeft.
* Zorg voor een speelse benadering van de stof.
* Het trainen van vaardigheden zoals tekenen, schrijven, meten, wegen, schatten.

Kortom: een goede reden om eens meerdere leervakken te integreren met taalvorming.

Kunstzinnige vorming en de zaakvakken


Het verschil tussen kennis en ervaring.
Kunstzinnige vorming doet een beroep op de emotionele vaardigheden van kinderen.
De zaakvakken, waaronder ook natuuronderwijs valt, raken de cognitieve kant.

Er wordt wel eens gedacht dat het mogelijk is om het verwerven van kennis te 'versieren' door iets creatiefs met de verwerving en de verwerking te doen.
Op een leuke manier moeilijke stof er in krijgen. Dat doet geen recht aan de waarde van de kunstzinnige vorming.

Taalvorming is een leerdoel op zichzelf.
Dat daardoor een voedingsbodem ontstaat waarop de cognitieve vaardigheden zich beter ontwikkelen, is mooi meegenomen.

Als je een egel meeneemt naar school en je vertelt dat er zoveel egels platgereden worden omdat ze bij gevaar niet wegrennen maar zich oprollen, volg je een kennislijn. Het gaat erom dat de kinderen iets bepaalds over die egel leren.

Als kinderen vertellen over een egel die ze in een bos zagen wegkruipen is dat wat anders.
Wat kinderen zelf waarnemen en waarover ze elkaar vertellen is de ervaringslijn.
Die twee lijnen moeten apart aandacht krijgen en mogen niet door elkaar gehaald worden.

Ontdekkingen doen de kinderen zelf.
In dit project brengen we weinig in, maar er komt zeer veel uit.
Je kunt echter niet voorspellen wt er uitkomt.
We stellen niet vast wat de kinderen moeten weten.
We brengen ze in contact met de schoolomgeving.
Op deze manier leren de kinderen minstens even veel als aan de hand van gestructureerde natuurlessen. Je kunt daar best op vertrouwen.

Werken met je zintuigen, n voor n.
Taalvorming moet het hebben van het goed gebruiken van je zintuigen.
Kinderen gebruiken hun zintuigen meestal gelijktijdig.

Sommige zintuigen zijn beurtelings extra actief.
De dingen die je ruikt zie je ook tegelijkertijd. Wat je ruikt wordt dan benvloed door wat je ziet. Je zou wel eens iets met een smerige kleur ook vies vinden ruiken.

Als je je ogen dicht doet kun je beter ruiken: Maar als je dan smerige geluiden hoort zal dat ook weer hetgeen je met je neus waar- neemt benvloeden. Wil je de kinderen leren hun zintuigen actief te gebruiken dan is het goed ze stuk voor stuk in te zetten.

Luisteren

We doen allemaal onze ogen stijf dicht.
We concentreren ons op wat er via onze oren naar binnen komt.

Bijna fluisterend vraag je de kinderen te luisteren naar de geluiden die ze in de klas horen.
Ik hoor dat er vingers in de lucht gaan met bijpassende kreuntjes.
Iedereen hoort iets en wil daar wel over berichten, maar omdat we onze ogen dicht hebben kunnen we niet zien wie zijn vinger opsteekt.

De kinderen vertellen met hun ogen dicht wat ze horen:
voetstappen, het schuiven van een stoel, stemmen op de gang, een vogel buiten.
Als er een vrachtauto voorbij komt heeft iedereen dat natuurlijk boven alles uit gehoord.
Sommige geluiden hoor je pas als je heel stil bent, dan verschuift er een doosje op een tafel en valt er een potlood.

Pas wanneer de een helemaal uitgesproken is en het weer stil is, mag de volgende.
Dat spreken we wel af maar de meeste zijn zo enthousiast als ze iets bijzonders gehoord hebben dat ze die afspraak snel vergeten zijn.
Er is een enorme concentratie.
De groep luistert ook vaak naar muziek en daarbij doen ze ook hun ogen dicht. Dat zijn ze wel gewend.
Niet alle groepen kennen werkjes waarbij ze hun ogen moeten sluiten, dan valt er veel te giechelen.
Ogen weer open.

Op het bord met de groep lijsten van geluiden maken.
Soorten geluiden:
hard-zacht, mooi-lelijk, digitaal, dierengeluiden, mensengeluiden, geluiden van dingen.
Ruisen, gillen, krassen, bonken, piepen.
Veel geluiden moeten omschreven worden: het geluid van de kat die zijn nagels scherpt aan het behang. Het geluid van het suizen van je bloed in je oor.

De meeste geluiden willen de kinderen wel voordoen, maar daar ga ik bewust nu niet op in.
We zijn met een taalactiviteit bezig en daarvoor moet je geluiden in woorden kunnen vastleggen. Dat is moeilijk maar het moet.

Oefening in precies vaststellen van geluiden.
Een kring van cijfers op het bord. Van 1 tot 29, evenveel als er kinderen zijn plus de juf en ik.
Geluiden van hard naar zacht, maar niet met je stem. 1 is het zachtste geluid en 29 het hardste.

Carina maakt een heel zacht geluid door met haar vingers over haar tafelblad te vegen. Niemand hoort het, zo zacht is het. De gewone geluiden in de klas zijn er ook nog steeds: gerommel, gepraat en gefluister, pennen die vallen, stoelen die verschoven worden.

Patrick maakt het hardste geluid. Hij buigt een plastic liniaal en laat hem met een pets op zijn tafel neerkomen. Later blijkt dat Mike het nog veel harder kan met de zijkant van zijn liniaal. We moeten het nummer van het geluid veranderen.
Het wordt steeds moeilijker.

Geluiden van kreukelende papiertjes liggen heel dicht bij het rammelen van een paar potloden tegen elkaar.
Af en toe vraag ik de kinderen vooraf een plek op de ronde cijferschaal te noemen en daarbij het geluid te maken.
Een andere keer maken twee kinderen opnieuw hun geluid en moet een ander kind een geluid er precies tussenin bedenken.

In de kring
Als iedereen een geluid gemaakt heeft en weet welk nummer dat heeft gaan we in de kring zitten op volgorde van ons geluid.
Iedereen weet wel zijn nummer, maar het is toch nog even moeilijk de kring te organiseren zodat ieder op z'n plaats komt.
Sommige kinderen proberen de leiding te nemen en denken door steeds harder te roepen de boel te kunnen regelen. Anderen kijken hulpeloos naar mij, maar ik grijp niet in.
Dan, ineens, zit het hele stel.

Voorlezen
Ik lees het gedicht 'De zwarte kater' van Hans Andreus voor.
De kinderen vinden het mooi en vragen om herhaling.
Ik lees opnieuw voor en laat het miauwen aan de groep over.

Het volgende gedicht, 'De mus' van Jan Hanlo, wordt voorgelezen door Nienke.
Ze heeft zich opgegeven om voor te lezen maar kijkt wel even verbaasd als ze ziet dat het hele gedicht uit Tjielp, tjielp etc. bestaat. Ze begint er dapper aan.
De kinderen grinniken. Het gedicht komt heel helder bij ze over.

Vincent vindt dat het beter kan, tjielpen in verschillende toonhoogten. Nu willen er meer.
Het gedicht wordt zes keer achter elkaar door de kinderen voorgelezen.
Prachtig, Jan Hanlo zou er tevreden over zijn.

Twee lijstjes.
Het ene van natuurlijke geluiden die je de vorige week heel precies gehoord hebt.
Het andere lijstje van kunstmatige geluiden. Het poepie van je vader mag ook, vindt Vincent. Op het maken van de lijstjes volgt een begeleide associatie, welke kleuren, geuren, vormen en zo meer horen bij het geluid?

Twee gebieden: kennis en ervaring
Het ene waar de ervaring benut wordt, het andere waar kennis een rol speelt, respectievelijk de creativiteit in het mken van geluiden en het rubriceren van die geluiden, vullen elkaar op een natuurlijke manier aan.

Kinderen leren hun zintuigen in te zetten om iets van hun omgeving te weten te komen.
Niet alleen de leerkracht of de leerboeken dragen kennis aan.

Pozie en de natuur

Een gedicht als een vergrootglas.

Dichters kijken op een bijzondere manier naar de dingen om hen heen.
Dat gebeurt op een intensieve wijze. Iedere dichter doet dat op een geheel eigen manier.
Ze ontdekken in de gewone dingen om hen heen het bijzondere.

