|
Taalontwikkeling
Technisch
of Begrijpend Lezen dat is de vraag
 
Als
ik tegen methodisch technisch lezen ben hoe moet het dan anders?
Ik zal proberen
materiaal aan te dragen waarop je eigen mening bevestigd of herzien
kan worden.
Ik maak hiervoor gebruik van:
Kenneth Goodman, Arizona State
University, "What's Whole in Whole
Language", Heinemann Educational Books, Portsmouth,
New Hampshire, 1968
Henk van Faassen,
"Taalvorming & Whole Language, Een vergelijkende beschrijving",
Uitgave Taaldrukwerkplaats Amsterdam, Juni 1998;
Jetty Vegter: "Ontluikende
geletterdheid helpen ontluiken?" Universiteit
Utrecht Vakgroep Onderwijskunde, sept. 1998
Het
verschil tussen een methode en een werkwijze
Een metafoor:
Een taalmethode
is fabrieksbrood
De werkwijze taalvorming is zelfgebakken brood
Een methode
is ontworpen door een aantal deskundigen achter hun schrijftafel
en uitgegeven door een uitgever die er belang bij heeft dat zoveel
mogelijk scholen die aanschaffen.
Het
methode gebonden onderwijs leert de kinderen op een
technische manier lezen via deductief (de weg van het afleiden
van iets algemeens naar het bijzondere) taalregels verwerven.
Pas bij begrijpend lezen wordt voor de kinderen inductie (van
het algemene naar het bijzondere) en reflectie (bespiegeling)
mogelijk.
Methodegebonden onderwijs is klassikaal onderwijs met een minimale
arbeidsinzet van de leerkracht en een maximale groepsgrootte.
Dit is geen beleid maar het gevolg van nationale begroting.
'Kwaliteit' wordt daarbij op een programmagerichte manier gedefinieerd.
De betrekkelijk geringe arbeidsinzet van methodegebonden onderwijs
kan een bedreiging van de kwaliteit betekenen.
De werkopvatting van de leerkracht wordt negatief beïnvloed
Taalvorming
is een werkwijze die zo veel mogelijk ervaringsgericht,
thematisch onderwijs mogelijk maakt.
Veel kansen voor interactief werken en korte instructiemomenten.
Voor er oefeningen plaats vinden is er een bepaalde heuristiek
(eigen ontdekkingen) bij de kinderen waargenomen.
Taalvorming zorgt voor een positieve leerhouding, om van daar
uit constructief kennis te verwerven.
De begeleiding van Taalvorming is optimaal, maar de haalbaarheid
voor de bestaande schoolpraktijk wordt betwijfeld.
Samenvattend:
1. Whole Language is te vergelijken met Taalvorming: de kinderen
werken met inhoudsvolle teksten.
2. Geen lesmethodes, taalboekjes zijn overbodig, het leerproces
wordt vanuit de kinderen opgebouwd.
3. De kinderen maken boekjes en schriftjes met teksten over zichzelf.
4. De kinderen krijgen een rijke, gevarieerde en stimulerende
taalomgeving aangeboden.
5. Met de AVI toets krijgen de kinderen een negatieve boodschap:
'je kan het niet'; men meet snelheid en techniek en gaat voorbij
aan de inhoud en het leesplezier.
6. Sommige methoden zijn zo mooi uitgevoerd en wekken zoveel vertrouwen
dat leerkrachten alleen nog maar methode gebonden les kunnen geven.
7. Bij een werkwijze help de leerkracht kinderen leer- en leesstrategiën
te ontwikkelen; samenwerken is belangrijk.
8. Bij een prentenboek worden uitgebreide activiteiten gedaan
die de kinderen zelf aandragen.
9. Er is geen rigide scheiding tussen leren, spelen en vrije tijd.
10. De betekenis van Taalvorming ligt in de kwaliteit van de leerkracht
die zelf verantwoordelijkheid voor het leerproces wil nemen.
11. De kinderen ontwikkelen een nieuwsgierige leerhouding ten
opzichte van taal
12. Taalvorming is leuk.
Taalvorming:
een gemakkelijke manier van taalontwikkeling
De gemakkelijke momenten maken kinderen buiten de school mee,
de moeilijke uren binnen school.
Met taalvorming haal je meer gemakkelijke momenten de school in.
Veel
leerkrachten leren van de kinderen dat ze taal als een geheel
moeten onderwijzen en dat ze de kinderen kunnen betrekken bij
de zingeving ervan.
Deze eenvoudige zeer fundamentele constatering heeft tot enige
dramatische en ook opwindende veranderingen in het onderwijs geleid.
Leg die zorgvuldig samengestelde taalmethodes, spellingsprogramma's
en handschriftlessen maar even terzijde
Wat
is er moeilijk of makkelijk aan taal?
Taalvorming
is gemakkelijk
als die echt en natuurlijk is
als die volledig is
als die vol gevoel is
als het interessant is
als het ergens over gaat
als die van het kind is
als het waar gebeurd is
als er een sociale noodzaak is
als er een doel voor de leerling is
als het kind voor het gebruik kiest
als het toegankelijk voor de leerling is
als de leerling bij machte is die te gebruiken
Een taalles
is moeilijk
als die kunstmatig is
als het aanbod verbrokkeld is
als het onzin is
als het vervelend en niet interessant is
als het nergens over gaat
als het van iemand anders is
als het buiten een context valt
als er geen sociale noodzaak is
als er geen waarneembaar doel is
als iemand anders die opdringt
als die ontoegankelijk is.
als de leerling machteloos is
Iedere
vorm van leren houdt een risico in
Gezinnen hebben de neiging de eerste taalpogingen te koesteren
en verminderen daardoor het gevaar voor de leerling.
