startpagina

register
trefwoorden


index
literatuur


bekijk
foto's, werk


lees ook:

tweeduizend
woorden


Kamishibai

 

 

De woordenschat van Amsterdamse kleuters
Het woordenschatkistje


Als ik met mijn kistje het kinderdagverblijf binnen kom vragen de kinderen wat ik daar bij me heb. Dat is eigenlijk heel gewoon, als ik net boodschappen gedaan heb willen ze ook precies weten wat er in mijn tas zit.

Welke woorden willen we weten?
Woordenschatontwikkeling begint bij nieuwsgierigheid naar wat mensen bij zich hebben.
Als ik één voor één de boodschappen uit mijn tas laat zien wordt alles benoemd. Melk, nee vla, nee toch melk. Koekjes en chipjes, mogen we er een? Nee die zijn voor de visite die zo komt. Oh. Wat is dat? Broccoli, dat lusten we niet hè, zegt er eentje, ik wel hoor, een ander. Zo gaat het door tot mijn hele plastic tas door elkaar gerommeld is en de chips waarschijnlijk verkruimeld zijn.


Een kistje met plaatjes en de woorden die er bij horen
Vandaag heb ik een kistje bij me en ik vraag wat de kinderen denken dat er in zit.
Het lijkt op een schatkist met een slot er op.
"Er zit een schat van de piraten in". Dat is altijd zo vinden ze.
Ik vraag of iemand het haakje van het slotje open kan maken, dan kunnen we zien wat er in zit.
"Oh kaartenbrieven, een heleboel!".
De kinderen hebben het goed geraden, het is een schatkist vol met woorden en plaatjes.
Ansichtkaarten uit mijn verzameling.
Het zijn willekeurig gekozen onderwerpen. Natuurlijk veel kaarten waar dieren op staan, maar ook landschappen, besneeuwde bergen en gebouwen. Dingen zoals auto's, schepen en treinen, mensen en wat ze doen: schaatsen, op een kameel zitten. Reproducties van schilderijen en veel meer.
Ik heb de collectie niet samengesteld speciaal voor kinderen of zo.
Ook niet op een bepaald thema, gewoon een lekkere stapel.

Aan het werk
De kinderen gaan gezellig bij elkaar zitten.
Een paar kinderen hebben hun eigen bezigheden of zitten liever bij juf op schoot.
Ik zet het geopende kistje voor me en trek een willekeurige prentbriefkaart uit het kistje.
Ik vraag: "Wie wil deze voor zich op tafel hebben?"


Soms roepen de kinderen meteen "ik, ik, ik", bij een andere kaart moet er nagedacht worden.
Na verloop van tijd laat ik één van de kinderen, een hulpje, die kaart trekken en de vraag stellen.
Dat gaat door tot iedereen één kaart voor zijn neus heeft.
Het is voor de kleuters moeilijk die kaart rustig te laten liggen. Soms raakt de kaart in een kreukel of wordt er in gebeten.

Ik trek opnieuw een kaart en vraag: "Bij welk plaatje op tafel hoort deze?"
De kinderen kijken heen en terug en beslissen of ze de kaart nemen.
Soms komt er een veel mooiere uit het kistje en dan mag je ruilen en je mag ook je eerste keus ruilen.
Net zolang tot er twee kaarten liggen die, volgens de kinderen, bij elkaar horen.

Wat grote mensen associëren noemen
Twee afbeeldingen die iets met elkaar te maken hebben.
Grote mensen willen dan meteen weten waarom een kind die associatie maakt.
En dat is nou precies de waaromvraag die je niet kunt stellen.
De associatie is in het hoofd van het kind ontstaan en omdat die een ander hoofd heeft dan ik is de associatie van hemzelf.
Ik kan ook niet vragen: "Wat is dat op die kaart?".
De kinderen zullen je vast een beetje dom vinden want dat kan je zelf wel zien.
Nee, belangrijker is de kinderen het verhaal te laten vertellen dat door die twee plaatjes in hun hoofd ontstaan is. Daarbij kan ik de kinderen helpen door vragen te stellen die betrekking hebben op de handeling.
"Wat gebeurt er?"
Stukje bij beetje komt de verhalenstroom op gang.
Met die verhalen wordt ook de gedachteverbinding van de kinderen duidelijk.
Het gaat vaak om hele kleine details.
Niet iedereen heeft op hetzelfde moment dezelfde associaties.
Voor kinderen heeft dat alles te maken met de verbinding die ze in hun hoofd kunnen maken met voorwerpen die ze eerder gezien hebben of situaties die ze meegemaakt hebben.
De vragen die ik vervolgens stel zijn allen gericht op de gebeurtenis.
Soms zijn de woorden die de kinderen gebruiken voor de anderen nog niet helemaal duidelijk.
Dan vraag ik door en geef niet meteen een woord of begrip aan. Het lijkt me het beste als de kinderen uit de context van het verhaal zelf hun eigen woorden vinden.

