startpagina

register
trefwoorden


index
literatuur


gedichten


taal algemeen


bekijk
foto's, werk


lees ook:

nieuwe kansen

wat is taalachterstand

praten met kleuters


 

Taalontwikkeling en de politiek
de Iconografische communicatie van peuters

Iconografische communicatie van peuters
Meer dan met geschreven en gesproken woorden bedienen peuters zich van een iconografische communicatie. Dat wil zeggen dat voor hen abstracte objecten en krastekeningen concrete begrippen bevatten die door hen, in plaats van beschrijvingen met veel woorden en zinnen, gebruikt worden.
Voorwerpen en afbeeldingen bevatten voor de kinderen de verhalen die ze kenbaar willen maken, maar die door de volwassen begeleiders niet altijd adequaat gedecodeerd worden. Volwassenen voelen zich gemakkelijker bij uitgebreide verklarende teksten dan bij de context van een iconografisch object dat door een kind gekozen is. Toch moeten de begeleiders en begeleidsters in de voorschoolse educatie een bijdrage leveren aan de taalontwikkeling van peuters en kleuters. Ze moeten daartoe bijgeschoold worden in het herkennen van die iconografische communicatie en leren die op de taalontwikkelende waarde te schatten en te beoordelen.

Spelen of meer?
Als een kind met een stukje boombast, een takje of een onduidelijk gevonden voorwerpje aangetroffen wordt is de beoordeling meestal: het speelt ermee.
De bijscholing van de leidster zal erop gericht moeten zijn dat ze die handelingen kan interpreteren als een iconografische communicatie. Daarmee worden de meest gewone handelingen van de kinderen bijzonder in de zin dat ze deel uitmaken van een taalontwikkeling ook al komt er geen woord aan te pas.
Als het kind een krastekening maakt vraagt de leidster meestal: "wat is dat?" en is vervolgens tevreden als het antwoord overeen komt met haar eigen fantasie. Daar blijft het dan bij. Hoe anders is het als de vraag gericht is op het gehele verhaal dat achter de krastekening zit. Dat verhaal komt als je vraagt naar de gebeurtenis die in het gekraste icoon verborgen zit, als je met oprechte nieuwsgierigheid naar kinderen luistert.
Als je dat verhaal dan in grote mensen letters vastlegt ben je later in staat er op terug te komen. Een bijkomend voordeel is dat de ouders van dat verhaal kennis kunnen nemen. Tegelijkertijd schuilt daarin het risico dat de tekening als een kunstzinnige uiting met een verklarende tekst beoordeeld wordt in plaats van een talige, iconische, uiting.

De peuters zijn ontdekt.
Na de baby's in de consultatiebureaus en de kleuters in groep 1 van de basisschool, zijn de peuters aan de beurt om gecontroleerd te worden.
De overheid heeft op de een of andere manier vastgesteld dat te veel twee- en driejarigen een achterstand in hun taalontwikkeling hebben. Daarmee komen ze op school terecht en dan gaat het daar mis.
Het kabinet wil dat álle driejarigen verplicht moeten spelen in de voorschool. Dat moet dan een integrale voorschoolse voorziening zijn waar iedere peuter naar toe moet. Of daar dan zo maar plaats is voor al die schatjes, dat is de vraag. Men wil alle tweejarigen in ieder geval toetsen op taal.
Ongeveer de helft van onze peuters gaan naar een voorschool. Die andere helft bestaat, volgens de redenering van de politiek, uit allochtone achterstandspeuters en daar moet wat aan gedaan worden. Als er onvoldoende taalaanbod is door de ouders, moeten die ook worden gestimuleerd taallessen te nemen.
Alles komt in handen van de consultatiebureaus van de GGD, dat zijn voornamelijk jeugdartsen en logopedisten. Een medische indicatie dus.
Dat is natuurlijk wel zinvol als het werkelijk om bijvoorbeeld een gehoorafwijking of iets dergelijks gaat.
Maar om te weten hoe een taalontwikkeling verloopt moet je echter bij pedagogen en ontwikkelingspsychologen zijn maar die zijn niet bijster enthousiast over het idee om jonge kinderen te toetsen