Als je kinderen een gedicht voorleest, maak je gebruik van de uitvergrotende waarde die deze manier van kijken en schrijven geeft.
Vaak ontlenen gedichten hun inhoud aan de natuur.
Gedichten vormen daarom een goed uitgangspunt om kinderen op een andere, meer nauwkeurige, manier naar de natuur te laten kijken.
Bovendien geeft het voorlezen van een gedicht je de mogelijkheid de kinderen in een rustige stemming te laten komen aan het begin van een les.
Hun aandacht richt zich op een potische manier van kijken.

Er is nu geen invullesje aan de orde.
Aan het begin van de les is het duidelijk waar het om het gaat: om taal en het gaat over de natuur en de dichter heeft het z beschreven dat je het al meteen voor je ziet.
Een goede dichter doet dat beschrijven heel precies; wat hij met al zijn zintuigen waarneemt schrijft hij op.

Uitvergroten
Als kinderen hun zintuigen als vergrootglazen gebruiken, kunnen ze ook heel goed opschrijven wat ze gezien, gehoord, gevoeld en geproefd hebben.
Wat ze verder over de natuur moeten 'weten' komt dan vanzelf.
De compacte vorm en het ritme van een gedicht zorgen ervoor dat de kinderen de werking ervan heel bewust ervaren. Ook als ze zelf schrijven.

Ze hebben vaak meer plezier in het schrijven van een gedicht dan van een verslagtekst.
Als kinderen een eigen gedicht voorlezen voor de klas is het meteen al wat.
Als de hele groep dezelfde dichtvorm gebruikt, sluiten alle teksten meteen in vorm op elkaar aan.
Dat zijn vormen om lol in schrijven te krijgen.
Zo schrijf je met plezier over alles wat je in de natuur meemaakt.
De geconcentreerde manier waarop in een gedicht een observatie in de natuur onder woorden gebracht wordt is heel belangrijk.

Nieuwsgierigheid
In onze lessen hebben we de nieuwsgierigheid, het gebruik van al je zintuigen, gesteld boven een uitgebreide verklaring van hetgeen er in de natuur gebeurt.

Het wonderlijke is dat op deze manier de kinderen intenser bij hun natuur betrokken worden.
Het zijn geen natuurhistorische lessen waarbij de kennis uit een boek of van een afbeelding gehaald wordt.
Het zijn directe verbindingen tussen dat wat een dichter gezien heeft en wat de kinderen zelf gezien en meegemaakt hebben.
De dichter schrijft erover, de kinderen vertellen en schrijven erover.
Spaarzaam en alleen als het nodig is geven we uitleg over de natuur. Maar altijd op dezelfde manier als waarop de kinderen kijken en vertellen: vanuit de eigen ervaring.

Het gebruiken van gedichten in de klas blijkt waardevol te zijn.
Er wordt in geen enkel opzicht een beroep gedaan op feitenkennis.

Als een leerling geen antwoord op een kennisvraag heeft, kan hij het gevoel krijgen niet 'gescoord' te hebben.
Op dat moment staat een ontwikkeling stil.

Wie vaak geen antwoord op een vraag heeft verliest zijn belangstelling voor het onderwerp of probeert zich een beetje onzichtbaar te maken om niet opnieuw voor het blok gezet te worden.

Vragen naar ervaring kent dat probleem niet.
Alles wat je met je eigen ogen gezien hebt weet je precies.
Het vergroot ook je betrokkenheid bij het onderwerp. Het gaat er alleen maar om of je een bepaalde situatie voor je kunt zien, je kunt inleven in de sfeer.

Wat de kinderen naar aanleiding van een gedicht inbrengen of de antwoorden die ze geven bij het bespreken ervan worden nooit als 'fout' afgedaan.
Als iets onduidelijk is, vraag je gewoon door. Kinderen prikkelen zichzelf vragen te stellen.
Zo probeer je tevens in de gedichtenlessen een sfeer te creren die onderlinge rivaliteit uitsluit.

Bewaak het thema 'natuur' niet streng, maar kom via alle zijwegen er op een 'natuurlijke' wijze toch op terecht.

De leerkracht documenteert
Voor de leerkracht is het van belang de opmerkingen van de leerlingen goed in de gaten te houden. Later kun je dan zo'n opmerking gebruiken om het thema in de groep terug te brengen en er een leersituatie aan te verbinden.

Gedichten in de klas.
Omdat veel gedichten kort zijn, kunnen ze gemakkelijk een paar keer voorgelezen worden.
Aan het begin lees ik het gedicht in ieder geval twee keer achter elkaar voor.
Voor veel kinderen is het luisteren naar een gedicht geen gebruikelijke activiteit.

De tweede keer voorlezen brengt ze dichter bij de inhoud, ze ondergaan het ritme van het gedicht en beleven de vorm ervan.
Lees het gedicht van de vorige les k nog een keer voor. Het geeft een ideale aansluiting met wat we toen gedaan hebben.

Het is belangrijk voor het vertellen en voorlezen de tijd te nemen. Een rustige manier van vertellen geeft de mogelijkheid de inhoud goed over te dragen.

De verbeelding van een gedicht moet in de hoofden van de kinderen plaats vinden.
Het gedicht moet 'aankomen', ze moeten het herkennen en een plaats geven naast hun eigen ervaringen.

Eigen verhalen komen als vanzelf.
Sommige kinderen zitten meestal al op het puntje van hun stoel om ergens op in te gaan, anderen hoor je zelden.

Laat de kinderen per tafelgroepje ingaan op een gedicht.
De kinderen die niet het feitelijke antwoord geven zijn dan even goed gewaardeerd als de woordvoerders.
Het groepje bespreekt snel wat er gezegd kan worden en wie dat doet. Op deze manier zijn ze allemaal betrokken bij wat die ene zegt.
Zo ga je van groepje naar groepje en in de tijd die daar voor nodig is vormen de anderen zich weer een uitgebreider beeld over wat er aan de orde is en komt een groepje opnieuw aan de beurt.

Gedichten in de klas

Als ik in een klas ben en de gedichtenbundel: 'als je goed om je heen kijkt zie je dat alles gekleurd is' laat zien en de titel voorlees, zie ik verschillende kinderen al om zich heen kijken of dat wel zo is.

De kinderen be noemen wat ze zien en welke kleur dat heeft.
Blauw: het paard van de poster.
Wit: de muur van de klas.
Zwart: de hoed van meester Henk. Ik moet even duidelijk maken dat het een pet is.
Wit: de blouse van de juf.
Groen: de bladeren bui- ten. En zo door.

De stemming is er al meteen.
De kinderen vinden deze activiteit leuk.
Kijken en dan iets benoemen is een goede werkvorm waarbij in dit geval iedereen iets kan zeggen.
Iedereen heeft de kans zijn stem te laten horen. Ze kunnen er bijna niet mee ophouden.

Ik lees "Het lied van de zwarte kater" van Hans Andreus voor.

Ik ben de kat Hieronymus
of eigenlijk een kater.
Ik ben geen zachte lieve poes,
geen dot, geen schat, geen lieve snoes, ik ben een mensenhater.
Mauw, maaauw, muw! .................enzovoort.


We praten over katers, poezen en kleine poesjes.
We weten niet zo vlug of jonge poesjes ook een speciale naam hebben zoals kalfjes en puppies. Uitgebreid vertellen de kinderen over hun ervaringen met poezen. Wat je ze te eten moet geven en hoe ze krabben.
Verhalen over poezen die 'weg moeten' als ze lastig zijn bij de verhuizing.

De gedachten van Boyke dwalen af en hij begint een lang verhaal over ongedierte. Waar het in hun flat 'voorkomt en wat ze er aan doen.
Voorzichtig breng ik het gesprek op het verschil tussen gedierte en ongedierte.
Bij ratten en muizen komen we in de war want er zijn toch ook lieve witte muizen en leuke ratjes die in je trui rondkruipen en waarmee je kunt spelen?
Goed, als mensen er last van hebben, is het ongedierte, stellen de kinderen vast.
Maar al die lieve duiven en hondjes dan die op je hoofd en op straat poepen? Hebben we daar last van? Is het ongedierte?
De groep blijft met een vraagteken boven de hoofden zitten.
Dat is maar goed ook.
Niet overal is een sluitende verklaring voor.

