startpagina

register
trefwoorden

index
literatuur

bekijk
foto's, werk



 

 

 


Lesontwerp
Taalvorming in het natuuronderwijs


De mogelijkheden om in de klas met taalonderwijs en natuuronderwijs tegelijkertijd te werken.


Taalvorming geeft leerkrachten middelen in handen om de nieuwsgierigheid van kinderen naar wat er in hun leefomgeving gebeurt te begeleiden en de resultaten ervan te integreren in het natuuronderwijs.
Meestal is het zo dat er bij natuuronderwijsmethodes gezocht wordt naar een creatieve verwerving en verwerking van de leerstof. Bij het taalonderwijs wordt soms gezocht naar thema's en onderwerpen die aan de natuur ontleend zijn. Taal ten dienste van natuur- onderwijs, of natuur ten dienste van taalonderwijs.
In het project is gestreefd naar een gelijkwaardigheid van beide vakken.

Een aantal doelstellingen van het Natuuronderwijs komen overeen met die van Taalvorming.
Ik noem er een paar:
* Het onderzoeken met gebruikmaking van alle zintuigen.
* Het leren benoemen van wat je waarneemt.
* Het prikkelen van de fantasie van kinderen.
* Aandacht schenken aan de omgeving waarin je leeft.
* Zorg voor een speelse benadering van de stof.
* Het trainen van vaardigheden zoals tekenen, schrijven, meten, wegen, schatten.

Kortom: een goede reden om eens meerdere leervakken te integreren met taalvorming.

Kunstzinnige vorming en de zaakvakken

Het verschil tussen kennis en ervaring

Kunstzinnige vorming doet een beroep op de emotionele vaardigheden van kinderen. De zaakvakken, waaronder ook natuuronderwijs valt, raken de cognitieve kant.
Er wordt wel eens gedacht dat het mogelijk is om het verwerven van kennis te 'versieren' door iets creatiefs met de verwerving en de verwerking te doen. Op een leuke manier moeilijke stof er in krijgen. Dat doet geen recht aan de waarde van de kunstzinnige vormlng.

Bezig zijn met taalvorming is een leerdoel op zichzelf
Dat daardoor een voedingsbodem ontstaat waarop de cognitieve vaardigheden zich beter ontwikkelen, is mooi meegenomen.
Als je een egel meeneemt naar school en je vertelt dat er zoveel egels platgereden worden omdat ze bij gevaar niet wegrennen maar zich oprollen, volg je een kennislijn. Het gaat erom dat de kinderen iets bepaalds over die egel leren.
Als kinderen vertellen over een egel die ze in een bos zagen wegkruipen is dat wat anders.
Wat kinderen zelf waarnemen en waarover ze elkaar vertellen is de ervaringslijn.
Die twee lijnen moeten apart aandacht krijgen en niet door elkaar gehaald worden.



De ontdekkingen doen de kinderen zelf
In dit project brengen we weinig in, maar er komt zeer veel uit. Je kunt echter niet voorspellen wát er uitkomt.
We stellen niet vast wat de kinderen moeten weten. We brengen ze in contact met de schoolomgeving.
Op deze manier leren de kinderen minstens even veel als aan de hand van gestructureerde natuurlessen. Je kunt daar best op vertrouwen.

Werken met je zintuigen, één voor één
Taalvorming moet het hebben van het goed gebruiken van je zintuigen. Kinderen gebruiken hun zintuigen meestal gelijktijdig. Sommige zintuigen zijn beurtelings extra actief. De dingen die je ruikt zie je ook tegelijkertijd. Wat je ruikt wordt dan beïnvloed door wat je ziet.
Je zou wel eens iets met een smerige kleur ook vies vinden ruiken.
Als je je ogen dicht doet kun je beter ruiken: Maar als je dan smerige geluiden hoort zal dat ook weer hetgeen je met je neus waar- neemt beïnvloeden.
Wil je de kinderen leren hun zintuigen actief te gebruiken dan is het goed ze stuk voor stuk in te zetten.

