|
Grenzen van taal
Gedichten in Sranantongo
door
Geert Koefoed *)

Dichters
houden van hun taal (of talen)
Hun
houding tegenover taal doet denken aan die van een ambachtsman,
bijvoorbeeld een meubelmaker, die zijn gereedschap koestert en
zijn materiaal door en door kent.
Voor de dichter is taal gereedschap en materiaal tegelijk.
De grammatica, vooral de zinsbouw, behoort tot het meest mechanische
deel van een taal. Over woorden denken we nog wel eens na en voeren
we ook wel gesprekken: over wat ze 'eigenlijk' betekenen en of
we ze mooi of lelijk vinden. Van de grammaticaregels zijn we ons
nauwelijks bewust. Ze laten ons ook weinig vrijheid. Wel bieden
ze stilistische keuzes, we kunnen bijvoorbeeld iets anders dan
het onderwerp voorop plaatsen, en de ambachtelijke dichter maakt
daar expressief gebruik van en schrijft niet:"Ik heb dit
land gekozen" maar: "Dit land heb ik gekozen".
Maar door de hand van de dichter, die zijn taal onderzoekt en
aftast, kunnen de grammaticale constructies op zichzelf een bepaalde
expressiviteit krijgen, een beeldende kwaliteit. Het Sranantongo
kent de zogenaamde seriële constructie, dat is de mogelijkheid
om werkwoorden aaneen te schakelen tot een soort ketting, zonder
voegwoorden. De constructie wordt gebruikt om aan te geven dat
acties direct in elkaars verlengde liggen, bijvoorbeeld als de
tweede het inherente gevolg van de eerste is:
A dyompo fadon kon na gron
[Hij sprong viel kwam op de grond]
Het is Afrikaans erfgoed, deze constructie in het Sranan. Nederlandse
en andere Indo-europese talen hebben deze mogelijkheid niet. Die
moeten zich behelpen met omslachtige bijzinnen met voegwoorden
als zodat. Luister, hoe dwingend-beeldend Slory deze constructie
gebruikt in de aanhef van zijn gedicht Orfeu negro:
Mi sa singi
a son
opo kon
De Nederlandse
vertaling van deze zin (van de dichter zelf) luidt:
Ik zal zingen
om de zon
te laten opkomen.
[De woord-voor-woord-vertaling is: Ik zal zingen de zon rijst
komt te voorschijn.]
In de Sranan regel staan singi, a son en opo kon onmiddellijk
naast elkaar; zo beeldt de constructie uit dat het opkomen van
de zon het onmiddellijke, inherente gevolg van het zingen van
mi is, althans in de vaste overtuiging van de jongen die hier
aan het woord is. Slory boft natuurlijk, dat zijn taal, het Sranan,
deze constructie heeft - maar het is zijn dichterschap die deze
mogelijkheid zo expressief weet te gebruiken.
Wie het werk van de dichters als Trefossa,
Shrinivási en Jit Narain
leest, niet als verzamelingen losse gedichten maar als een doorgaand
'verhaal', merkt dat ook voor hen poëzie een zoektocht naar
zin is.
Goede poëzie heeft het dan wel in zich dat zij het particuliere
overstijgt en loskomt van de maker; dat de troost of aanvaarding
die de dichter vond in taal, ook de lezer kan troosten met een
misschien wel heel ander verlies.
Laat ons
langzaam
eenvoudig
wijs
grijs worden
buigen
erkennen
toegeven
het leven,
nieuw in het gezicht.
Shrinivási
(uit: Dilákár, 1970)
Maar er is
ook poëzie die ons de werkelijkheid alleen wil tonen, de
verrassing, de verwondering met ons wil delen; poëzie die
het gewone bijzonder maakt, alleen door ons erop te wijzen.
Een boom
vol mussen
en daartussen
een andere vogel.
Dit is van
Geerdi, 10 of 11 jaar toen ze dit schreef.
Hoe deel je een dergelijk openstaan voor, ondergaan van de werkelijkheid?
Niet door uitvoerige, opsommende beschrijvingen, niet door uitleggen,
niet met verwijzingen naar filosofen, niet met aanwijzingen wat
de ander volgens jou moet zien. In plaats van de werkelijkheid
te laten zien, ga je er dan met je woorden voorstaan. Hoe dan
wel? Met weinig woorden, zo weinig mogelijk. Met eenvoudige woorden,
zo eenvoudig als maar kan.
Hoe dan wel? Zo:
Kokospalm
onder de vloeiende wind
luistert het gedicht
en zuivert zich.
Nee, hier
is geen eenzaamheid.
Kijk, het
gras groeit.
De vogels zingen.
En één en al omarming
is de ruimte.
Michaël
Slory
(uit: Waar wordt de lucht gemolken?, 2004)
lag mijn
liefde op je hart als sneeuw op de takken,
blijf toch stil, laat haar liggen.
wit was ze getrokken, de kou.
geen wind
mag je raken, geen hete adem geen tocht.
zo wankel lig ik op jou tot last.
smolt ik
en stroomde zij door je hart tot de uiteinden,
voor de rillingen wil ik me verontschuldigen.
of liet jij de takken schommelen?
verwaaid werd ik tot meer verdriet.