Terug naar het lied van de kater.
Als refrein komt steeds: Mauw, miauww, maaauw.
We gaan na of je het verschil tussen het mauwen van een kater, een poes en een jong poesje hoort en hoe je dat opschrijft.
De kater moet met maaaauw, de poes: miauw.
Ik schrijf het op het bord en we stellen samen vast met hoeveel a's het geschreven moet worden. Voor de poesjes piepen de kinderen zo zacht, dat ik het met hele kleine lettertjes op het bord moet schrijven.
We proberen of de geluiden overeenkomen met wat ik op het bord schreef.
Voor de poes is het wel goed maar voor de kater moeten er nog emmen voor en w's achter: mmmmaaaauwww.

We leren hoe gedichten in elkaar zitten.
We praten over het verschil tussen pozie en proza, tussen een versje en een hoofdstuk uit een boek.
Als ik vraag wat een gedicht is zeggen de kinderen: het rijmt meestal, er zijn stukjes, het is kort.

Ik benadruk dat er ook gedichten zijn die niet rijmen en dat de rijmende woorden niet altijd precies onder elkaar voorkomen.
Het lied van de kater heeft duidelijk gemaakt dat je ook geluiden in een gedicht kunt horen, dat je geluiden kunt opschrijven.
Er zijn zelfs gedichten die helemaal uit geluiden gemaakt zijn:

"De mus" van Jan Hanlo.

Tjielp tjielp -tjielp tjielp
tjielp tjielp tjielp -tjielp tjielp
tjielp tjielp tjielp tjieip tjielp tjieip
tjielp tjielp tjielp
Tjielp etc.


Het gedicht voorlezen.

Het is moeilijker dan ik dacht.
Je moet heel goed opletten hoeveel tjielpen er zijn en waar de pauze zit.
Eerst vinden de kinderen het maar raar, een gedicht met alleen maar getjielp.
Ze krijgen er lol in als ze het gedicht op verschillende manieren zelf voorlezen, voor de klas.
Als een hele jonge mus, als een opa-mus, als een boze mus, als een mus die moe is.

Het is belangrijk dat kinderen gedichten als gewoon accepteren, ook al lijken ze bij de eerste keer lezen raar.

De vertelronde in de vertelkring.
Een vertelronde gaat over iets wat voor kinderen gemakkelijk is om te vertellen.
Dat zijn dingen die ze weten omdat ze ze zelf meegemaakt hebben.
Om de beurt krijgt iedereen het woord.

Het is goed om er in de klas een gewoonte van te maken te vertellen hoe iets bij jezelf gaat en dat te horen van een ander.
Deze vertelronde gaat over wat je zelf in de natuur meemaakt.
Dat is iets anders dan wat je allemaal over de natuur gelezen of gehoord hebt.
Kinderen onthouden dingen die ze zelf meegemaakt hebben beter dan dingen die ze uit een boek leren.

Wat heb je in de natuur zelf meegemaakt?
Het onderwerp 'natuur' heb ik teruggebracht tot: 'Wat is het laatste dat je met een plant of dier beleefd hebt?'
Er komen prachtige verhalen over het in de grond stoppen van sinaasappelpitten, avocado's en rozenbottels.
Bryan laat zien hoe hij door een parkiet in zijn vinger gepikt is.
De Surinaamse kinderen vertellen hoe ze 'water op de planten zetten'. Ze bedoelen met zetten een heleboel en in dit geval is het 'gieten'.
Een ander vertelt hoe een boon gaat groeien op een nat wc- papiertje in een potje.

Ik lees voor uit Kikker en Pad: 'De tuin'.
De verhalen uit 'Kikker en Pad' zijn net als gedichten.
Ze zijn kort en er is op een bijzondere manier gekeken naar de gebeurtenis.

Lijstjes
We maken lijstjes over de plekken waar je iets met planten deed.
Een lijstje is een klein formaat blaadje waarop de kinderen in steekwoorden schrijven.
Een tweede lijstje gaat over plekken waar iets met dieren aan de hand was.

Een lijstje geeft de kinderen de mogelijkheid eerst hun ervaringen te ordenen voordat er iets mee moet gebeuren. Het biedt de veiligheid dat als je ergens niets over kan of wil zeggen, je gewoon iets anders uit het lijstje neemt.
Het is een rustpunt.
De steekwoorden hebben alleen voor jezelf betekenis. Ze hoeven ook niet juist gespeld te zijn.

Schrijven met een kartonnetje op je knie
We slaan ons linkerbeen over het rechter. Dat moet, anders kun je niet op het kartonnetje schrijven.
Als we allemaal met ons been dezelfde kant uit zitten schoppen we elkaar niet.

Ondanks dat we weten dat op een lijstje alleen steekwoorden horen, zijn er kinderen die het niet kunnen laten alvast hele zinnen te schrijven.
Dat kost zoveel tijd dat ze maar n ding op hun lijstje hebben staan.

Na het lijstje komen er tweetalgesprekken.
Een gesprek met iemand die naast of tegenover je zit.
Het gaat over iets dat op je lijstje staat.
De n vertelt, de ander luistert.
Hoe was iets dat je deed, zag of hoorde precies?
Voor sommige kinderen is het gemakkelijker met z'n tween te praten dan in de grote groep. Het schrijven daarna gaat beter.

De gesprekken vinden in de kring plaats.
Ik geef alle kinderen een nummer: 1, 2, 1, 2, enzovoort.
Ieder kiest een onderwerp uit het lijstje om over te vertel- len.
Alle nummers 1 vertellen aan de nummers 2.
De kinderen mogen niet op het vertelde reageren met hun eigen bevindingen.
Ze mogen wel om verduidelijking vragen als dat nodig is.
Na korte tijd, twee minuten, wisselen we.
De nummers 2 vertellen nu en de nummers 1 houden hun mond.

Tweetalgesprekken lukken niet meteen.
De kinderen zijn meer gewend aan vragen en antwoorden van de leerkracht.
Praten met elkaar doen ze in het speelkwartier en tussendoor, maar dat gaat anders dan nu. Tweetalgesprekken kun je leren.

Het is een kwestie van concentreren, ook als je toevallig iemand treft die niet zo'n duidelijk verhaal heeft, of als je iets heel spannends van een ander tweetal opvangt.
De samenstelling van de kring bepaalt met wie je een tweetalgesprek moet voeren. Dat is meestal iemand anders dan naast wie je altijd gaat zitten.

Zo praten meisjes met jongens waar ze anders geen stom woord mee wisselen.
Hoewel ik al veel tweetalgesprekken meegemaakt heb vind ik dat nog steeds een heel intiem gedeelte van de les.
De kinderen gaan er gezellig voor zitten en een prettig geroezemoes stijgt op.

In mijn tweetal heb ik verteld over de hond waar ik wel eens op pas.
Daar kwamen twee onderwerpen in voor.
Hoe moeilijk het oude beest de trap af loopt en dat hij altijd ligt te schokken in zijn droom.
Ik vraag de kinderen, als ze gaan schrijven, om er maar n onderwerp uit te kiezen. 'Het moet ook kort zijn.
Daarom krijgen jullie maar kleine blaadjes.'

Na het tweetalgesprek is het heel makkelijk om te schrijven.
De kinderen schrijven wat ze zojuist verteld hebben.
De woorden zijn er al.

Het schrijven kan ook in de kring gebeuren.
Dan moeten er kartonnetjes beschikbaar zijn die je op je knie kunt leggen. In het begin vinden kinderen het moeilijk om op hun knie te schrijven en soms leggen ze hun karton op hun stoel.

Dat vind ik niet goed want als iedereen dat doet ontstaat er een onduidelijk gerommel.
Ik kies voor schrijven op je knie, als ik daarna gezellig in de kring naar de teksten wil luisteren.
De kinderen kunnen ook naar hun tafeltje terug gaan om te schrijven.
Als er dan voorgelezen wordt doen de kinderen dat voor de klas.

Schrijven wat je vertelde.
Veel kinderen hebben de behoefte hun verhalen in de tijd een plaats te geven. De chronologie wordt met veel 'en toen' aangegeven:

Een keer had ik een snoek van 26 cm bij het Ooievaars pad gevangen. Die snoek pakte mijn visje. Toen liet ik mijn snoer lopen en begon hij weer te trekken en te trekken. En toen ging ik hem aanslaan en ik had hem.Boyke.

