|
Grenzen
van taal
Het geheim van de dichter
door Geert
Koefoed *)
Net als muziek
speelt taal zich in de tijd af,
is daardoor beweging, heeft ritme - ook als zij niet uitgesproken
wordt
In
taal uitdrukken wat in taal niet uitgedrukt kan worden
Het
was onstuimig weer.
Een stevige wind joeg dikke, grijsgroene wolkenpartijen van west
naar oost. Meestentijds bedekten zij de zon, maar af en toe kwam
de zon vrij, het licht stroomde dan over het grasveld en de maïsakker.
Ik zat er met een schrift en probeerde op te schrijven wat ik
zag en hoorde.
Toen begon het uit zo'n samengepakte wolk te regenen.
Een van de eerste druppels viel op mijn schrift, precies waar
mijn pen over het papier schoof.
De inkt vloeide uit.
Eén moment van ergernis.
Maar al gauw zag ik het komische van de situatie in; ik zei tegen
mezelf: "Wat was je eigenlijk aan het doen?"
Je kijkt en luistert, ziet en hoort heel veel tegelijk, het landschap
als geheel en allerlei kleine dingen, je hoort wel vijf soorten
geruis en hoe ze samenklinken.
En alles is in beweging: elk sprietje, elk blad, elke stengel,
de toppen van de bomen; de lucht is geen seconde lang hetzelfde.
En al dat beweeg wil je in woorden vastleggen?
Die regendruppel heeft de woorden die je net geschreven hebt,
onleesbaar gemaakt, het zijn geen woorden meer, het is een aquarel
geworden.
Maar is dat niet een betere weergave van wat je allemaal ziet,
hoort en ervaart dan al die in het gelid staande woorden?"
Zo werd ik die middag geconfronteerd met het probleem van de dichter.
Of, misschien beter, de uitdaging van de dichter, zijn sport,
zijn passie: in taal uitdrukken wat in taal niet uitgedrukt kan
worden.
"de ruimte van het volledig
leven" (Lucebert).
Gedichten
zijn van taal gemaakt
Dezelfde taal waarmee we ons dagelijks leven regelen, de maatschappij
organiseren, waarin we onze kennis van de wereld coderen en doorgeven.
Taal lijkt gemaakt voor het verstand, een uitvinding van de Rede,
een medium voor het denken en voor het analyseren van situaties
in objecten, hun eigenschappen en hun onderlinge relaties.
Natuurlijk gebruiken we taal ook voor het uitdrukken van gevoel:
om te zeggen dat je iemand lief vindt, om te troosten, voor gezelligheid
- lekker samen kletsen over niets.
Maar juist bij dat soort taalactiviteiten zijn de bijkomende expressiemiddelen
van groot belang, om niet te zeggen onmisbaar: stem, intonatie,
gezichtsuitdrukkingen, houding, gebaren.
Als je die zogenaamde 'paralinguïstische'
middelen wegdenkt, is de taal zelf, de woorden plus
de combinatieregels (de grammatica), een merkwaardig 'smal', eendimensionaal
medium: woorden in een lijn gerangschikt, het ene na het andere
en je bent niet eens helemaal vrij in de volgorde want daarvoor
gelden grammaticaregels.
Een beperking
Hoe kun je de rijkdom aan indrukken, gedachten en gevoelens die
ieder mens inwendig beleeft, daarin uitdrukken?
Alles wat je tegelijk ziet als je naar een landschap kijkt, bijvoorbeeld,
moet je ná elkaar vertellen.
Dat kun je heel zorgvuldig doen. Maar de gelijktijdigheid gaat
verloren en die was nu juist wezenlijk voor de ervaring dat je
niet alleen, als waarnemer, naar het landschap kijkt, maar dat
je je erin opgenomen voelt, dat je er deel van uitmaakt. Je moet
er maar op hopen dat die gelijktijdigheid, die 'geheelervaring'
van het landschap, op de een of andere wijze uit je beschrijving
gereconstrueerd kan worden.
De beperktheid van een medium voor expressie is aan de andere
kant juist inspirerend.
Zo kan een beeldend kunstenaar ervoor kiezen te gaan etsen. Daarmee
kiest zij voor stringente beperkingen: alles wat zij wil uitdrukken
moet 'vertaald' worden in krassen in metaal. Maar juist daardoor
creëert zij voor zichzelf de kans, of beter de noodzaak de
expressiemogelijkheden van deze vorm tot het uiterste te onderzoeken
en te benutten.
