startpagina

register
trefwoorden


index
literatuur


gedichten


taal algemeen


bekijk
foto's, werk


lees ook:

Iconografische
communicatie van peuters

Nuloptie en de talige educatie van kleuters

 

Eekhoorn en de kinderen

Geïmproviseerde verhalen vertellen
In de eerste lentezon zit ik buiten op de binnenplaats met een mok koffie en een bordje Dulcesol Galettas van de Pasteleria de Calidad.
Als een zwerm spreeuwen komen de kinderen van het kindercentrum op mij af en eisen hun deel van de Spaanse maaltijdcrackers.
Ik spreek ze toe als ware het spreeuwen. Dromerig kijken ze omhoog in de bomen van de binnenplaats of er spreeuwen te ontdekken zijn.
Ik vertel dat ze vandaag niet in de boom zitten, maar naast me op de bank.
Seppe beweert dat ze weg waren met de auto.
Julia heeft een prinsessenjurk over al haar kleren aangetrokken en gedraagt zich koninklijk. Ze vroeg niet om een stukje koek maar verwachtte dat ze het kreeg.
En dat was ook zo.

Ik vertel dat in de bomen een prettig gestoorde eekhoorn zijn nest heeft. Iedere keer laat hij een eikeltje of een beukennoot uit zijn pootjes vallen en moet op en neer langs de stam rennen om het te pakken. Daar kreeg hij behoorlijk hoofdpijn van.
De kinderen knikten ze begrepen het.

De juf is inmiddels ook aangeschoven en ik vertel haar dat we het hadden over een eekhoorn met een verstandelijke beperking, zoals dat tegenwoordig heet.
Het verhaal ging verder en de kinderen hadden het over olifanten in het bos die hun moeder niet los mogen laten en over Roodkapje.

Ik vertel dat op een keer een prettig gestoorde eekhoorn met een plof uit de boom viel en voor de voeten van Roodkapje terecht kwam.
Die was, zoals bekend, op weg naar grootmoeder en had een pizza bij zich.
Als troost kreeg eekhoorn een stuk van de pizza. Roodkapje plakte de pizza weer zodanig aan elkaar dat grootmoeder niet in de gaten had dat er een punt ontbrak.
Sinds die tijd valt eekhoorn steeds weer uit de boom en ontstaat een kuil onder de stam.
Ik heb de kinderen gevraagd, als ze in het bos zijn, uit te kijken naar een boom met een kaalgeschaafde stam en een kuil.
Daar moet dan nog een prettig gestoorde eekhoorn wonen in een hol met een tafeltje en een stoeltje en een kastje waar de beukennoten in zitten.
Met de juf praat ik verder over de geuren van Pasen in een bos. Een beetje gronderig vochtig. Heel anders dan de geur van klamme winterjassen.

Je zou kunnen zeggen dat het verhaal een taalles is, maar dat is niet zo, het is een beetje meer.

Wat is die meerwaarde dan?
Laten we de 'les', die niet als een les bedoeld is, eens punt voor punt volgen waar de leermomenten zijn.
In de eerste plaats ben ik geen leerkracht of begeleider, maar een buurman van de kinderen en ik woon op de plek waar de kinderen vaak spelen.
Ze kennen mij goed en vragen steeds of ik een verhaaltje wil vertellen.
De visie van het kindercentrum is gebaseerd op de uitgangspunten van 'Reggio Emilia' waarbij de kinderen samenwerken met kunstenaars, de 'atelierista'.
Ik ben dus eigenlijk een soort onbezoldigde opa van dienst.

Hier en nu
Ik begin een geïmproviseerd verhaal bij de 'gebeurtenis' van het moment.
Dat zijn vandaag 'Dulcesol Galettas van de Pasteleria de Calidad'
Alles wat ik buiten eet en drink wordt door de kinderen gecontroleerd. Ze kijken in mijn koffiemok en constateren dat ze zwarte koffie niet lusten.
Ze vragen wat ik eet. Dat lusten ze wel.
Ik vertel dat die koeken uit Spanje komen en dat er een zoet laagje met komijnzaadjes op zit.
Als ze allemaal een stukje geproefd hebben weten ze nu dat komijnzaadjes naar anijs smaken.

Hoe zien spreeuwen er uit?
Ik sprak de kinderen toe als ware het spreeuwen. Ik leg uit dat spreeuwen vogels zijn en dat ze altijd, net zoals kinderen, met z'n allen zijn. Dat spreeuwen samen in een boom gaan zitten. En de kinderen naast me op de bank zitten.
Op de binnenplaats staan tien platanen en het is vanzelfsprekend dat de kinderen allemaal omhoog kijken of er soms spreeuwen in de bomen zitten.
Duiven zien ze vaak en die twee eksters, die de duiven altijd wegjagen, hebben ze ook vaker gezien.
Ik beschrijf voor ze het verschil tussen eksters, duiven en spreeuwen. Hun veren, een lange of korte staart, de kleuren, hoe dik ze zijn en hoe groot ze zijn ten opzichte van elkaar.