Storende chronologie
Het verhaal begint vaak met de personen met wie ze allemaal waren, de namen van de plaatsen, het vervoermiddel waarmee ze waren en zo meer.
Tegen de tijd dat het eigenlijke verhaal komt zijn ze moe en laten ze op dat moment relevante informatie vallen.
Ik haal naar voren wat er met schrijven aan de hand is.
Het moet kort zijn. Er moet staan wat je echt wilt zeggen.
Je schrijft over n onderwerp en laat alle details die er niet toe doen weg.

Er is geschreven dat het een lieve lust was.
Het tweegesprek en het vertellen heeft ze geholpen.

Het was in de woonkamer gebeurd. We hadden of nee we hebben een hangplant op de kast die is heel lang. Op die dag was het warm en het waaide een beetje. Ik was alleen thuis en de plant waaide van de kast. Die hangplant was oud van onderen. Maar hij was nog heel goed en we hebben hem nog steeds. Caroline.

Een keertje ging ik buiten spelen. Toen was er veel zon. Ik ging alleen op het voetbalveld ballen. Toen zag ik een kievit liggen die niet kon vliegen. Toen had ik hem mee naar huis genomen naar mijn vader. Ik mag hem mee naar binnen.
Benjamin.

In mijn kamer zat ik sinaasappel te eten. Toen had ik het zaadje geplant. Toen het 's-morgens was ging ik kijken of het gegroeid was. Ik zag dat er een klein plantje aan zat. Toen zei ik tegen mijn moeder als ze wilde komen kijken en toen zei ze ik kan niet komen kijken. Judelca.

Zo zijn er 26 mooie teksten geschreven.
Verhalen over wat er allemaal gebeurd was met planten en dieren.

Op de voorleesstoel.
Deze keer gebeurt het voorlezen op een voorleesstoel die voor de klas staat.
Steeds komt er van ieder tafelgroepje een kind op zitten om zijn verhaal voor te lezen. De andere kinderen luisteren ingespannen.
Wie niet wil hoeft niet voor te lezen.

De kinderen mogen ook aan mij vragen het verhaal voor te lezen.
Een voorleesstoel is een belangrijk hulpmiddel geworden. De kinderen ontlenen er iets aan. Sommige kinderen kijken eerst de kat uit de boom voor ze er op plaats nemen.
Het is nog steeds heel bijzonder als je je tekst voorleest en de hele klas luistert er naar.
Ik bepaal soms dat er geen twee verhalen over het zelfde dier of dezelfde plant voorgelezen worden.

Soms is er geen tijd voor alle 26 verhalen.
Ik laat een andere keer juist alle verhalen die over hetzelfde dier gaan aan bod komen en de rest niet.

Ik had een rups in mijn handen. Hij was heel vochtig en nat en had heel veel zand aan zijn lijf l
eest Mirelva.

Bryan:
Ik had een keer een snoek van 1 meter in mijn hand gehad. Hij was glad en had een grote mond. Hij kan je bijten.

Suli leest voor:
Eens een keer had ik een hamster in mijn hand gezet en toen ging hij helemaal in mijn blouse. Toen wou ik hem pakken van voren, hij ging weer naar achteren. En het voelde zacht aan
.

Deze verhalen zijn echt.
De gedetailleerdheid ervan geeft aan dat de kinderen goed naar hun ervaring gekeken hebben.

De excursie

Begin iedere les met het voorlezen van een gedicht

Ook nu we straks op pad gaan, maak ik daar tijd voor. Er is mij veel aan gelegen, dat de kinderen het gevoel hebben dat het straks buiten in de natuur k om taal gaat.

Gedichten horen niet uitsluitend bij een taalles
De kinderen luisteren doodstil en ingespannen.
We praten over planten in de vrije natuur en planten die je mee naar school neemt.
We delen het gereedschap uit dat nodig is voor de excursie in de omgeving van de school.
We leggen uit wat je met het gereedschap kunt doen.

Er zijn verrekijkers, vergrootglazen, potjes met deksels.
Er zijn ook potjes waarvan de deksel een vergrootglas is en waar op de bodem een centimeterschaal aangebracht is.
Plastic zakjes, schepjes en schepnetjes.
Spiegeltjes om onder planten en paddenstoelen te kijken.
Kokertjes om door te luisteren.
Scharen.

Hoe gebruik je je zintuigen?
Als alle zintuigen bij een excursie tegelijk gebruikt worden komt er een overvloed aan informatie bij de kinderen binnen.
Dat wordt nog eens versterkt door het bijzondere van de excursie. We gaan op stap en te oordelen naar de spullen die we meenemen lijkt het wel een schoolreisje.
Eigenlijk zou het heel gewoon moeten zijn dat kinderen buiten het schoolgebouw les krijgen.

Het is zinvol als je je zintuigen selectief gebruikt. Goed luisteren en dan naar n geluidsbron. Ergens aan voelen. Iets besnuffelen of aan een sprietje gras likken.
Om het voor de kinderen gemakkelijker te maken heb ik vooraf bladen papier verdeeld in vier vakken. Ieder vak is voor het vastleggen van informatie die je krijgt via n zintuig.
De opdracht is dat je begint met het zintuig dat bij het bovenste vak aangegeven is.
Als dat gedaan is mag je door naar andere zintuigen van je keuze.

Geef de bladen per groepje van vijf een tekentje in de hoek van het papier: een visje, een vogeltje, een blaadje, een bloempje.
Op deze manier weten de kinderen bij wie ze horen en is het buiten gemakkelijk om te zeggen waar het 'vissengroepje' naar toe moet.
Ieder begint dus met n zintuig.
De kinderen vragen hoe ze moeten weten of iets giftig is of niet.
Zo maar likken aan een regenworm durft niet iedereen.

Als je niet zeker bent van iets dan doe je het vanzelf niet
.
Je ruikt al van een afstand waar je beter niet van kunt proeven.
Je ziet al tevoren de stekels aan een plant die je niet kunt betasten.
Je hoort duidelijk aan een hond of die geaaid wil worden of niet.
Je zintuigen waarschuwen je wel van tevoren.

We gaan naar een plek, een park, in de buurt van de school, waar van alles te vinden is.
Er zijn struiken en bomen, een open plek en een kleine heuvel. Er is een plas en in de verte weilanden.
Daar aangekomen wijs je ieder groepje van vijf kinderen een plek van ongeveer 10 x 10 meter om heel precies te onderzoeken.
Op deze manier concentreren ze zich een beetje en rennen niet als jonge honden door het hele park, van de ene leuke plek naar de ander, zonder werkelijk iets goed op te nemen.

Alles wat meegenomen kan worden, zoals takjes, blaadjes, stenen, gaan in een plastic zakjes.
De wormen, spinnen en duizendpoten in een potje met een dekseltje waarin gaatjes geprikt zijn.
Geluiden kun je niet meenemen, behalve als je een bandrecordertje bij je hebt en dan nog is het moeilijk precies dat ene geluidje op te nemen.
Over wat je hoort moet je schrijven.

Sommige dingen zijn te groot of te ver weg om mee te nemen: vogels maken zich uit de voeten. Die kun je tekenen of er over schrijven.

Wat je proeft valt moeilijk te tekenen dus dat moet ook beschreven worden.

De natuur is koud en nat
Als we buiten komen giert de wind om de hoge flatgebouwen.
Een koude regen slaat neer.
De meeste kinderen zijn veel te dun gekleed en staan te bibberen. De papieren worden nat en de gevonden dingen waaien met zakje en al weg.
Toch zetten we moedig door.

We komen voorbij een plek tussen de flats waar een mevrouw een soort priv-tuintje in het plantsoen gemaakt heeft.
Even verderop is een goede onderzoekplek.
We vinden takjes bladeren en stenen op de grond. Bij het scheppen komen de beestjes tevoorschijn: wurmen, een pot vol pissebedden, slakken en mieren.

Dingen die niet in de natuur thuis horen.
Een zak vol peuken, plastic dop- pen, eierschalen, ijzerdraadjes en zelfs een verfrommelde brief. Iemand vindt een aansteker die het nog doet.
Er zijn verrotte stammetjes met zwammen erop en diertjes erin.