En dat is wat de dichter doet met taal: de grenzen van nu juist
dit medium onderzoeken, aftasten, misschien een klein eindje verleggen.
De taal die van huis uit meer digitaal is: weergave van kennis,
voertuig voor informatieoverdracht, wat meer analoog te maken:
beeldend, gevoelig, spiritueel. En dat, in eerste instantie, zonder
gebruik te maken van de bijkomende middelen als stem en intonatie.
Grenzen
van taal
Er zijn dichters die de grenzen van taal zó knellend vinden
dat zij die op opvallende wijze doorbreken: zij zetten grammaticaregels
opzij en maken hun eigen woorden.
Zij creëren een soort particuliere taal.
Dit kan tot prachtige poëzie leiden - aangrijpend, teder,
grappig.
Toch heeft deze werkwijze iets oneigenlijks, iets eenmaligs: je
kunt het niet blijven doen.
Taal is niet particulier, maar gemeenschappelijk; niet iets van
individuen, maar van een gemeenschap.
Alle woorden die je kent, hebben hun oorsprong in de ontmoeting
met anderen; de taal die je in hebt en waarin je je wilt uitdrukken,
is de taal van de communicatie met anderen.
Daar
zijn geen woorden voor
Dichters houden van die taal (of talen) en gaan er respectvol
mee om: ze zullen zich er liever niet buiten plaatsen.
Ook niet, of juist niet wanneer ze voelen dat de taal tekortschiet.
Dan willen ze de taal wèl verrijken, vernieuwen.
Het zijn niet alleen dichters die soms voelen dat de taal hen
in de steek laat. Het is een zo algemene ervaring dat de taal
zelf er vaste uitdrukkingen voor heeft:
"onuitsprekelijk", "daar zijn geen woorden
voor", "woorden schieten tekort".
Wat zijn de typerende situaties waarin mensen dit soort verzuchtingen
uiten? Intense belevingen, bijzondere gevoelens, subtiele gewaarwordingen,
spirituele momenten - ervaringen waarvan mensen het gevoel hebben
dat ze uniek zijn.
Taal generaliseert
Eigennamen noemen unieke personen, en in concrete situaties zijn
ik en jij ook aanduidingen van individuen.
Maar de zogenaamde inhoudswoorden (zelfstandige naamwoorden, bijvoeglijke
naamwoorden, werkwoorden) hebben betrekking op categorieën,
niet op unieke verschijnselen.
Taal herleidt het unieke tot het algemene, dat is precies wat
taal tot voertuig van onze kennis maakt.
Maar wat ik voel, is uniek, het is "de allerindividueelste
emotie".
Het is nieuw - en alle woorden noemen dingen die al bekend zijn.
Bovendien, een woord als blij is alleen maar een willekeurige
naam voor het gevoel, een etiket dat erop geplakt is; het woord
zelf zegt niets over het gevoel, het laat er niets van zien.
"Woorden schieten tekort", dat wil zeggen alle bestaande
wijzen van zeggen zouden geen recht doen aan het gevoel dat ik
wil uitdrukken.
Dat kan alleen door een nieuwe manier van zeggen.
De taal nieuw maken, dat is de opgave van de dichter: de dingen
zó zeggen als ze niet eerder gezegd zijn - waardoor ook
de dingen zelf in een nieuw licht komen te staan.
Beeldende taal
Een van de 'trucs' om taal te vernieuwen is beeldspraak, metaforiek.
Beeldspraak is het eerste waaraan men denkt, als het erom gaat
taal beeldend te maken - het woord zegt het al.
Het vermogen om woorden in een nieuwe, metaforische betekenis
te gebruiken is niet voorbehouden aan dichters, het is van ons
allemaal. Het is verwant, of misschien wel identiek met het vermogen
van kinderen om gelijkenissen te zien waar volwassenen, met hun
verkokerde blik, geen oog meer voor hebben: "Kijk, mamma,
een haan!" zegt een driejarige, wijzend op een een ongepelde
pinda.
Het vermogen tot figuurlijk taalgebruik
Het ligt ten grondslag aan de opbouw van de woordenschat en het
repertoire aan uitdrukkingen en spreekwoorden van elke taalgemeenschap.
Maar zodra een metafoor deel uitmaakt van het conventionele repertoire,
is zij even oud, nietszeggend en on-beeldend als alle andere woorden
en behoort zij in poëtisch opzicht tot het 'dode' deel van
de taal. De oorspronkelijke, letterlijke betekenis speelt er dan
ook nauwelijks meer een rol in.