Verbeeldingskracht
Er komt een moment dat de verhalen heen en weer schieten.
De kinderen luisteren naar elkaar en er rijpen beelden in hun hoofd.
Daar horen altijd woorden bij.
Grote mensen denken soms dat kinderen dan aan het fantaseren slaan, maar dat is niet altijd zo.
De kinderen laten hun verbeeldingskracht werken. "Wat denk je als ze deze twee plaatjes ziet?"
Het is in dit verband een vraag naar de geschiedenis van een gebeurtenis die kinderen weergeven.
De verkeerde vraag is dan: "Wat is dit?", want dat is een kennisvraag en daar zijn we niet mee bezig.

Met de trein naar Afrika?
Het is voor leerkrachten en ouders moeilijk om met de ontwikkeling van verbeeldingskracht in plaats van aanbrengen van kennis bezig te zijn.
Hoe moeilijk dat is merkte ik zelf toen een kleuter dromerig met een plaatje van een antieke locomotief in zijn hand zat. Dat het een 'trein' was, ondanks het feit dat er geen wagons aan zaten, moet ik accepteren. Dat stoomtreinen in Nederland ook niet meer rondrijden ook.
Ik vraag: "Waar ga je naar toe met die trein?"
"Naar Afrika" is het antwoord.
Onmiddellijk komt in mijn hoofd op dat het onmogelijk moet zijn om op de rails naar Afrika te rijden.
Zelfs het feit dat treinen op rails rijden doet niet ter zake.
Rails die op houten balken geschroefd zijn zien de kinderen niet vaak. De rails in de stad, de geultjes waar de trams in rijden, wel.
Als ik die verschillen zou gaan uitleggen ben ik met kennisontwikkeling bezig en het is spannender om te luisteren hoe dat gaat met die trein naar Afrika en hoe het is om in Afrika uit de trein te stappen.
Als ik daar naar vraag gaat het verhaal moeiteloos over hoe het is om in een vreemd warm land uit een vliegtuig te stappen. De trein is een vliegtuig geworden.

Een paar voorbeelden van twee kaarten die bij elkaar gelegd zijn


Een schilderij van een haardvuurtje + een takje.

Verbazing hoe iemand zijn handen warm kan maken aan een schilderij


Een wolf met een hoed in de sneeuw + vier biggetjes.

"Ja, de wolf gaat blazen en dan de varkentjes opeten", dat verhaal kennen we.


Opa en oma in boerenklederdracht + Opa en oma in het zwart gekleed.

Er is lang gepraat over wie nu echt een jurk aan heeft.
Het verschil tussen die twee rechts valt de kinderen nauwelijks op,
"ze hebben allebei een broek aan" zeggen de kinderen


Wekkers + de maan.

Logisch toch,
"Als ik ga slapen zie ik soms de maan en de wijzers van de wekker geven ook licht"


Plastic schepjes + rommel op strand.

Lang gepraat over hoe die boot zo schuin op het strand komt te liggen.
"Gaat die rommel naar de boot of is alles er uit gevallen?"


Jonas en de walvis + schip op een vis.

"Dat van Jonas weten we wel, die komt wel weer uit de buik van de vis".
Wat er aan de hand is met de boot op de rug van een haai, daar moet over gepraat worden.
Dat de vis een haai is moet wel zo zijn wat anders...
De kapitein is jarig, dat is te zien want er hangen slingers in de mast


Jongen met muziekinstrument + potlood.

"Die jongen heeft een grote viool en hij gaat tekenen"


Grote kunst + slakkenwedstrijd.

Het eerste dat opviel was dat de vrouw roodgelakte nagels had en dat haar vader zat te kijken wat ze deed. Wat die slakken daar mee te maken hebben werd even niet duidelijk.
"Slakken hebben geen pootjes, die glijden een beetje"

 

Henk van Faassen

lees meer over achtergronden van taalonderwijs