Luisteren bijvoorbeeld
We doen allemaal onze ogen stijf dicht. We concentreren ons op wat er via onze oren naar binnen komt. Bijna fluisterend vraag ik de kinderen te luisteren naar de geluiden die ze in de klas horen. Ik hoor dat er vingers in de lucht gaan met bijpassende kreuntjes. Iedereen hoort iets en wil daar wel over berichten, maar omdat we onze ogen dicht hebben kunnen we niet zien wie zijn vinger opsteekt.
Af en toe loer ik tussen mijn oogharen door.
De kinderen vertellen met hun ogen dicht wat ze horen: voetstappen, het schuiven van een stoel, stemmen op de gang, een vogel buiten. Als er een vrachtauto voorbij komt heeft iedereen dat natuurlijk boven alles uit gehoord. (...)

Op het bord maak ik met de groep lijsten van geluiden
Soorten geluiden: hard-zacht, mooi-lelijk, digitaal, dierengeluiden, mensengeluiden, geluiden van dingen. Ruisen, gillen, krassen, bonken, piepen. Veel geluiden moeten omschreven worden: het geluid van de kat die zijn nagels scherpt aan het behang. Het geluid van het suizen van je bloed in je oor. (...)



We doen een oefening in precies vaststellen van geluiden
Ik maak een kring van cijfers op het bord. Van 1 tot 29, evenveel als er kinderen zijn plus de juf
en ik. We maken geluiden van hard naar zacht, maar niet met je stem. 1 is het zachtste geluid en 29 het hardste. (...)
Het wordt steeds moeilijker. Geluiden van kreukelende papiertjes liggen heel dicht bij het rammelen van een paar potloden tegen elkaar.(...)

In de kring
Als iedereen een geluid gemaakt heeft en weet welk nummer dat heeft gaan we in de kring zitten op volgorde van ons geluid. Iedereen weet wel zijn nummer, maar het is toch nog even moeilijk de kring te organiseren zodat ieder op z'n plaats komt.

Voorlezen
Ik lees het gedicht 'De zwarte kater' van Hans Andreus voor.
De kinderen vinden het mooi en vragen
om herhaling. (...)

We maken twee lijstjes

Het ene van natuurlijke geluiden die je de vorige week heel precies gehoord hebt. Het andere lijstje van kunstmatige geluiden. Het poepie van je vader mag ook, vindt Vincent. Op het maken van de lijstjes volgt een begeleide associatie, welke kleuren, geuren, vormen en zo meer horen bij het geluid?

De twee gebieden: kennis en ervaring

Het ene waar de ervaring benut wordt, het andere waar kennis een rol speelt, respectievelijk de creativiteit in het máken van geluiden en het rubriceren van die geluiden, vullen elkaar op een natuurlijke manier aan.
Kinderen leren hun zintuigen in te zetten om iets van hun omgeving te weten te komen.
Niet alleen de leerkracht of de leerboeken dragen kennis aan.

Poëzie en de natuur

Een gedicht als een vergrootglas
Dichters kijken op een bijzondere manier naar de dingen om hen heen.
Dat gebeurt op een intensieve wijze. Iedere dichter doet dat op een geheel eigen manier.
Ze ontdekken in de gewone dingen om hen heen het bijzondere.

Als je kinderen een gedicht voorleest, maak je gebruik van de uitvergrotende waarde die deze manier van kijken en schrijven geeft.
Vaak ontlenen gedichten hun inhoud aan de natuur.
Gedichten vormen daarom een goed uitgangspunt om kinderen op een andere, meer nauwkeurige, manier naar de natuur te laten kijken.
Bovendien geeft het voorlezen van een gedicht je de mogelijkheid de kinderen in een rustige stemming te laten komen aan het begin van een les.
Hun aandacht richt zich op een poëtische manier van kijken.
Er is nu geen invullesje aan de orde.
Aan het begin van de les is het duidelijk waar het om het gaat: om taal en het gaat over de natuur en de dichter heeft het zó beschreven dat je het al meteen voor je ziet.
Een goede dichter doet dat beschrijven heel precies; wat hij met al zijn zintuigen waarneemt schrijft hij op.

Uitvergroten
Als kinderen hun zintuigen als vergrootglazen gebruiken, kunnen ze ook heel goed opschrijven wat ze gezien, gehoord, gevoeld en geproefd hebben.
Wat ze verder over de natuur moeten 'weten' komt dan vanzelf.
De compacte vorm en het ritme van een gedicht zorgen ervoor dat de kinderen de werking ervan heel bewust ervaren. Ook als ze zelf schrijven.(...)