Het geheim van nieuwe, creatieve beeldspraak is dat de letterlijke
betekenis er nog mee verbonden is, het is zelfs de eerste betekenis
die opgeroepen wordt. Er is immers nog geen conventie die er een
andere, metaforische betekenis aan koppelt. De letterlijke betekenis
is meestal heel concreet, verbonden met de zintuigen. Dat roept
lijfelijke herinneringen wakker in de lezer, die vervolgens zelf
creatief moet worden om de overeenkomst (zoals die tussen een
pinda en een haan) zélf te zien. Alleen zo kan een metafoor
een 'onthulling' zijn, een onverwachte kijk op de werkelijkheid
geven en een verrijking zijn van de ervaring van de lezer.
De
vorm van de gedichten
Tot
de ambachtelijke kant van het dichterschap behoort ook het je
eigen maken van een vaste vorm voor gedichten, uit je eigen cultuur
of uit de wereldliteratuur. Met een vaste vorm bedoel ik een vorm
die voldoet aan voorschriften met betrekking tot aantal regels,
rijmschema's, regellengte, metrum.
Met eigen maken bedoel ik dat zo'n vorm van jou wordt, deel van
je taal; dat de voorschriften niet meer werken als eisen van buitenaf,
maar juist als natuurlijke expressievorm.
Dat is niet alleen een kwestie van techniek of virtuositeit.
(Alle noten van een muziekstuk goed spelen, is nog niet musiceren.)
Haiku
Ik permitteer mij even een uitweiding naar een over de wereld
verspreide versvorm van Japanse herkomst, de haiku. Deze bestaat
uit 3 regels van respectievelijk 5, 7 en 5 lettergrepen (totaal
17). Wie erin slaagt om iets in zeventien lettergrepen te zeggen
en deze vervolgens verdeelt in 5 + 7 + 5, heeft nog geen haiku
geschreven.
Je moet de vorm verstaan hebben (zoals je muziek 'verstaat'),
je moet aanvoelen wat voor subtiele spanning de iets langere 2e
regel oproept en hoe die ontladen kan worden in de laatste regel;
je moet voelen dat de vorm op zichzelf, nog niet met woorden ingevuld,
een bepaalde toon heeft en daarin een stemming uitdrukt, een levensgevoel,
een houding tegenover het zijn.
Als dat je eigen is geworden, in je is gaan zitten, dan dienen
de observaties die je doet, in het landschap, of rondom je huis,
of als je naar de nachthemel kijkt, zich als haiku aan.
Het zijn al haiku nog voor ze geschreven zijn.
Een sonnet
Ook het schrijven van een sonnet is geen kwestie van je aan de
voorschriften houden: 4 + 4 + 6 regels en een bepaald metrum.
Ook bij het sonnet moet je de muziek van de vorm hebben verstaan
en het levensgevoel dat daarin wordt meegedeeld.
Dit is niet eenduidig, zoals ook een muziekstuk niet ondubbelzinnig
met één bepaalde stemming verbonden kan worden.
Het is daarom moeilijk te omschrijven.
Ik doe toch een poging: een sonnet heeft voor mij 'van huis uit'
de toon van een tragisch (want onvervulbaar) verlangen dat toch
niet somber is omdat de schoonheid van het verlangde er zich in
weerspiegelt.
Vrije
vorm
Ook als een dichter een vrije versvorm kiest, zonder voorschriften
op het gebied van rijm of metrum of regellengte, geeft zij vorm
aan taal. Zij maakt dan gebruik van het feit dat geschreven of
gedrukte taal, woorden op een vel papier, twee dimensies heeft:
horizontaal en verticaal.
Gevoelens
Die kunnen behalve bijzonder, subtiel, nieuw, uniek ook groot
zijn. Ook de gevoelens van een kind. "Te groot voor woorden".
Althans voor de gewone woorden uit de dagelijkse taal. Hoe die
grootheid, dat alles omvattende, dat verhevene van een gevoel
uit te drukken?
Versterkende woorden hebben weinig effect of juist het tegenovergestelde
(en goede dichters weten dat). Heel erg eenzaam is niet eenzamer
dan eenzaam en verschrikkelijk verdrietig niet verdrietiger dan
verdrietig. Oneindig teder is geen tedere uitdrukking voor tederheid,
integendeel: de tederheid wordt erin gehamerd.
