|
Taalachterstand
Tweeduizend
woorden op een placemat
De
basiswoordenschat Amsterdamse kleuters moet omhoog

Binnenkort
kennen alle Amsterdamse kleuters minimaal 2000 tot 3000 woorden.
Een Basiswoordenlijst voor Amsterdamse Kleuters moet leerkrachten
hierbij helpen.
Het is een nieuw praktisch hulpmiddel voor het uitbreiden van
de woordenschat van jonge kinderen.
Dit is een gezamenlijke inzet van de basisscholen, het Instituut
voor Taalonderzoek en Taalonderwijs Anderstaligen en de gemeente
Amsterdam.
De woordenschat
van jonge kinderen moet omhoog.
Taalachterstand
De meeste Nederlandstalige Amsterdamse kinderen beginnen in het
basisonderwijs met een woordenschat van 1000 tot 3000 woorden.
Maar er zijn ook kleuters die 200 tot 300 Nederlandse woorden
kennen. Of zelfs nog minder. Kinderen met een kleine woordenschat
moeten verschillende dingen tegelijk doen: onbekende woorden begrijpen
én het schrift leren en begrijpen.
De gemeente Amsterdam en de basisscholen willen deze achterstand
tegengaan.
Alle kleuters moeten een gelijke startpositie hebben.
Kennis van een minimum aantal woorden van 2000 tot 3000 moet de
jonge kinderen daarbij helpen.
Alfabetisch
en thematisch
De gemeente maakte voor leerkrachten van groep 1 en groep 2 placemats
met de basiswoorden.
Op de ene zijde staan 1000 basiswoorden op alfabetische volgorde
met 500 extra woorden. Op de andere zijde staan de woorden onder
verschillende thema's. Deze worden verspreid onder alle Amsterdamse
basisscholen. Het is ook goed te gebruiken in de Voor- en Vroegschool.
Tot zover
een persbericht van 28 januari 2009
Suzanne
van Norden, die dagelijks de taalontwikkeling
van veel Amsterdammertjes begeleidt, schreef de onderstaande reactie
op deze opmerkelijke actie van de Gemeente Amsterdam.
Wethouder
maakt slechte beurt bij kleuterleerkrachten
Een
woordenlijst voor kleuters op een placemat: wie heeft daar iets
aan?
De juf? De kleuters? Of de politiek? Is het de bedoeling dat de
juf met behulp van de lijst bijhoudt welke woorden nog niet aan
bod gekomen zijn, en hier extra lesjes over geeft?
Is het de bedoeling dat de kleuters tijdens de pauze hun chocomel
(3 x genoemd in de lijst) knoeien over de woordenplacemat in plaats
van over hun tafeltje?
Of is het de bedoeling dat wethouder
Lodewijk Asscher
en de Gemeente Amsterdam een nieuw wapenfeit op hun politieke
conto kunnen schrijven, om waar te maken dat zij veel aan de achterstanden
in het onderwijs doen?
Belachelijk
De kleuterjuffen die ik begeleid op taalontwikkelend lesgeven,
moeten hard lachen om de placemat met 2000 woorden. Gelukkig maar.
Zij vinden dat niemand er iets aan heeft.
Ik ben blij dat ze zich niet beledigd voelen.
Elke dag proberen zij met hun kleuters te praten, ze uit te dagen
en een stapje verder te helpen in taal.
Woorden komen de hele dag langs in een actieve kleutergroep.
Een lijst hebben de leerkrachten daar echt niet voor nodig. Wat
ze wel nodig hebben: de vaardigheid en alertheid om in gesprekken
met kleuters belangrijke woorden aan te dragen, woorden die ze
nodig hebben of die passen bij het gespreksonderwerp.
Hoe
komt het dat autochtone kinderen al 2000 woorden kennen als ze
naar school komen?
Niet omdat ze er les in gehad hebben, maar omdat ze die woorden
nodig hadden en overnamen van mensen in hun omgeving.
Want zo gaat taalverwerving bij elk kind.