Jit
Narain
(uit: Waar ben je daar, 1987)
Negerschap
is als bloeiende vanille
hoog in de bomen van het bos;
in wijde omtrek
laat de geur niemand los,
hij dwingt een ieder
om naar hem
omhoog te kijken.
mij wikkelt
het
in geur'ge, warme dekens,
mij smaakt het beter
dan 't lekkerste gourmet-banket.
't is mij
een bron
van trots:
mijn vlag,
mijn vuist,
mijn zon.
Eugène
Rellum
(uit Kren/Klim, 1961)
bro
no pori
mi prakseri noyaso,
no kari mi fu luku no wan pe,
tide mi ati trusu mi fu go
te na wan tiri kriki farawe.
no tak'
na lon mi wani lon gowe
fu di mi frede strei èn krei nomo,
ma kondre b'bari lontu mi so te,
san mi mu du, mi ati wani bro.
na kriki-sei
dren kondre mi sa si,
pe alasani moro swit' lek dya
èn skreki-tori no sa trobi mi.
te m'drai
kon baka sonten mi sa tron
wan p'kinso moro betre libisma,
di sabi lafu, sabi tek' fonfon.
Trefossa
(uit Trotyi, 1957)
vertaling:
rust
verstoor
mijn denken niet op dit moment
en roep mij niet om waar dan ook te kijken
vandaag drijft mijn hart mij te gaan
tot aan een stille kreek, ver weg.
zeg niet
dat ik alleen maar weg wil lopen
omdat ik bang zou zijn voor strijd en pijn
maar het rumoer van mensen dringt zo om mij heen,
wat moet ik doen? mijn bloed wil ademen
daar, aan
de kreek, zal ik een droomland zien
waar alles zoeter is dan hier
en schrikverhalen mij niet verontrusten.
als ik
teruggekeerd ben, zal ik misschien
een beetje beter mens geworden zijn
die weet te lachen, slaag weet te verdragen.
Bro moet een
sonnet zijn geweest nog voordat het geschreven werd.
Als
er één gedicht is in de Surinaamse literatuur dat
het criterium: "vorm en inhoud zijn één"
waarmaakt, dan is het bro van Trefossa.
Bro heeft niet de vorm van een sonnet, het is een sonnet, door
en door, in al zijn vezels.
Ziehier het
portret van een kleine jongen, die voor zijn ouders een vers moet
opzeggen.
Daar staat hij, helemaal alleen; verlegen, zenuwachtig.
Haperend, stokkend lukt het hem toch en gaandeweg beter.
U zou ook eens moeten kijken (in de bundel Anjali of in de bloemlezing
Een weinig van het Andere) hoe de woorden op het blad staan, hoe
het alleen zijn van de jongen en het stokken in de vorm worden
uitgebeeld.
Voor
mijn ouders
Nooit liet
de taal
mij
zo verlegen staan
als hier
nu ik
een angstig kind
voor het publiek
een vers moet reciteren.
Alle woorden
kom ik te kort
vergeef mij
dat ik stok
tijdens dit vers.
Vandaag
zing ik
pluk ik
leg ik u
een málá
halfontloken kamals
om uw hals.
En ik kus
in ootmoed
uw handen en
uw voeten
en leg
mijn hoofd
tegen uw hart.
En ik hoor
u
ik hoor mij
Parampriya
Mátu Pitáji,
die ik geloof
die mij hoop zijt en
onbegrijpelijk lief.
Shrinivási
(uit Anjali, 1964)
Al maken dichters
gebruik van het tweedimensionale karakter van geschreven of gedrukte
taal, het lineaire blijft een essentiële eigenschap van taal.
En ook die verschaft de dichter een expressiemogelijkheid, misschien
zelfs de meest karakteristieke voor poëzie. Net als muziek
speelt taal zich in de tijd af, is daardoor beweging, heeft ritme
- ook als zij niet uitgesproken wordt.
Door het ritme
kan taal als expressievorm gaan werken als muziek.
Wan bari odi van Michaël Slory is
daar een prachtig voorbeeld van.
Het begint met Ala mi dyaso en profiteert meesterlijk van de reduplicaties
die het Sranan rijk is: tinga tinga, tukatuka, langilangi, pepepepe.
Hier zien we weer de dichter als echte liefhebber van zijn taal.
boda
son
mi son
mi eigi-eigi son,
yu fes' e puru soso mamanten.
san yongu moro mamanten?
san krakti moro mamanten?
son
mi son
mi eigi-eigi son,
kanti yu wagi na Sranan mofo-doro.
mamanten mu fesa na foto,
mu wowoyo na watra,
mu bogo-bogo na busi.
son
mi son
mi eigi-eigi son,
wi na prapi,
krabasi, ten-ten.
furu wi
nanga mamanten.
Trefossa
(uit Trotji, 1957)
Vertaling:
feest
zon
mijn zon
mijn eigen-eigen zon,
je gezicht schenkt enkel morgen uit.
wat is jonger dan de morgen?
wat is krachtiger dan de morgen?
zon
mijn zon
mijn eigen-eigen zon,
kantel je wagen op Suriname's erf.
morgen moet feesten in de stad,
moet krioelen op het water,
moet overvloedig zijn in het bos.
zon
mijn zon
mijn eigen-eigen zon,
wij zijn kruiken,
kalebassen, blikjes.
vul ons
met morgen.
*) Deze pagina
maakt deel uit van een lezing die Geert
Koefoed in Tori-Oso, Paramaribo, op vrijdag 14 oktober
2005 hield. >
zie aldaar
naar
boven
terug
|