Nutteloos
De Universiteit Nijmegen onderzocht een grote groep leerlingen die op de basisschool in groep twee zitten.
Het bleek dat kinderen die vroegtijdig voorbereidend leren, op de peuterspeelzaal, het kinderdagverblijf of in speciale projecten zoals 'voorscholen', niet beter rekenen of taal beheersen dan vergelijkbare kinderen zonder deze voorbereiding.
Als blijkt dat ze na twee jaar school hun voorsprong hebben verloren, moet je maar eens kijken hoe dat komt. De prestaties van kinderen worden door veel andere zaken, zoals de situatie thuis, beïnvloed.
De onderzoekers doen de aanbeveling om een systeem te ontwerpen dat kinderen de eerste jaren volgt, om hun vaardigheden bij te houden.
Het nut van voorschoolse educatie wordt al langer in wetenschappelijke hoek betwijfeld.
Ruim vier jaar geleden bleek al dat de effecten van de programma's Piramide en Kaleidoscoop gering zijn. Het programma Opstap kwam twee jaar geleden wel positief uit een onderzoek van de Universiteit Utrecht.

Crècheleidsters moeten beter opgeleid worden
Kinderen die in een andere moedertaal, onder verre van ideale omstandigheden, worden opgevoed hebben baat bij een onderdompeling in een rijke taalomgeving. Dat zou best een kindercentrum kunnen zijn, maar als daar te weinig gekwalificeerde begeleidsters zijn, of een duidelijk plan van activiteiten ontbreekt, dan heeft het geen effect .
En juist daar ontbreekt het momenteel aan.
De kinderopvang is niet toegerust om taalachterstanden weg te werken.
Een gewone peuterspeelzaal is niet voldoende. Op de cognitieve taalaspecten die op de opvang worden geboden, loopt de Nederlandse kinderopvang achter.

Taal leren is aangeboren
Maar om je taal te ontwikkelen heb je mensen nodig waar je tegen kunt praten en die je willen begrijpen.
Hoe meer volwassenen de kinderen om zich heen hebben die goed en veel met hen praten, en weten hoe ze met een kind met taalachterstand moeten omgaan, hoe sneller een kind zich ontwikkelt.

Wat mij nu interesseert is op welke wijze die taalontwikkeling de kinderen aangeboden wordt. En wat belangrijker is, welke deskundigheid bij de begeleidsters en begeleiders tegenwoordig op dit punt aanwezig is.
Voor wat betreft tekenen, werken met ruimtelijk materiaal, bewegingsexpressie en de ontwikkeling van het spelen zijn er in het algemeen wel duidelijke ontwikkelende en ondersteunende structurele activiteiten herkenbaar.
Voor wat betreft de taalontwikkeling is dat veel minder het geval. Er zal in de meeste gevallen een geheel nieuwe opleiding voor nodig zijn.

Als ik nadenk over de praktijk zie ik bij taalontwikkeling voornamelijk opvoedende ingrepen voor me: de kinderen mogen elkaar niet uitschelden en ze moeten beleefd zijn naar volwassenen. Ze moeten duidelijk kunnen maken wat ze willen en wat niet, zonder dat met gekrijs en tranen te doen.
Of deze ingrepen een bijdrage leveren aan de taalontwikkeling in de zin van een aanzet tot geletterdheid kan ik niet duidelijk vast stellen.