Door de verrekijkers kijken we naar de meeuwen die niet vooruit komen in de harde wind.
We tellen de eenden in de vijver. Hoeveel gekleurde: mannetjes; hoeveel bruine: vrouwtjes.
Er is een lichtbruine bij.
Een van de eenden blijkt eigenlijk een waterhoentje te zijn.
We luisteren door de kokertjes naar de geluiden van de takken in de wind.
Er worden veel vieze dingen gezien en geroken. We voelen de kou en de regen.
Met een schepnetje vissen we spullen uit de vijver.

Terug in de klas gaan we onderzoeken.
Dat is rommelen met de meegebrachte dingen.
En ding dat je aan een nader onderzoek wilt onderwerpen.
Het moet opvallen tussen alle andere dingen op de tafeltjes van de kinderen, daarom leg je het op een wit vel papier. Het papier met de aantekeningen ligt er naast.

De kinderen zijn enthousiast.
Ze vertellen elkaar over wat ze gezien hebben. Ze laten alles aan de meester en juf zien, kijken door de vergrootglazen, vragen en roepen veel.

Dan is het tijd om precies te kijken.
Daarvoor moet het stil zijn in de klas.
De kinderen concentreren zich op het ene ding. Ze schrijven er over, maken er een precieze tekening van.
Goed kijken is niet makkelijk.
Wat is dat? 'Oh, dat is een takje.'

Na het onderzoek op het bord categorien
Drie rijen.
1. Niet levend: stenen, schelp, dopje, papiertje;
2. Dieren: spin, pissebed, slak, meeuw, eend;
3. Planten: die bruine met een dun steeltje.

We moeten beslissen wat we met de spullen gaan doen.
We zetten een B achter de dingen die we willen bewaren.
BO achter wat we willen bewaren en opplak- ken;
BD is bewaren en drogen;
BS is bewaren en schoonmaken.
N betekent dat we dat na het bestuderen terugzetten in de natuur.

De verslagkring.
De eerste leest voor wat er geschreven is en laat zien wat er bij hoort.
In principe mogen maar twee kinderen hierover vragen stellen opdat de kring niet te lang gaat duren.

Stel stimulerende vragen tussendoor.
Het zijn vragen waardoor de kinderen verder kunnen.
"Heb je de steen geproefd?
De steen smaakt naar niets.
Wat smaakt er nog meer naar niets? Rijst, spaghetti wonder saus, water.
Maar het water in het zwembad dan? Dat smaakt naar chloor.
Ruik je dat of proef je het?
Hebben jullie water uit de vijver geproefd? Nee? Oh, je kunt al zien en ruiken dat het vies zal smaken."


Als er over een steen verteld is gaan we de rij af of er nog meer kinderen zijn die over een steen geschreven hebben.
Daarna gaan we vertellen over een besje, een blaadje, een paddenstoel en zo verder.
Op deze manier luisteren we naar de verslagen over dingen die bij elkaar horen en kunnen er vragen over stellen.
Er zijn vragen waarop we het antwoord vinden door goed te kijken.

Sommige kinderen weten er iets over omdat ze er over gelezen hebben of omdat ze het op de televisie gezien hebben.
Het is zaak in deze kring de kinderen bij de dingen te houden die ze uit eigen ervaring en niet van de tv hebben.

In principe ben ik er niet op uit om alles precies te benoemen met de namen uit de boeken.
Het gaat erom waar de kinderen samen op uit komen: vruchtjes, blaadjes van bomen en die van struiken.
De schubben van een dennenappel.
Een besje openmaken en merken dat het zuur smaakt.
Wat zijn kruiden?
Wat is een vieze geur eigenlijk? Sommige kinderen vinden de geur van rotte planten niet vies.

Echte ervaringen
Door een scheiding te maken tussen de dingen die kinderen leren omdat ze er een zintuiglijke ervaring bij hebben en de zaken die uit een boek te leren vallen, bereik ik dat ze op een natuurlijke manier hun ervaringen opslaan.
Het leren uit een boek is vaak verbonden met lastige vragen die je er later over gesteld kunnen worden en waar je dan even het antwoord niet op weet.

Je eigen ervaring blijft altijd bij je.
De vragen daarover weet je altijd te beantwoorden. En als je bij die ervaring meer wilt weten kun je het opzoeken. Zo onthoud je dat het rode takje kornoelje heet. Dat er wel 3500 soorten paddestoelen zijn is even niet van belang.

Alle spullen bewaren we in een lege zandtafel die we van de kleuters lenen.
Het rotte stuk hout gaat in een leeg aquarium, want er zitten vast nog wel beestjes in die we willen bekijken.
De andere dieren gaan terug in de natuur, hup het raam uit.

De wormen in een wormenbak
De wormen bak bestaat uit twee glasplaten van 20 x 25 cm die met twee latjes vijf cm van elkaar bevestigd worden op een onderplank.
Tussen de twee glasplaten hebben we lagen verschillend gekleurd zand en aarde gedaan.
Er is ook een laagje verkruimeld piepschuim tussen.
Er gaat een vuilniszak overheen om het donker te maken.

De kinderen willen weten of de wormen niet zullen stikken in die smalle bak onder de lagen zand. Ze accepteren zonder meer dat de wormen in de natuur onder de grond zitten.
Nu willen ze er meer over weten.
Het is niet eenvoudig uit te leggen hoe wormen onder de grond aan zuurstof komen.
In ieder geval moeten ze veel vocht hebben.

Rasul doet met zijn nagels op de tafel voor hoe merels het geluid van vallende regendruppels nabootsen om de wormen naar boven te lokken.
Na drie dagen kunnen we kijken hoe het met de wormen gaat en wat ze gedaan hebben met het zand.
De kinderen noemen de wormen wurmen. Wie heeft er gelijk?

Er zijn twee kastjes die regelmatig geobserveerd moeten worden.
Fatin is bezig met het iedere dag tekenen van het aquarium met de rotte tak om te zien wat er veranderd is.
Er groeien af en toe piepkleine paddestoelen aan die echter meteen weer verdrogen in de droge lucht van de klas.
Cyril zal een nauwkeurige tekening van de wormenbak maken.
De verschillende grondlagen zijn fraai gevormd en afwisselend van kleur. Er valt eer mee te behalen om dat te tekenen.
Iedere keer als hij een nieuwe tekening maakt blijken de vormen van de grondlagen anders te zijn. Zo zie je hoe de wormen de aarde doorwoelen.

Het drogen van de planten.
Ieder groepje krijgt een vel stencilpapier. Het vel wordt dubbelgevouwen. Tussen dit vel worden de bladeren en bloemen zorgvuldig neergelegd. We zorgen er voor dat er geen planten dubbelgevouwen liggen.
Het dubbelgevouwen vel wordt voorzichtig in een oud telefoonboek gelegd.
We werken van achter naar voren.
Als alle groepjes hun bladeren in het telefoonboek gelegd hebben komt er iets zwaars bovenop. Zo moet de hele stapel minstens twee weken boven op de kast drogen. Als we dan voorzichtig kijken zijn alle bladeren en bloemen mooi plat en droog.
Ze worden nu voorzichtig in een afsluitbaar plastic zakje gestopt.
Eventueel worden blaadjes met een stukje cellotape in het zakje vastgezet zodat ze niet naar beneden zakken. Ook de takjes, stenen en ander materiaal krijgen een plaats in n van de zakjes.
We zorgen voor een mooie compositie van de planten.
De zakjes liggen nu klaar voor de tentoonstelling.

De tentoonstelling

Twee kartonnetjes met een plastic zakje ertussen
Alle gevonden planten, stokjes, stenen, gedroogde bladeren en spullen die niet in de natuur thuishoren zoals sigarettenpapiertjes, bier dopjes en stukjes glas, hebben een plaatsje gekregen in afsluitbaar plastic zakjes van 16 x 26 cm.
Deze zakjes worden tussen twee kartonnetjes van 14 x 16 cm. vastgeniet.
Op de kartonnetjes zijn aan weerskanten de tekeningen, teksten en druksels geplakt.
De titel van de tentoonstelling is op aparte kartonnetjes gestempeld.
In de kartonnetjes worden gaatjes geponst.
De setjes van twee kartonnetjes en een zakje bevatten het werk van meerdere kinderen.
Als er veel werkstukken zijn moeten we sorteren.