Nieuwsgierigheid
In onze lessen hebben we de nieuwsgierigheid, het gebruik van al je zintuigen, gesteld boven een uitgebreide verklaring van hetgeen er in de natuur gebeurt.
Het wonderlijke is dat op deze manier de kinderen intenser bij hun natuur betrokken worden.
Het zijn geen natuurhistorische lessen waarbij de kennis uit een boek of van een afbeelding gehaald wordt. Het zijn directe verbindingen tussen dat wat een dichter gezien heeft en wat de kinderen zelf gezien en meegemaakt hebben. (...)

Ik ervaar het gebruiken van gedichten in de klas als waardevol
Er wordt in geen enkel opzicht een beroep gedaan op feitenkennis.
Als een leerling even geen antwoord op een kennisvraag heeft, heeft hij het gevoel niet 'gescoord' te hebben. Op dat moment staat een ontwikkeling stil. (...)


Vragen naar ervaring kennen dat probleem niet
Alles wat je met je eigen ogen gezien hebt weet je precies. Het vergroot ook je betrokkenheid bij het onderwerp. Het gaat er alleen maar om of je een bepaalde situatie voor je kunt zien, je kunt inleven in de sfeer.(...)

De leerkracht documenteert
Voor de leerkracht is het van belang de opmerkingen van de leerlingen goed in de gaten te houden.
Later kun je dan zo'n opmerking gebruiken om het thema in de groep terug te brengen en er een leersituatie aan te verbinden.

Gedichten in de klas
Omdat veel gedichten kort zijn, kunnen ze gemakkelijk een paar keer voorgelezen worden.
Aan het begin lees ik het gedicht in ieder geval twee keer achter elkaar voor.
Voor veel kinderen is het luisteren naar een gedicht geen gebruikelijke activiteit.
De tweede keer voorlezen brengt ze dichter bij de inhoud, ze ondergaan het ritme van het gedicht en beleven de vorm ervan. (...)

Werken met gedichten in de klas

Als ik in de klas ben en de gedichtenbundel: 'Als je goed om je heen kijkt zie je dat alles gekleurd is'
laat zien en de titel voorlees, zie ik verschillende kinderen al om zich heen kijken of dat wel zo is.
Ik vraag de kinderen te noemen wat ze zien en welke kleur dat heeft.
Blauw: het paard van de poster. Wit: de muur van de klas. Zwart: de hoed van meester Henk. Ik moet even duidelijk maken dat het een pet is. Wit: de blouse van de juf. Groen: de bladeren buiten. En zo door.

Ik lees "Het lied van de zwarte kater" van Hans Andreus voor.

Ik ben de kat Hieronymus
of eigenlijk een kater.
Ik ben geen zachte lieve poes,
geen dot, geen schat, geen lieve snoes, ik ben een mensenhater.
Mauw, maaauw, máááuw! .................enzovoort.


We praten over katers, poezen en kleine poesjes

We weten niet zo vlug of jonge poesjes ook een speciale naam hebben zoals kalfjes en puppies. Uitgebreid vertellen de kinderen over hun ervaringen met poezen. Wat je ze te eten moet geven en hoe ze krabben. Verhalen over poezen die 'weg moeten' als ze lastig zijn bij de verhuizing.
De gedachten van Boyke dwalen af en hij begint een lang verhaal over ongedierte. Waar het in hun flat 'voorkomt en wat ze er aan doen.
Voorzichtig breng ik het gesprek op het verschil tussen gedierte en ongedierte.
Bij ratten en muizen komen we in de war want er zijn toch ook lieve witte muizen en leuke ratjes die in je trui rondkruipen en waarmee je kunt spelen?
Goed, als mensen er last van hebben, is het ongedierte, stellen de kinderen vast.
Maar al die lieve duiven en hondjes dan die op je hoofd en op straat poepen? Hebben we daar last van? Is het ongedierte?
De groep blijft met een vraagteken boven de hoofden zitten.
Dat is maar goed ook. Niet overal is een sluitende verklaring voor.(...)


We leren hoe gedichten in elkaar zitten

We praten over het verschil tussen poëzie en proza, tussen een versje en een hoofdstuk uit een boek.
Als ik vraag wat een gedicht is zeggen de kinderen: het rijmt meestal, er zijn stukjes, het is kort. (...)