Kinderen met een andere thuistaal of een weinig communicatief
thuismilieu hebben te weinig in het Nederlands gecommuniceerd
over wat ze doen en om zich heen zien. Dat is dan ook wat ze nodig
hebben als ze op school komen.
Ook op school leren kinderen woorden terwijl ze over de wereld
leren.
Goede leerkrachten focussen tijdens elke interactie in de klas
op woordenschatuitbreiding. Of het nu de bespreking van een ruzie
is, of een aardrijkskundeles. Ze herkennen met hun gezonde verstand
en ervaring, welke woorden belangrijk zijn.
'Frequentie, nut en context: dat zijn de
criteria waarop je je intuïtief en met gezond verstand kunt
baseren', schrijven Dirkje van de Nulft en Marianne
Verhallen in hun praktische boek 'Met woorden in de weer'.
Dus
waarom deze lijsten?
Lijsten moeten afgewerkt worden, of in elk geval afgecheckt. Zeker
in het onderwijs.
Een woordenlijst in het onderwijs betekent: dit gaan we leren,
en straks gaan we dit ook toetsen, controleren of tellen. Op het
gros van de leerkrachten werkt een 'officiële', vanuit de
wetenschap opgestelde lijst als een verplicht programma.
Het leidt tot woordenschatlessen in kleutergroepen.
Het leidt tot 'targets': 7 woorden per dag, 35 per week, dan haal
je 1500 in een jaar, zoals in het begeleidende boekje staat. Haal
je dat niet, dan loop je achter.
Arme kleuters, arme juffen. De laatste zullen nog meer het gevoel
hebben dat ze niet hard genoeg werken aan taal, iets wat ze al
dagelijks in de krant lezen.
In de kleutergroepen van zulke nerveus gemaakte leerkrachten is
steeds minder tijd voor spelen en natuurlijke gesprekken, en wordt
steeds meer 'lesgegeven'.
Terwijl kleuters het best, meest en snelst leren door taal in
een voor hen betekenisvolle context: die van spel en natuurlijke
gesprekken over onderwerpen die hen bezighouden.
Schijnhouvast
Sommige leerkrachten zijn erg blij met de placemat. Eindelijk
weten we eens om welke woorden het nou echt gaat, zeggen ze. En
ze voegen de lijst toe aan de lijsten die ze al elke dag proberen
af te werken in het kader van programma's als Piramide.
De lijst geeft echter slechts een schijnhouvast en zal bij onzekere
leerkrachten leiden tot slechter woordenschatonderwijs in kleutergroepen.
Suzanne
van Norden
Consulent bij de Stichting Taalvorming te Amsterdam
Dit
artikel verscheen in verkorte vorm in het Parool op 29 januari
2009
Onmaatschappelijkheidsbestrijding:
niet schadelijk
Al in 1970 boog de ontwikkelingspsycholoog dr.
G.A.Kohnstamm over het onderwerp van de taalachterstand
bij kleuters. De aanzet daartoe werd toen gegeven door het Ministerie
van Maatschappelijk werk in het kader van 'Onmaatschappelijkheidsbestrijding'.
Het ging voornamelijk om een cognitieve
ontwikkeling in het algemeen en een sociaal-emotionele ontwikkeling
van de individuele kinderen in het bijzonder. Daar werd een speciale
'Proefcrèche' voor opgezet.
Als het om taalontwikkeling gaat is Kohnstamm de eerste die een
compensatieprogramma voor kleuters bedenkt: "Het Utrechtse
Taal-Denkprogramma"
De ontwikkeling van de kleuters werd voortdurend getest en gemeten,
maar de kwaliteit van het werk in de kindercentra werd er er niet
aantoonbaar door verhoogd.
De belangrijkste uitkomst van een onderzoek was dat de Proefcrèche
niet schadelijk was voor kinderen beneden 4 jaar.
Zo zullen de placemats ook wel niet schadelijk voor de peuters
zijn.
naar
boven
|