De tentoonstelling is een 'mobile'

De setjes komen aan een dun bamboestokje te hangen, onderling verbonden door een uitgebogen paperclip. De bamboestokjes hangen op verschillende afstanden aan het plafond en vormen samen een m0obile dat vrij in de ruimte hangt zodat het van alle kanten te bekijken is.

Het opplakken van het werk op de kartonnetjes kan in de loop van de werkkeren gebeuren. Als duidelijk is hoe de tentoonstelling eruit gaat zien ontstaat een gezellige werkdrukte.
Het is niet gemakkelijk dit soort activiteiten in het nogal kleine klaslokaal uit te voeren. Zoveel verschillende handelingen tegelijkertijd.
Terwijl ik rond ga met de nietmachine heb ik even de gelegenheid te bekijken of alles goed zit. Toch hangt er een tekst nog op z'n kop.

De tentoonstelling hangt nog even in de klas
De juf kan bijna niet meer aan haar tafeltje zitten, maar ja.
We kijken er met voldoening naar.
Het leukste is als er voor de tentoonstelling een centrale plek in de school te vinden is.
Als de tentoonstelling tot de vakantie in de klas gehangen heeft gaat hij naar de aula.

Werken aan het project 'Nieuwsgierig Naar Onze Natuur' is belangrijk, maar even belangrijk is dat anderen dat werk kunnen bekijken.
Een bezoek per groep aan de tentoonstelling kan geregeld worden en bij toerbeurt zijn twee kinderen de suppoosten die tekst en uitleg kunnen geven.

Dan komt er een plechtig moment. De kinderen nemen afscheid van me.
Ik krijg een prachtige tekening met de namen van alle kinderen erop in goud en zilver geschreven. Ik krijg een kusje en een hand of alleen een hand.
De spullen moeten naar de auto. Cyril draagt samen met mij de dozen. Hij roept naar de andere kinderen op het schoolplein dat we met schoolreis gaan, maar dat is niet waar.

De eerste sneeuwvlokjes vallen, het grasveld is modderig en de flatgebouwen staan er triest bij. We waren nieuwsgierig naar wat er aan natuur te vinden is.
Nu weten we het.

Een boekje met alle natuurverhalen


De enthousiaste verhalen van de kinderen vervliegen als ze niet opgeschreven worden. Geschreven teksten zijn voor meer mensen te lezen als ze gedrukt worden in een oplage.
Behalve dat ontlenen kinderen zelfvertrouwen aan het feit dat wat ze zeggen en schrijven ook de moeite van het drukken waard is.
Aan de vorm van de gedrukte werkstukken wordt speciale aandacht geschonken.
Het klaarmaken van een tekst om te drukken biedt de kinderen de mogelijkheid nog eens opnieuw naar hun tekst te kijken, de tekst duidelijker te maken en de eventuele spelfouten er uit te halen.
Dit alles bij elkaar is een goede reden om het drukken een plaats in je lessen te geven.

Teksten klaarmaken om te drukken.
Drie teksten van kinderen worden op het bord geschreven.
Ik heb ze vooraf uitgezocht.
Het moeten korte teksten zijn omdat ze gedrukt worden en dan kun je geen lange teksten gebruiken. Samen kijken we of het voor de toekomstige lezers duidelijk is wat er staat.
Je bent er dan niet meer bij om eventueel toelichting te geven.
Zijn er overbodige woorden en zinnen?
Kunnen we de spelfouten er uit halen?
De aandacht voor de tekst op het bord is anders dan bij het voorlezen. Als je tijdens het voorlezen toevallig aan iets anders zit te denken, als je nog met je hoofd bij de vorige tekst bent, dan zijn de woorden al weer voorbij.
Op het bord blijven ze rustig op je wachten.
In principe schrijf ik de tekst precies zo op als de leerling hem schreef.

ik zie een miljoene poot
hij is zwart
hij ruikt naar aarde
soms is hij een cirkel
nou is hij lang
en nou klimt hij.


Het is een tekst, geschreven tijdens het kijken naar het gedrag van een diertje.
Er is ook een tekening bij gemaakt.

Welke woorden kunnen weg?
'Ik zie' kan weg. Het is in het verhaal over het dier niet nodig te vermelden dat je het zag.
We praten over 'miljoene'. Was het niet een duizendpoot? Nee hoor, kijk maar op de tekening. Het blijft 'miljoen'. De 'e' gaat er in het voorbijgaan af.
Bij 'aarde' blijven we stilstaan. Is dat duidelijk genoeg of kan het beter? Zal iedereen begrijpen hoe aarde ruikt? De kinderen komen met alternatieven. Ik zet ze op een rij op het bord: hij ruikt naar zand - klei - veen - paddenstoelen. Toch blijft aarde staan.
Bij het woord 'cirkel' denken sommige kinderen dat het om een pissebed gaat, die zijn 'rond' en niet 'cirkel'.
Weer naar de tekening kijken. Het gaat niet over een pissebed, dat heeft Menuska zelf gezien. Het blijft cirkel, want zo beweegt het dier zich.
Je zegt 'nou' maar je schrijft 'nu'.
De kinderen schrijven veel woorden fonetisch op. Daar doen we wat aan.
Dan de stijl. Als er twee dezelfde woorden vlak bij elkaar staan is dat lelijk. Als je het voorleest hoor je dat duidelijk.
De kinderen zijn het daar mee eens. Het tweede 'nu' wordt 'later'. Als we klaar zijn staat er een prachtige tekst op het bord. Manuska schrijft hem over zodat hij straks gedrukt kan worden.

Een miljoen poot
Hij is zwart
Hij ruikt naar aarde
Soms is hij een cirkel
Nu is hij lang
En later klimt hij


Zo heeft Manuska het gezien, zo heeft ze het geschreven en nu is het geprint om daarna in oplage gekopieerd te worden.

Nog een tekst op het bord:
Ik heb een steen gevonden en het is een heel mooie steen. Ik heb het in het bos gevonden en het heeft een mooie kleur en het voelt zacht het mikt niet leker en proeft niet leker.
We halen de dubbele woorden 'steen' en 'gevonden' uit de tekst. Dat weten we nog van de vorige tekst.
We bedenken dat het over 'hem' moet gaan in plaats van 'het steen'. We veranderen 'proeft' in 'smaakt' en verbeteren de spelling.
Het is moeilijk voor de kinderen het verschil tussen proeven en smaken te begrijpen.
Ze vinden me eigenlijk een zeurpiet. Toch komt n van de kinderen met 'smaakt' aan.

Ik heb een steen
het is een mooie
ik heb hem in het bos gevonden
hij heeft een mooie kleur
en voelt zacht
hij ruikt niet lekker
en smaakt vies


Bij een andere tekst moeten we lang praten over bijvoeglijke naamwoorden, zonder ze als zodanig te noemen. 'Het stokje ruikt naar paddenstoel het is verrotte'.
Ik schrijf alternatieven op het bord want ik heb geen zin om precies uit te leggen hoe het moet met bijvoeglijke naamwoorden. Ik wil niet verdwalen in het bos van de taalles en de grammatica:

Het takje is verrot, het verrotte takje.
Het takje is bruin, het bruine takje.
Het takje is lang, het lange takje.


Cyril geeft zijn verzet op maar ik zie aan hem dat hij 'het takje is verrotte' mooier vindt.
We hebben een taallesje geleerd tijdens de natuurles.
Ik moet toch eens aan de leerkracht vragen hoe zij dit aanpakt en is het al aan de orde in groep 6?
In ieder geval zal de tekst zo afgedrukt worden:

Het stokje ruikt naar paddenstoel
Het is verrot en dat komt
Door de regen
Het voelt heel zacht
Overal zitten stippeltjes


Een volgende les.
Drie nieuwe teksten zijn aan de beurt om op het bord geschreven te worden.
Ze moeten nu aansluiten op wat er al eerder gedrukt is.

Een tekst over een blaadje van een boom tegenover een tekst over een lipje van een bierblikje. Tussen deze twee teksten zal op de tentoonstelling een plastic zakje hangen met daarin de desbetreffende objecten.

Een miljoenpoot. Hij is zwart. Hij ruikt naar aarde. Soms is hij een cirkel. Nu is hij lang en later klimt hij.
tegenover:
Een bierdopje. Het stinkt heel erg naar bier. Het kan je prikken als je het in je handen pakt. Het is van ijzer en het is vies. Het is grijs en klein.