De kinderen mogen fouten maken en het opnieuw proberen. Scholen
dienen evenzo het nemen van risico's in taalontwikkeling aan te
moedigen.
Halliday zegt dat kinderen
vaak met hun taal beginnen waarbij de ouders volgen en reageren
maar de kinderen het tempo laten bepalen en ze hun eigen ontwikkeling
laten bepalen.
Er is zoveel taal in de ervaring van jonge kinderen, zoveel mogelijkheden
om regels en hypotheses te onderzoeken waarbij ze uitwisselen
met anderen als bron, dat ze, als het zover is, de taalregels
beheersen, evenals het klanksysteem en de woordenschat.
Op dezelfde manier krijgen kinderen vat op de subtiele pragmatische
beperkingen in taal, onderscheiden ze spel van serieuze communicatie,
worden ze gewaar wie wat zegt tegen wie en wanneer.
Lege
taal
Scholen isoleren taal vaak van hun betekenisvol gebruik.
Daarmee veranderen ze taal in non-taal.
Slechts de sociale context van taal heeft een betekenis voor de
leerling en alleen in een dergelijke context is taal gemakkelijk
te leren. Vanaf het allereerste begin is taal in het begrip van
een kind verbonden aan gevoelens. Als we er nonsens van maken
is het moeilijk op te pakken.
Ernstig
'gelabelde' kinderen
Lezertjes worden ingedeeld als remedial, onbekwaam of dyslectisch
als ze niet goed uit de testen tevoorschijn komen.
Ze raken vervolgens steeds meer geïsoleerd en krijgen oefeningen
in fonetica en woordaanpak en ze krijgen minder de tijd om hun
taal te leren terwijl ze taal gebruiken.
Waar ze het meest onder te lijden hebben is het feit dat ze een
etiket opgedrukt krijgen.
Grote groepen kinderen is het gelukt om de technologie te overleven
en ze hebben met meer of minder succes leren lezen en schrijven.
Maar daarbij hebben ze ook geleerd om lezen en schrijven als een
onplezierige activiteit te beschouwen, iets dat je uitsluitend
doet als het echt nodig is. Ze kunnen lezen en schrijven maar
als ze zelf kunnen kiezen doen ze het niet.
Sommige
aspecten van de leestechnologie zijn zo stevig in de
conventionele leesinstructie ingebouwd dat er speciale aandacht
nodig is om aan te tonen waarom er daarvoor geen plaats is bij
taalvorming:
Werkelijke
leesvaardigheid is wezenlijk als taal echt is
Mensen die goed naar kinderen kijken weten wanneer kinderen lezen
en schrijven nodig hebben, ze hebben er vertrouwen in dat kinderen
graag in de club van geletterden zitten.
Taalvormers haasten de kinderen niet, maar houden ze ook niet
af van hun natuurlijke taalontwikkeling. Ze ondersteunen hen als
ze voortbouwen op wat ze al weten
Er liggen een paar goede redenen achter speciale leesvaardigheids
programma's.
Kinderen hebben tijd nodig om zich te ontwikkelen; als je ze haast
werkt dat contraproductief.
Toen Washburne beweerde dat
kinderen een geestelijke leeftijd van 6 jaar moesten hebben om
met succes te kunnen leren lezen, geloofden veel mensen dat, zelfs
toen men zich afvroeg of het onderzoek ernaar wel klopte. Tegelijkertijd
kon men zien dat als de kinderen op school begonnen ze nog niet
beschikten over de fijne motoriek om met grote mensen pennen en
potloden om te kunnen gaan. Jammer genoeg worden deze verkeerde
veronderstellingen gevoegd bij een gemis aan kennis van de taalontwikkeling
bij mensen. Dit resulteerde in niet-talige activiteiten en abstracties
die niets van doen hadden met de behoefte van kinderen aan een
geschreven taalontwikkeling..
Taalvorming
kan niet in een kist verpakt worden, noch kan het tussen
de harde kaft van een methode gestopt worden.
Het kan zeker niet voorgeschreven worden.
Het heeft geen zin taalvorming zonder de steun van leerkrachten
in te voeren. De leerkrachten moeten hun eigen professionele beslissingen
nemen. Zij zullen het zijn die, samen met de kinderen, taalvorming
in de klaslokalen laten ontstaan.
Schoolbesturen en leerplanontwikkelaars met gevoel voor verantwoordelijkheid
hebben geleerd dat leerkrachten hetzelfde humane en geduldige
begrip verdienen als de kinderen die ze les geven.
Het is zaak dat er netwerken bestaan van leerkrachten die elkaar
ondersteunen, die artikelen en verslagen uitwisselen, elkaar vragen
stellen.
De ondersteuning houdt eveneens in dat er voorbeeldlessen gegeven
worden en dat er interne begeleiding op school is.
Bezoekjes aan andere scholen moeten georganiseerd worden. Op die
manier zullen steeds meer leerkrachten hun ervaringen en kennis
op het gebied van taalvorming willen delen.
Het is goed om zien wat voortrekkers bereikt hebben bij kinderen
die precies hetzelfde zijn als die bij een beginner. Deze vormen
van ondersteuning verlagen het risico voor degene die ondersteund
wordt.
De gevorderde taalvormer heeft geen intimiderende autoriteit in
dit verband.
Henk van Faassen
Artikel
opvragen: archief
taalvorming
naar
boven
terug
|