De vertelronde in de vertelkring

Een vertelronde gaat over iets wat voor kinderen gemakkelijk is om te vertellen.
Dat zijn dingen die ze weten omdat ze ze zelf meegemaakt hebben.
Om de beurt krijgt iedereen het woord. Het is goed om er in de klas een gewoonte van te maken te vertellen hoe iets bij jezelf gaat en dat te horen van een ander.
Deze vertelronde gaat over wat je zelf in de natuur meemaakt.
Dat is iets anders dan wat je allemaal over de natuur gelezen of gehoord hebt.
Kinderen onthouden dingen die ze zelf meegemaakt hebben beter dan dingen die ze uit een boek leren.

Het onderwerp 'natuur' heb ik teruggebracht tot: 'Wat is het laatste dat je met een plant of dier beleefd hebt?' Er komen prachtige verhalen over het in de grond stoppen van sinaasappelpitten, avocado's en rozenbottels.(...)

We maken lijstjes over de plekken waar je iets met planten deed
Een lijstje is een klein formaat blaadje waarop de kinderen in steekwoorden schrijven.
Een tweede lijstje gaat over plekken waar iets met dieren aan de hand was.

Een lijstje geeft de kinderen de mogelijkheid eerst hun ervaringen te ordenen voordat er iets mee moet gebeuren. Het biedt de veiligheid dat als je ergens niets over kan of wil zeggen, je gewoon iets anders uit het lijstje neemt. Het is een rustpunt.
De steekwoorden hebben alleen voor jezelf betekenis. Ze hoeven ook niet juist gespeld te zijn.

Schrijven met een kartonnetje op je knie
We slaan ons linkerbeen over het rechter. Dat moet, anders kun je niet op het kartonnetje schrijven.
Als we allemaal met ons been dezelfde kant uit zitten schoppen we elkaar niet.
Ondanks dat we weten dat op een lijstje alleen steekwoorden horen, zijn er kinderen die het niet kunnen laten alvast hele zinnen te schrijven.
Dat kost zoveel tijd dat ze maar één ding op hun lijstje hebben staan.

Na het lijstje komen er tweetalgesprekken
Een gesprek met iemand die naast of tegenover je zit.
Het gaat over iets dat op je lijstje staat.
De één vertelt, de ander luistert.
Hoe was iets dat je deed, zag of hoorde precies?
Voor sommige kinderen is het gemakkelijker met z'n tweeën te praten dan in de grote groep. Het schrijven daarna gaat beter.(...)

Na het tweetalgesprek is het heel makkelijk om te schrijven. De kinderen schrijven wat ze zojuist verteld hebben. De woorden zijn er al.(...)

Schrijven wat je vertelde
Veel kinderen hebben de behoefte hun verhalen in de tijd een plaats te geven. De chronologie wordt met veel 'en toen' aangegeven:

Storende chronologie
Het verhaal begint vaak met de personen met wie ze allemaal waren, de namen van de plaatsen, het vervoermiddel waarmee ze waren en zo meer.
Tegen de tijd dat het eigenlijke verhaal komt zijn ze moe en laten ze op dat moment relevante informatie vallen.
Ik haal naar voren wat er met schrijven aan de hand is.
Het moet kort zijn. Er moet staan wat je echt wilt zeggen. Je schrijft over één onderwerp en laat alle details die er niet toe doen weg.(...)

Op de voorleesstoel
Deze keer gebeurt het voorlezen op een voorleesstoel die voor de klas staat.
Steeds komt er van ieder tafelgroepje een kind op zitten om zijn verhaal voor te lezen. De andere kinderen luisteren ingespannen.
Wie niet wil hoeft niet voor te lezen.(...)

Deze verhalen zijn echt
De gedetailleerdheid ervan geeft aan dat de kinderen goed naar hun ervaring gekeken hebben.

De excursie

Ik begin iedere les met het voorlezen van een gedicht

Ook nu we straks op pad gaan, maak ik daar tijd voor. Er is mij veel aan gelegen, dat de kinderen het gevoel hebben dat het straks buiten in de natuur óók om taal gaat.