Het stokje ruikt naar paddenstoel. Het is verrot en dat komt door de regen. Het voelt heel zacht, overal zitten stippeltjes.
tegenover:
Een stuk glas voelt ook zacht aan en is doorzichtig. Het smaakt naar niets. Als je het onhandig vast pakt snijdt het je. Het is heel klein, maar gevaarlijk.

Door het plaatsen van twee teksten tegenover elkaar kunnen de kinderen iets duidelijk maken over de natuur zonder daarbij de gevestigde opinies over milieu te volgen. Het gevaar van glas en bierdopje zit in het feit dat je je er aan kunt bezeren. Dat is voor de kinderen reden genoeg om er voor te zorgen dat het niet tussen de bladeren terecht komt.
Op deze manier is het heel dicht bij wat kinderen waarnemen.
De uitspraken over hoe we met z'n allen met het milieu om moeten gaan horen ze altijd van anderen.

De teksten staan weer op het bord.
Ditmaal grijp ik wat resoluter in en veeg de regels waarvan we vinden dat die er niet toe doen meteen uit. De kinderen zijn het er wel mee eens dat je niet uitgebreid hoeft te vertellen dat je een blad gevonden hebt. Dat ziet iedereen wel. Ook hoef je niet de weg te beschrijven die je afgelegd hebt of met wie je was toen je het blad vond.
In eerste instantie schrijven de kinderen in chronologische volgorde alles op. De afspraak nu is dat uitsluitend waar het om gaat, het onderwerp, beschreven wordt.
De kinderen praten er lang over hoe je sigarettenpapiertje schrijft. Er komen veel suggesties. De meest vreemde is sigaretha een fonetische afleiding. Pappiertje is niet zo'n grote fout.
Ik deel een paar woordenboeken uit.
Het zoeken valt niet mee, veel kinderen bemoeien zich ermee. Het wordt onrustig.
Als de teksten op het bord helemaal goed zijn worden ze overgeschreven en liggen ze klaar om gedrukt te worden.

Napraten over hoe de les vandaag ging.

Het is geen algemeen gebruik op school om iedere les te evalueren met de kinderen.
Meestal is het: Jassen aan, rustig in de gang, en hup naar buiten.

Het is zinvol om de activiteiten die je met de kinderen onderneemt na te bespreken.
Ieder groepje vertelt iets over de activiteit van vandaag, laat iets zien. Wat hebben de kinderen veel gedaan. Ik noem het bewonderend allemaal op.

Ik vergeet ook niet even iets te zeggen over toen ik uit mijn slof schoot omdat een groepje zo aan het ruzin was. Ik was even echt boos maar nu is het over.

De kinderen stellen vragen aan elkaar over het drukwerk, de tekeningen, de gedroogde bladeren. Ik vraag naar dingen die de kinderen heel lekker vonden gaan en wat ze moeilijk vonden.
Als ik in algemene zin zou vragen hoe het ging krijg ik slechts 'leuk' te horen.
Er is veel na te praten.
De kinderen die een bepaalde techniek of werkvorm nog moeten doen hebben daar veel aan.
De dingen die stroef verliepen zijn gezegd en kunnen nu vergeten worden.

De drukwerkvormen


Er zijn druktechnieken en drukwerkvormen die speciaal geschikt zijn voor toepassing in een klaslokaal. Ze kunnen toegevoegd worden aan de teksten en tekeningen die met behulp van een tekstverwerker en een kopieerapparaat vermenigvuldigd zijn.

Voorbereiden van de werkvormen
Voordat er gedrukt kan worden moet vastgesteld worden hoe groot de oplage is. Die is afhankelijk van wat je met het drukwerk gaat doen.
In ons geval gaan we een boekje maken.
Ieder kind wil een exemplaar hebben, dan n voor elke klas van de school.
En afdruk is nodig voor de tentoonstelling en een paar afdrukken voor het verknoeien.
Zo komen we op 35 stuks.
Met het eerste groepje leg ik aan de hele groep precies uit hoe je moet omgaan met de tekstverwerkingsprogramma op de computer.
Het is natuurlijk ook mogelijk de teksten in handschrift te vermenigvuldigen.

Takenkaartjes
De taken bij het typen van de tekst op de computer, het printen en het kopiren zijn op takenkaartjes aan de kinderen uitgedeeld worden.
Het zijn kaartjes van stevig karton die met een veiligheidsspeld op je trui komt. Op het kaartje staat in het kort hoe je een bepaald onderdeel van de werkvorm moet uitvoeren.
Er zijn evenveel kaartjes als er kinderen zijn die in een groepje een werkvorm uitvoeren.
Op deze manier weet ieder kind wat er van hem verwacht wordt en ontstaat er zo weinig mogelijk gedoe bij de computer en het kopieerapparaat.

De verdeling van de taken voor een groepje zou kunnen zijn:
Nummer 1 leest de tekst voor aan nr.2 die de tekst op de computer typt. Als dat klaar is bewerkt nr.3 de tekst in het juiste lettertype etc. nr.4 print de tekst uit. Nr.5 drukt de oplage op de kopieermachine. Een en ander afhankelijk van de beschikbare middelen.

De rest van de groep kan intussen verder gaan met het onderzoek, met het schrijven van teksten, het maken van tekeningen en ander werk.
Iedere keer als een groepje de afgesproken oplage klaar heeft geven de kinderen de takenkaartjes aan een volgend groepje.
De kinderen zijn ineens heel druk. Er is strijd om bepaalde takenkaartjes. Wie mag ermee?

Geduld is een schone zaak

Taaldrukken is een hele opgave voor een groep die anders dan anders moet werken.
Zelfstandig in groepjes en met geduld wachten als er een probleem is waardoor je niet verder kunt.
Met zo'n rust werken is een gave die niet iedere groep van nature heeft.
Die sfeer moet opgebouwd worden. Als die veiligheid er eenmaal is in de klas kunnen er plotseling meer dingen dan je voor mogelijk houdt.

Stempelen met de Linkprint.
Linkprint is een kist met aaneenschakelbare stempelletters. Het werkt net zoals Lego. Je kunt er woorden en zinnen mee stempelen.
Het biedt een goede mogelijkheid om de afdrukken die met tekstverwerker gemaakt zijn te voorzien van koppen in een groot lettertype en in een andere kleur.
Je kunnen zeggen dat dit tijdens het tekstverwerken ook kan, maar dan mis je een werkvorm waarbij letter voor letter woorden samengesteld worden op een zekere ambachtelijke manier.
Er zitten niet zo veel letters in een kist zodat hier ook korte teksten in aanmerking komen.
Er zijn weer drie kinderen met takenkaartjes. Ieder zet een regel in elkaar. Die wordt gestempeld. Als de drie regels klaar zijn gaan de letters weer uit elkaar en kunnen de volgende regels samengesteld en gestempeld worden.
Het is een werkje dat hoge eisen stelt aan een nauwkeurige samenwerking. De regels mogen niet al te scheef op papier komen.

Rubberdruk.
Rubberdrukken kan, evenals het werken met letterstempels, een aanvulling zijn voor de tekst die gekopieerd is.
Het gaat met uitgeknipte zelfklevende stukjes 'cellrubber'.
Het is een techniek die geschikt is voor tekeningen met wat grovere lijnen.
Er wordt met groepjes van drie kinderen gewerkt.
De drie maken van de losse stukjes rubber de afbeelding. Die stukjes hebben al alle mogelijke vormen, overgebleven van de vorige werkkeren. Het beginnen met die bestaande vormpjes helpt de kinderen bij hun beeldopbouw.
In principe worden er geen vormen in z'n geheel uit een stuk rubber geknipt maar uit kleine deeltje samengesteld. De kinderen kunnen eerst naar hartelust met de stukjes schuiven. Als ze tevreden zijn over de afbeelding worden de beschermpapiertjes van de achterkant van het rubber 'losgeplukt' en kunnen de stukjes op een stuk papier geplakt worden. Dat papier heeft dezelfde maat als het papier waarop gedrukt gaat worden, in ons geval A5.