Het gevaar van taalprogramma's in de voorschool
Uit het bovenstaande mag blijken dat ik beducht ben voor het gevaar dat erin schuilt als er methodes en programma's ontworpen worden voor de peuters en kleuters die een vermeende taalachterstand hebben.
De denktrant van de methodologen is dat een en ander aan moet sluiten op de methode die het basisonderwijs hanteert. Nog afgezien van de bedenkelijke kwaliteit van veel taalmethodes is het niet verstandig om van achteren naar voren te denken. Wat ontbreekt er aan de taalvaardigheid van de kleuter waar de basisschool geen invulling aan kan geven zodat dit maar in de zogenoemde voorschool opgelost moet worden?
Het antwoord op die vraag kan niet gegeven worden want er ontbreekt niets aan de taalvaardigheid van de kleuter. Er ontbreekt veel aan de talige omgeving van kinderen, thuis zowel als op school.
Dan gaat het zowel over de materiële, de inrichting van de plekken waar kinderen zijn, als de immateriële omgeving, de volwassenen waar ze mee samen leven.
Ik stel me voor dat aan die laatste twee voorwaarden wordt gewerkt voor er naar een kleutertaalprogramma met testen en toetsen gegrepen wordt.

Opvoeden versus ontwikkelen
Volgens de psycholoog Loris Malaguzzi beschikken kinderen vanaf hun geboorte over honderd talen. Behalve in gesproken taal, kunnen ze zich ook uitdrukken in muziek, beweging, toneelspel, in klei of op papier. De mogelijkheden van kinderen om vorm te geven aan wat er in hun hoofd omgaat zijn onuitputtelijk. Zo wordt het geformuleerd in de kindercentra die volgens het gedachtegoed van Reggio Emilia werken. Voor alle duidelijkheid, wat vroeger een crèche was heet nu kindercentrum.

Een regulier kinderdagverblijf tover je niet zo maar om in een kindercentrum à la Reggio Emilia waar ook de architectuur en de inrichting van de gebouwen aangepast is aan de verlangens van kinderen. Bovendien is de kern van de aanpak een voortdurend onderzoek naar wat kinderen beweegt.
Leidsters, pedagogen en kunstenaars observeren kinderen intens, denken na over de kinderen en bespreken uitgebreid met elkaar waar ze met de kinderen aan gaan werken.
Alle producten van de kinderen worden gedocumenteerd, foto's van dansende en spelende peuters hangen aan de muur, schilder- en kleiwerkjes worden tentoongesteld op plekken waar de ouders kennis kunnen nemen van activiteiten waar de kinderen zich in hun afwezigheid mee bezig houden.

Hoe de taalontwikkeling gedocumenteerd moet worden is niet duidelijk. De kinderen schrijven nog niet zelf en er is niet altijd gelegenheid de gesprekken van de peuters op band op te nemen. Als de begeleidsters een dialoog tussen twee kinderen opschrijft is dat om verslag te doen aan de ouders.


Een duidelijke taallijn is er niet altijd

In de kindercentra van Reggio Emilia functioneren 'atelierista', dat zijn voornamelijk beeldende kunstenaars en architecten die in speciaal ingerichte ateliers met de kinderen samen werken en hen op die manier inspireren. Naar mijn weten zijn er geen centra die een schrijver met een taalwerkplaats hebben ingehuurd.

Soms zijn er groepsgesprekken waarbij de atelierista op zoek gaat naar de ideeën van de individuele kinderen die dan weer de basis zijn voor groepsactiviteiten.
Ze schrijft op wat de kinderen zeggen. Zo ontstaat een zekere talige interactie.
Het is echter opvallend dat die interactie niet een talige ontwikkeling ten doel heeft. Het gaat om de praktische uitvoering van de plannetjes die de kinderen opperen. Welke materialen en gereedschappen ze erbij nodig hebben en zo meer.
De transcripties van de cassetteopnamen zijn daar ook op gericht.
Een sterk sociaal proces, maar nog geen talig proces.