Maar er zijn 'grote' woorden. Groot, niet in die zin dat ze van
zichzelf zo'n geweldige betekenis hebben, maar omdat ze voorkomen
in 'grote' geschriften, die een lange traditie hebben, in heilige
teksten; of omdat ze deel uitmaken van een verheven taal. Daardoor
verheffen deze woorden zich, mits op een voorzichtige, schroomvallige,
eerbiedige manier gebruikt, boven het alledaagse en kunnen zo
de grootheid van een gevoel of beleving uitdrukken. Dit is wat
er gebeurt in de laatste strofe van Voor mijn ouders, met de plechtige
Hindi aanspreektitel voor de ouders en de woorden geloof, hoop
en lief(de).
Al maken dichters
gebruik van het tweedimensionale karakter van geschreven of gedrukte
taal, het lineaire blijft een essentiële eigenschap van taal.
En ook die verschaft de dichter een expressiemogelijkheid, misschien
zelfs de meest karakteristieke voor poëzie. Net als muziek
speelt taal zich in de tijd af, is daardoor beweging, heeft ritme
- ook als zij niet uitgesproken wordt. Door het ritme kan taal
als expressievorm gaan werken als muziek.
Een
van de functies van taal is zingeving
Op zoek gaan naar de betekenis van ervaringen.
Na schokkende gebeurtenissen weer een greep op de werkelijkheid
proberen te krijgen, existentiële vragen stellen en misschien
beantwoorden, tot een nieuwe levenshouding komen.
Dit is geen specifieke functie van poëzie.
Wie geen dichter is schrijft een dagboek, voert gesprekken met
vrienden of schrijft brieven aan hen; of gaat op zoek naar herkenning
in wat anderen hebben geschreven.
Maar het is opvallend dat juist poëzie in crises, in existentiële
grenssituaties, een grote rol speelt, receptief: mensen die niet
speciaal van gedichten hielden, gaan op zoek naar poëzie
die verwoordt wat hen bezighoudt; en productief: mensen die zichzelf
nooit als dichter zagen, schrijven tot hun eigen verbazing opeens
een gedicht.
Maar
er is ook poëzie die ons de werkelijkheid alleen wil tonen
De verrassing, de verwondering met ons wil delen;
poëzie die het gewone bijzonder maakt, alleen door ons erop
te wijzen.
Een boom
vol mussen
en daartussen
een andere vogel.
Dit is van
Geerdi, 10 of 11 jaar toen ze dit schreef.
Poëzie en werkelijkheid
In de filosofie wordt wel onderscheid gemaakt tussen twee houdingen
tegenover de werkelijkheid: de subject-object-relatie versus de
dialoog, ook wel weergegeven als ik - het versus ik - jij.
Het is goed te beseffen dat tot de werkelijkheid ook de ander
behoort, de mensen met wie we omgaan.
Het willen kennen is het prototype van de ik-het-relatie. De werkelijkheid
tegemoet treden, ervan afzien deze te begrijpen (er greep op te
krijgen), je ervoor openstellen, dat is streven naar een ik-jij-relatie.
En poëzie is misschien wel bij uitstek de taalvorm die deze
houding tegenover de werkelijkheid gestalte kan geven.
Hoe deel je een dergelijk openstaan voor, ondergaan van de werkelijkheid?
Niet door uitvoerige, opsommende beschrijvingen, niet door uitleggen,
niet met verwijzingen naar filosofen, niet met aanwijzingen wat
de ander volgens jou moet zien. In plaats van de werkelijkheid
te laten zien, ga je er dan met je woorden voorstaan. Hoe dan
wel? Met weinig woorden, zo weinig mogelijk. Met eenvoudige woorden,
zo eenvoudig als maar kan.
Poëzie is niet:
dingen die ook anders gezegd kunnen worden, op een bijzondere
('poëtische') manier zeggen.
Poëzie is:
het bijzondere van de dingen laten zien, in zo gewoon mogelijke
taal, dat wil zeggen in taal die niet bijzonderder is dan waar
het bijzondere van de dingen om vraagt.
Poëzie is niet: betekenissen
verstoppen achter een gordijn van gecompliceerd, 'kunstig' taalgebruik
dat vooral de aandacht op zichzelf vestigt.
Poëzie is: het tonen
van stukjes nieuwontdekte werkelijkheid - "nieuw in het gezicht".
Geert
Koefoed
*) Deze pagina
maakt deel uit van een lezing die Geert Koefoed in Tori-Oso, Paramaribo,
op vrijdag 14 oktober 2005 hield.
Dit
artikel is op verschillende plaatsen bekort.
Behalve dat zijn de passages die gedichten uit het Sranantongo
behandelen op de volgende pagina geplaatst. >
lees daar verder
U kunt de
volledige tekst opvragen bij: archief
naar
boven
terug
|
|