Gedichten horen niet uitsluitend bij een taalles
De kinderen luisteren doodstil en ingespannen.
We praten over planten in de vrije natuur en planten die je mee naar school neemt.
We delen het gereedschap uit dat nodig is voor de excursie in de omgeving van de school.
We leggen uit wat je met het gereedschap kunt doen.
Er zijn verrekijkers, vergrootglazen, potjes met deksels. Er zijn ook potjes waarvan de deksel een vergrootglas is en waar op de bodem een centimeterschaal aangebracht is. Plastic zakjes, schepjes en schepnetjes. Spiegeltjes om onder planten en paddestoelen te kijken. Kokertjes om door te luisteren.
Scharen.

Hoe gebruik je je zintuigen?
Als alle zintuigen bij een excursie tegelijk gebruikt worden komt er een overvloed aan informatie bij de kinderen binnen.
Dat wordt nog eens versterkt door het bijzondere van de excursie. We gaan op stap en te oordelen naar de spullen die we meenemen lijkt het wel een schoolreisje.
Eigenlijk zou het heel gewoon moeten zijn dat kinderen buiten het schoolgebouw les krijgen.

Het is zinvol als je je zintuigen selectief gebruikt

Goed luisteren en dan naar één geluidsbron. Ergens aan voelen. Iets besnuffelen of aan een sprietje gras likken.
Om het voor de kinderen gemakkelijker te maken heb ik vooraf bladen papier verdeeld in vier vakken. Ieder vak is voor het vastleggen van informatie die je krijgt via één zintuig. (...)

Als je niet zeker bent van iets dan doe je het vanzelf niet

Je ruikt al van een afstand waar je beter niet van kunt proeven. Je ziet al tevoren de stekels aan een plant die je niet kunt betasten. Je hoort duidelijk aan een hond of die geaaid wil worden of niet.
Je zintuigen waarschuwen je wel van tevoren.

We gaan naar een plek, een park, in de buurt van de school, waar van alles te vinden is. Er zijn struiken en bomen, een open plek en een kleine heuvel. Er is een plas en in de verte weilanden.
Daar aangekomen wijs ik ieder groepje van vijf kinderen een plek van ongeveer 10 x 10 meter om heel precies te onderzoeken.
Op deze manier concentreren ze zich een beetje en rennen niet als jonge honden door het hele park, van de ene leuke plek naar de ander, zonder werkelijk iets goed op te nemen.(...)

De natuur is koud en nat
Als we buiten komen giert de wind om de hoge flatgebouwen van de Bijlmer.
Een koude regen slaat neer. De meeste kinderen zijn veel te dun gekleed en staan te bibberen.
De papieren worden nat en de gevonden dingen waaien met zakje en al weg. Toch zetten we moedig door.
We vinden takjes bladeren en stenen op de grond. Bij het scheppen komen de beestjes tevoorschijn: wurmen, een pot vol pissebedden, slakken en mieren.

Een van de kinderen verzamelt dingen die niet in de natuur thuis horen.
Een zak vol peuken, plastic dop- pen, eierschalen, ijzerdraadjes en zelfs een verfrommelde brief.
Iemand vindt een aansteker die het nog doet. (...)

Terug in de klas gaan we onderzoeken
Dat is rommelen met de meegebrachte dingen. Eén ding dat je aan een nader onderzoek wilt onderwerpen. Het moet opvallen tussen alle andere dingen op de tafeltjes van de kinderen, daarom leg je het op een
wit vel papier. Het papier met de aantekeningen ligt er naast.(...)

Na het onderzoek maken we op het bord categorieën

Drie rijen.
1. Niet levend: stenen, schelp, dopje, papiertje;
2. Dieren: spin, pissebed, slak, meeuw, eend;
3. Planten: die bruine met een dun steeltje.
We moeten beslissen wat we met de spullen gaan doen.
We zetten een B achter de dingen die we willen bewaren. BO achter wat we willen bewaren en opplak- ken; BD is bewaren en drogen; BS is bewaren en schoonmaken. N betekent dat we dat na het bestuderen terugzetten in de natuur.

De verslagkring
De eerste leest voor wat er geschreven is en laat zien wat er bij hoort.
In principe mogen maar twee kinderen hierover vragen stellen opdat de kring niet te lang gaat duren.
Ik stel stimulerende vragen tussendoor.
Het zijn vragen waardoor de kinderen verder kunnen. "Heb je de steen geproefd? De steen smaakt naar niets. Wat smaakt er nog meer naar niets? Rijst, spaghetti wonder saus, water. Maar het water in het zwembad dan? Dat smaakt naar chloor. Ruik je dat of proef je het? Heb- ben jullie water uit de vijver geproefd? Nee? Oh, je kunt al zien en ruiken dat het vies zal smaken."(...)