Hoe is taal door de jaren heen op de Nederlandse crèches en speelzalen ontwikkeld?
In het begin wordt er van 'kinderopvang' gesproken en de kinderen zitten op een 'bewaarschool'
Opvangen en bewaren van kinderen is een vak dat al in de Middeleeuwen door Begijnen uitgeoefend werd. Als er al lezen en schrijven aan de orde was stond die taalontwikkeling in het teken van een godsdienstige indoctrinatie. Verder was het leren naaien en breien.

Later komen verwaarloosde kinderen in weeshuizen terecht waar ze in textielfabrieken en dergelijke te werk gesteld worden en vaak ook op andere manieren mishandeld worden.
In de betere standen werden, afhankelijk van de welstand, een kraamvrouw, gevolgd door een baker en, als het kind anderhalf jaar is, een meid aangesteld.
Het speelterrein was daarmee de keuken. Omdat die gevaarlijk was kregen de kinderen een zwaar 'keurslijf' aan en soms werd het mutsje opgevuld tot een soort valhoedje. De baby's waren zo fors ingebakerd dat men ze gewoon aan een haak aan de muur kon hangen.
Men beweerde wel dat ze in geval van nood over het huis heen gegooid moesten kunnen worden.

De Hollandse taal was veel te burgerlijk
In de twintigste eeuw hadden de dames uit de betere stand het te druk met de 'beau monde' zodat ze de opvoeding van hun kinderen aan een Franse gouvernante overlieten.. De meisjes leerden voornamelijk borduren, sierlijk lopen en goede omgangsvormen.
De meisjes uit de burgerlijke kringen waren dan weer in dienst bij die dames en pikten zodoende ook een graantje ontwikkeling mee.
De schrijfster Betje Wolff hielp de moeders uit de 'middelstand' voor hun eigen ontwikkeling aan te pakken zodat ze hun kinderen een goede opvoeding konden geven. De kinderen moesten hun natuurlijke beweeglijkheid en nieuwsgierigheid kunnen volgen.
Hieronymus van Alphen (1778) schreef voor het eerst een boekje met versjes voor de kinderen.

De verheffing van het volk
Vanaf 1800 vond men dat de opvoeding van arme kinderen in bewaarinrichtingen en tehuizen moest plaats vinden. Er kwamen bewaarscholen voor kinderen van fabrieksarbeidsters op het terrein van de fabriek zelf.

De Matressenschooltjes
Er waren zo'n 200 van in Amsterdam. De matres was de eigenares van het schooltje en ze leefde van de opbrengst. Ze waren gevestigd in kelders en op zolders van toch al niet riante huizen. Vaak kon de matres zelf nauwelijks lezen. Het onderwijs bestond uit het opdreunen van het Onze Vader. Daarnaast leerden kinderen het abc, de getallen van 1 tot 10 en als de matres zelf het lezen machtig was, de eerste beginselen van het spellen.
Een inspecteur verzuchtte: "In vele dier schooltjes was ik niet bij magte, wegens stiklucht of onreinheid, binnen te gaan; er werd niets degelijks geleerd, noch bij het kind ontwikkeld; slechts razen, vechten en twisten hoorde men er."
De Zwitser Pestalozzi had het beter op met de kinderen:
"Geef aan al hunnen bezigheden een vroolijke, half spelende gedaante."
De omgang met de kinderen moest geduldig en liefdevol zijn. Zijn opvoedingsmethode had hij dan ook, volgens eigen zeggen, niet zelf bedacht, maar ‘gevonden’ in de natuur. De oefening van de natuurlijke vermogens kan het beste geschieden door het leven zelf.