De takenkaartjes zijn: nr.1 papier inleggen en tellen, nr. 2 inkt inrollen, nr.3 drukken. Bij rubberdruk gebruik je een drukboek. Dat zijn twee stukken stevig karton in de rug met linnenplakband als een boek samen geplakt.
Het papier met daarop de rubber afbeelding komt in het drukboek te liggen. Met een kleine lakroller wordt de inkt dunnetjes over de afbeelding aangebracht. Een lakrollertje is een schuimrubber rollertje uit de verfwinkel.
We gebruiken inkt in verschillende kleuren. Binnen een afbeelding is het mogelijk met verschillende kleuren te werken. De vormdelen moeten dan wel een beetje uit elkaar liggen anders raken de kleuren door elkaar. Het papier moet nu precies op de rubbervorm gelegd worden. Het drukboek gaat dicht en met een harde linoroller wordt stevig over de buitenkant van het drukboek gedrukt. Zo komt de afdruk tot stand.

Vormstempelen
Een variant van rubberdrukken is een werkvorm waarbij de zelfklevende vormpjes op blokjes hout geplakt zijn. Het afdrukken gaat dan met behulp van stempelkussens in verschillende kleuren.

Alle pagina's bij elkaar is een boek.
De stapeltjes afdrukken hebben een tijdje rustig opgeborgen gelegen tot alles af is.
Nu komen ze te voorschijn en kunnen ze gebundeld worden tot een boek.
De kinderen zitten in een kring.
Ik geef steeds een stapeltje drukken door. Ieder neemt er n af en geeft de rest aan z'n buur.
Ik werk van achteren naar voren zodat de kinderen kunnen opstapelen.
Het laatste blad is een onbedrukt vel in dezelfde kleur als het omslag. Ik wacht steeds even met doorgeven als ik zie dat er ergens een opstopping ontstaat.
Tot slot ga ik rond met de nietmachine en worden twee nietjes in de rug aangebracht.

Een andere manier is dat een leerling met een stapeltje afdrukken rond een centrale tafel loopt en steeds een afdruk neerlegt. Daarbij moet je zorgen dat de vluggerds de anderen niet inhalen en daardoor de hele boel in de war gooien.
Je moet goed opletten dat je het blaadje goed neerlegt. Vooral bij tekeningen moet je goed kijken wat onder en wat boven is.
Doodstil en ingespannen zien de kinderen het boekje groeien.
Hebben we zoveel gedrukt? Het is bijna niet te geloven.

Voorlezen uit een zelfgedrukt boek
Als alle boekjes klaar zijn worden ze uitgedeeld en ieder kind leest een bladzijde voor.
Als Akua aan de beurt is kijken de kinderen gespannen toe. Zou het lukken?
Ze is pas kort in Nederland. Het lukt haar een verhaal van een ander kind voor te lezen. De kinderen applaudisseren als ze klaar is.
We spreken af dat de boekjes ook in de andere klassen gelezen zullen worden.
De kinderen die een boekje thuis willen laten zien kunnen er een lenen, net als in de bibliotheek. Een paar boekjes komen in de boekenhoek, naast de boekjes die we de vorige keer gedrukt hebben.

Voor een uitgebreide beschrijving van de drukwerkvormen verwijs ik naar: www.taalvormingentaaldrukken.nl/AT/AT702.htm

Een opbouw voor zes lessen


Nieuwsgierig Naar Onze Natuur is als een project uitgevoerd.
De benodigde tijd was zes keer een dagdeel per week.
Het is vanzelfsprekend mogelijk een andere werkindeling te maken.

Hoe zien die zes keer werken er uit:

De eerste les is een introductie.
De gebruikte werkvormen zijn:
1. Voorlezen van een gedicht
2. Vertelronde in de kring over planten en dieren die je thuis verzorgt.
3. Lijstje maken van plekken waar thuis planten of dieren zijn.
4. Tweetalgesprek over n van die plekken.
5. Schrijven wat je net vertelde.
6. Voorleesronde.

Benodigdheden:
En of meer gedichten om voor te lezen.
Kartonnen schrijfonderleggers om in de kring op je knie te kunnen schrijven.
Potloden.
Blaadjes op klein formaat voor het schrijven van lijstjes.
Blaadjes gelinieerd voor het schrijven van teksten.

De tweede les is een excursie naar een plek vlak bij school.

De werkvormen zijn:
1. Voorlezen gedichten (ook die van vorige keer)
2. Korte vertelronde over 'zintuigen'
3. Uitleg over de spullen die mee gaan.
4. Indelen in groepjes van 5 leerlingen.
5. Wandeling naar de plek.
6. Indeling van de onderzoekplekken per groepje.
7. Onderzoek: verzamelen, tekenen, schrijven.
8. Terug naar school.
9. Rommelen met het gevonden materiaal.
10. Gericht onderzoek, keuze voor een object uit de verzamelde voorwerpen.
11. Verslag per groepje.
12. Rubriceren van de gevonden spullen.
13. Drogen van planten.

Voorbereiding:
Opzoeken van een gedicht over zintuigen en natuur.
Voor iedere leerling een A4- blad maken, verdeeld in vijf vakken.
Rechtsboven per vijf bladen een herkenningstekentje (een blaadje, een visje, een vogeltje etc.). Per groepje van vijf bladen, linksboven op ieder blad n van de zintuigen vermelden: voelen; ruiken; proeven; luisteren; kijken.

Benodigdheden:
Potloden.
Loepen, potjes met een loep als deksel en loepen op pootjes.
Verrekijkers en kokertjes om door te kijken en te luisteren.
Schepjes, lepels. Schepnetjes.
Glazen potjes met gaatjes in de deksel.
Plastic zakjes.
Kartonnen schrijfonderleggers met paperclips.
Plastic boodschappentassen.
Eventueel een microscoop.
Oude telefoonboeken om bladeren te drogen
Materialen zijn soms te leen bij een Centrum voor Natuureducatie in de buurt.

De derde les gaat over geuren.

De werkvormen zijn:
1. Gedichten voorlezen.
2. In de kring met iets uit de klas waar een geurtje aan zit.
3. Vertelronde over geuren en ruiken.
4. Getekend lijstje maken: iets zoetigs; iets stoffigs; iets geparfumeerds; iets met vieze geur; etc. 5. Tweetalgesprek over een tekening.
6. Schrijven over die geur.
7. Voorleesronde. Tweede keer voorlezen met vragen stellen.
8. Teksten drukken.
9. Rubberdruk.

Benodigdheden:
Gedichten over geuren.
A4-papier, waar 4 of 6 vakjes op staan, kopiren. Potloden en pennen.
Schrijfblaadjes A5.
Afdrukpapier A5.
Toegang tot computer en kopieerapparaat
Rubberdrukspullen.

De vierde les 'als je goed om je heen kijkt zie je dat alles gekleurd is'.

De werkvormen zijn:
1. Gedichten voorlezen.
2. Vertelronde: kleuren in de klas, thuis en buiten.
3. Lijstje.
4. Begeleide associatie.
5. Rondeel schrijven.
6. Voorlezen.
7. Teksten klaarmaken om te drukken.
8. Teksten drukken.

Benodigdheden: zie vorige lessen.

De vijfde les. Thema 'proeven'.

Zijn er eetbare dingen in de natuur te vinden?
De werkvormen zijn:
1. Gedichten.
2. Definitieronde voor bepaalde begrippen.
3. Lijstje.
4. Tweetalgesprek.
5. Schrijven, eventueel een 'panthoum' 6. Voorlezen.
7. Stempelen met 'Linkprint'.
8. Teksten drukken.

Benodigdheden als bij vorige lessen plus een doos Linkprint met stempelkussens.

De zesde les. Tentoonstelling maken en boekjes rapen en nieten.
De werkvormen zijn:
1. Gedicht voorlezen.
2. Korte vertelronde.
3. Geschreven en gedrukte teksten en tekeningen op kartonnetjes plakken.
4. Gedroogde planten en bladeren in plastic zakjes bevestigen.
5. Kartonnetjes en zakjes aan elkaar nieten en op- hangen.
6. Pagina's van het boekje verzamelen en nieten.
7. Boekje voorlezen en er vragen over stellen.
9. Tentoonstelling bekijken en er over vragen.
10. Afspreken waar de tentoonstelling komt te hangen en wie de rondleiding verzorgt.

Henk van Faassen
www.taalvormingentaaldrukken.nl