Echte ervaringen
Door een scheiding te maken tussen de dingen die kinderen leren omdat ze er een zintuiglijke ervaring
bij hebben en de zaken die uit een boek te leren vallen, bereik ik dat ze op een natuurlijke manier hun ervaringen opslaan.
Het leren uit een boek is vaak verbonden met lastige vragen die je er later over gesteld kunnen worden en waar je dan even het antwoord niet op weet.
Je eigen ervaring blijft altijd bij je. De vragen daarover weet je altijd te beantwoorden. En als je bij die ervaring meer wilt weten kun je het opzoeken. Zo onthoud je dat het rode takje kornoelje heet. Dat er wel 3500 soorten paddestoelen zijn is even niet van belang.

Er zijn twee kastjes die regelmatig geobserveerd moeten worden

Fatin is bezig met het iedere dag tekenen van het aquarium met de rotte tak om te zien wat er veranderd is. Er groeien af en toe piepkleine paddestoelen aan die echter meteen weer verdrogen in de droge lucht van de klas.
Cyril zal een nauwkeurige tekening van de wormenbak maken.
De verschillende grondlagen zijn fraai gevormd en afwisselend van kleur. Er valt eer mee te behalen om dat te tekenen. Iedere keer als hij een nieuwe tekening maakt blijken de vormen van de grondlagen anders te zijn. Zo zie je hoe de wormen de aarde doorwoelen.

Het drogen van de planten
Ieder groepje krijgt een vel stencilpapier. Het vel wordt dubbelgevouwen. Tussen dit vel worden de bladeren en bloemen zorgvuldig neergelegd. We zorgen er voor dat er geen planten dubbelgevouwen
liggen.(...)

De tentoonstelling

Twee kartonnetjes met een plastic zakje ertussen
Alle gevonden planten, stokjes, stenen, gedroogde bladeren en spullen die niet in de natuur thuishoren zoals sigarettenpapiertjes, bier dopjes en stukjes glas, hebben een plaatsje gekregen in afsluitbaar plastic zakjes van 16 x 26 cm.
Deze zakjes worden tussen twee kartonnetjes van 14 x 16 cm. vastgeniet.
Op de kartonnetjes zijn aan weerskanten de tekeningen, teksten en druksels geplakt.
Op aparte kartonnetjes is de titel van de tentoonstelling gestempeld.
In de kartonnetjes worden gaatjes geponst.
De setjes van twee kartonnetjes en een zakje bevatten het werk van meerdere kinderen.
Als er veel werkstukken zijn moeten we sorteren.



De tentoonstelling is een 'mobile'

De setjes komen aan een dun bamboestokje te hangen, onderling verbonden door een uitgebogen paperclip. De bamboestokjes hangen op verschillende afstanden aan het plafond en vormen samen een mobile dat vrij in de ruimte hangt zodat het van alle kanten te bekijken is.(...)


Werken aan het project 'Nieuwsgierig Naar Onze Natuur' is belangrijk, maar even belangrijk is dat anderen dat werk kunnen bekijken.
Een bezoek per groep aan de tentoonstelling kan geregeld worden en bij toerbeurt zijn twee kinderen de suppoosten die tekst en uitleg kunnen geven.

De eerste sneeuwvlokjes vallen, het grasveld is modderig en de flatgebouwen staan er triest bij.
We waren nieuwsgierig naar wat er aan natuur te vinden is in de Bijlmer.
Nu weten we het.

Henk van Faassen

NB
De beschrijvingen zijn kort, maar in principe duidelijk genoeg om mee te werken.
Voor details van de werkvormen zijn elders op de website pagina's te raadplegen.
Het verdient aanbeveling een bepaalde werkvorm vooraf met collega's of vrienden uit te voeren.
De knelpunten zijn daarmee vooraf te herkennen en belemmeren niet de voortgang van een les met je kinderen.

De complete tekst met uitgebreide werkvormen kunt u opvragen bij:
archief taalvorming

naar boven