Bewaren van kinderen
Bewaarscholen waren beter dan die Matressenschooltjes.
Er werd veel 'geleerd' zoals spraakoefeningen, versjes opzeggen, verklaren van woorden en bijbelse geschiedenis. De kinderen moesten 'oefenen met tol, bal en hoepel', maar let op, dat mocht geen spelen heten. De kinderen moesten wennen aan orde, zedelijkheid, werkzaamheid, gehoorzaamheid en beleefdheid.
De Vereeniging tot Verbetering van Kleine Kinderbewaarplaatsen werd in 1872 opgericht door Mejuffrouw Femina Muller.
In de nieuwe vereniging waren er alleen vrouwelijke bestuursleden. Er werd veel gebruik gemaakt van onbetaalde volontaires die een opleiding aan een huishoudschool volgden. Met een witte schort aan verzorgden ze de kinderen, dat maakte dat de bewaarplaats op een ziekenhuis leek. Van een talige ontwikkeling was vanzelfsprekend geen sprake.

Fröbelscholen en Kindergarten
Omstreeks 1930 gaat het van bewaren naar opvoeden. Maar dan wel fröbelen met blokken en vlechtmatjes op een strak voorgeschreven manier. Niks zelfwerkzaamheid.
Maria Montessori kwam naar Nederland om te vertellen hoe ze in Italië werkte. Meteen werden in de tuinkamers van Haagse villa's montessoriklassen voor een dozijn rijkelui's kinderen opgericht.
Als de socialistische vrouwenbeweging oprukt komen er ook openbare montessorischolen.

Het kinddoel afgeleid van het moederdoel
Moeders die door nood gedwongen overdag niet voor hun kind konden zorgen.
De kinderen verbleven in een crèche die officieel kinderdagverblijf genoemd werd. De GG en GD controleerde op hygiëne en dergelijke, maar pedagogische ontwikkelingen werden niet waargenomen.
Er komen speelzalen in buurthuizen zoals Ons Huis in Amsterdamse volksbuurten.
De programma's waren op de buurtproblematiek afgestemd, vormingswerk dus.

Speelzalen
In 1965 wordt de Kinderspeelzaal in Wageningen opgericht en volgen er landelijk meer.
Het doel is dat de kinderen regelmatig onder deskundige leiding kunnen spelen. De kinderen konden er een dagdeel terecht. De kinderen in de leeftijd van anderhalf tot vier jaar speelden er door elkaar in een gunstig pedagogisch klimaat.
Een vorm van collectieve opvoeding, maar nog niet van een specifieke taalontwikkeling.
Het initiatief komt vervolgens in handen van Arnhemse academisch gevormde dames die de speelzalen landelijk organiseren voor hun eigen kinderen zodat ze zelf de handen even vrij hebben. Het concept verwaterde.

Kleuteronderwijs
Vlak voor de tweede wereldoorlog raken de kleuterscholen in zwang.
In 1956 komt er zelfs een Wet op het kleuteronderwijs. De toelatingsleeftijd was 4 jaar, maar men probeerde driejarigen ook binnen te smokkelen.
Er werden daartoe peuterklassen of zogenoemde kakschooltjes opgericht. Er zo was er weer onderscheid tussen pedagogische doelen en een bewaarfunctie. De moeders wilden tijd krijgen om zichzelf te ontwikkelen.

Antiautoritaire opvoeding
In de PROVO tijd was daar het Witte Kinderen Plan.
Daar zaten de kinderen van artistiekelingen en semi-intellectuelen in een kraakpand bij elkaar en werden antiautoritair opgevoed. Weg uit het paternalistische gezinsverband. De kinderen leren van elkaar en de moeders hebben hun kinderen niet altijd aan hun rokken hangen. In de doelstellingen van de Witte Kinderen Opvoeding zijn wel kenmerken van een ludieke opvoeding te vinden, maar hoe die voor wat geletterdheid betreft ontwikkeld moeten worden, daarover is weinig terug te vinden.
De kinderen mogen niet gestraft worden en moeten vrij gelaten worden om hun eigen behoeften te volgen.
Linkse studenten, veelal ook Maagdenhuisbezetters, richtten antiautoritaire kresjes op. Ze volgen de richtlijnen van 'sexpol', een groep die zich bezig houdt met de sexuele en politieke onderdrukking in de kapitalistische maatschappij.