Seppe verbindt al zijn waarnemingen met auto's, ook nu.
Het is een prachtige manier van hem om te proberen het verhaal een wending in die richting te geven. Ik vertel dat het een vieze boel zou zijn als zo veel vogels in een auto gaan zitten, waar ze op de stoelen poepen en ontzettend veel herrie maken. Ik doe voor hoe spreeuwen kwetteren. Zo dat weten ze nu ook.

Verkleedkleren
Julia had een prinsessenjurk aan. De kinderen trekken vaak kleren uit de verkleedklerenkist aan en passen hun spel er bij aan.
De verhalen over prinsessen en hun bezigheden in de sprookjes kennen ze goed.
Ik bied Julia op een koninklijke manier een stukje koek aan.

Hebben dieren pijn?
Ik vertel over een gestoorde eekhoorn.
Hiermee doorbreek ik de stereotypische beelden die kinderen van dieren hebben.
Dieren laten vast wel iets uit hun pootjes vallen of stoten hun kop aan een boomstam. De kinderen kennen de gevolgen van hard tussen de bomen rennen, dan vallen en pijn krijgen.
Dieren kunnen ook pijn hebben, nietwaar.

Waar zit het verstand?
De juf komt er bij zitten en ik breng haar op de hoogte van waar we het over hebben. Of dieren zo slim zijn dat ze nooit hun kop stoten.
Ik merk dat ik het met de juf over 'verstandelijke beperking' heb.
Ik gun mijzelf dit grapje op volwassenen niveau.
Tegelijkertijd maak ik hiermee duidelijk dat we het met kinderen best kunnen hebben over dieren die hun verstand verliezen en domme dingen doen.

Verbinding van fantasie met ervaringen
De kinderen hadden het over olifanten in het bos die hun moeder niet los mogen laten. Het is een versje dat ze vaak zingen.
Als ze het over Roodkapje hebben maken ze een ketting van hun kennis en ervaringen: Eekhoorn zit in het bos, in een bos verdwaal je, Roodkapje is ook een bosbewoner, net zoals de wolf en grootmoeder.
Ik breng als een variant in dat Roodkapje een pizza in plaats van koekjes naar grootmoeder brengt. Soms laat ik in mijn vertelsels zelfs een pizzakoerier door het bos scheuren.
Het is nu eenmaal zo dat de kinderen bij Oma's meestal vaker pizza's eten dan zelfgebakken koekjes.

Wiskunde voor kleuters?
Roodkapje plakt de pizza, waar een punt ontbreekt, weer tot een gave cirkel. Dat is iets dat kinderen zich nu voor kunnen stellen. Per slot van rekening kennen ze het verschil tussen een groot en een klein stuk pizza al zeer goed.
Net zo als grote kinderen die zijn, even op de vingers tellen, vier als ze naar de basisschool gaan.

Verbeeldingskracht
Ik vraag de kinderen terug te denken naar die keer dat ze zelf in een bos waren.
Ik vraag ze hoe het daar uit ziet. Ik verbind hun ervaring met het verhaal dat ik vertel. Daarmee ontwikkel ik de verbeeldingskracht van de kinderen.
In plaats dat ze het verhaal verbinden met de illustraties uit een sprookjesboek, gaat het nu over een echt bos met echte dieren.
Vaak hebben we het over welke dieren ze eigenlijk in een Nederlands bos tegen kunnen komen. Leeuwen, tijgers en krokodillen zijn daar niet bij en dat is maar goed ook.

Tussen fantasie en werkelijkheid
Dan ga ik weer terug naar de verhaallijn in sprookjes, waar het mogelijk is dat eekhoorns tafeltjes en stoeltjes in hun hol hebben. En kastjes waar ze hun noten in opbergen.
Zo ontstaat een gezonde wisselwerking tussen verzinsels en werkelijkheid.
De kinderen leren die herkennen.
Thuis hebben ze ook een lekker bedje, een eigen stoeltje en een kast.

Met de juf ga ik nog even in op alle zintuigen die je kunt gebruiken als je in een bos bent. De geuren van het bos verbinden met de geuren van de kapstok.
De verbeeldingskracht van de juf.

Ja, het is meer dan een taalles.

Henk van Faassen

meer over de achtergronden van vertellen