Spelende mensenkinderen
De Psychologe Bladergroen heeft in 1961 onderzoek gedaan naar het spel van kinderen.
Er wordt gekeken naar de ontwikkeling van kinderen uit de betere milieus. De winkel 'Speel Goed' levert verantwoord, stevig en duur, veelal ambachtelijk gemaakt, houten speelgoed, ontworpen door pedagogen en kunstenaars.
De stichting Goed Wonen adviseert hoe de speelplekken van kinderen in een modern verantwoord huis er uit moeten zien.
De kinderen gaan naar de Werkschuit, naar muziekles en naar kindervoorstellingen. Ze krijgen verantwoorde prentenboeken in de Boekenboot.
Bladergroen vindt het spel van kinderen van belang voor hun cognitieve ontwikkeling. Ouders mogen kinderen niet afremmen als ze met hun speelgoed veel rommel en lawaai maken. Ze moeten zelf meespelen.
Ouders die veel te netjes op hun huis zijn hebben kans op kinderen met ontwikkelings achterstanden volgens Bladergroen.
De moeders moeten minder ramen lappen en washandjes strijken en meer met hun kind spelen. Het verzorgen en opvoeden van de kinderen moet de hoogste prioriteit krijgen..

Bewust pedagogisch handelen is schaars

De mate en de aard van de pedagogische begeleiding is voornamelijk afhankelijk van de persoonlijkheid en deskundigheid van de directrice van een dagverblijf. Voor de leidsters is het zaak dat huishoudelijke taken vervangen worden door begeleiding van de kinderen.
In de anti-autoritaire kresj observeerde men het gedrag van de kinderen.
De feministen roepen: "We zijn geen kangoeroes, wij eisen crèches". Het is een vrouwenbelang dat niet gelijk liep met kinderbelang. Kreten klonken als: "Dan moet je maar geen kinderen nemen, je bent een egoïstische moeder die haar kinderen wegstopt".

Onmaatschappelijkheidsbestrijding
In 1970 werd een Proefcrèche, onder leiding van de ontwikkelingspsycholoog dr. G.A.Kohnstamm, opgezet. De aanzet daartoe werd gegeven door het Ministerie van Maatschappelijk werk in het kader van 'Onmaatschappelijkheidsbestrijding'. Er was plaats voor kinderen uit zogenoemde 'Sociaal gedepriveerde' arbeidersmilieus.
Het gaat het voornamelijk om een cognitieve ontwikkeling in het algemeen en een sociaal-emotionele ontwikkeling van de individuele kinderen in het bijzonder.
Als het om taalontwikkeling gaat is Kohnstamm de eerste die een compensatieprogramma voor kleuters bedenkt: "Het Utrechtse Taal-Denkprogramma". Maar het is wel zo dat de ontwikkeling van de kleuters voortdurend getest en gemeten wordt, maar dat de kwaliteit van het werk in de kindercentra er niet aantoonbaar door verhoogd wordt. De belangrijkste uitkomst van een onderzoek was dat de Proefcrèche niet schadelijk was voor kinderen beneden 4 jaar.

Ten slotte
Kinderen die aan het begin staan van hun weg door een woeste wereld met obstakels voor velerlei aard verdienen onze liefdevolle aandacht. Die aandacht dient geen economisch doel zoals door de politici beschreven wordt als ze zeggen hoeveel miljoen euro's er bespaard kan worden als er kinderen zonder een taalachterstand op de basisschool terecht komen. .
Jonge kinderen moet je niet willen onderwerpen aan een technische benadering van leren. Peuters en kleuters moeten vrij en spelenderwijs taalvaardigheid opdoen. Daarom moeten we de plek waar ze dat doen zeker geen voorschool noemen.
We moeten de creatieve kracht van de kinderen leren herkennen en er zinvol mee omgaan.

Henk van Faassen

meer onderwijsvernieuwende stromingen