|
De
zes kwaliteiten en de vragen
Zinvolle vragen stellen

Onderwijs
is als een wasmachine
"Het is daarom van belang om voldoende geld te hebben om
die machine lekker draaiende te houden.
Want als je de was wilt doen, dan dient de wasmachine gewoon
te functioneren."
Aldus de toenmalige minister van onderwijs
Ritzen, in de Balie, op 22 september 1998.
Een wrange metafoor:
onderwijs als een wasmachine. Want dan staat de school voor
de machine zelf, is de leerling de vuile was en de leerkracht
degene die de knop indrukt, waardoor het af te draaien programma
in gang wordt gezet.
Het beeld spreekt boekdelen.
Centraal in het denken van de voormalige onderwijsminister,
en in de huidige politiek, staat de input-output gedachte. De
machine ontvangt, bewerkt en spuugt uit.
Goed onderwijs is efficiënt onderwijs.
Uiterlijke- en innerlijke biografie
van kinderen
Wij hechten waarde aan diploma's, maar ook aan de ontwikkeling
van de leerling.
We spreken wel van een uiterlijke biografie (het behalen van
cijfers en harde resultaten) en een innerlijke biografie, de
innerlijke ontwikkeling van het kind.
Wie zich louter richt op de uiterlijke biografie, heeft aan
de input outputgedachte genoeg.
De innerlijke biografie vraagt echter niet om informatie die
wordt gereproduceerd, maar om informatie die een transformatie
in gang zet.
De lesstof is een doel om het diploma te behalen en vooral ook
een middel om de innerlijke ontwikkeling van de leerling recht
te doen en waar mogelijk te stimuleren.
Daarbij is het stellen van vragen vanzelfsprekend van cruciaal
belang.
Vragen naar de bekende weg
Stel dat je op een ochtend werd aangesproken door een passant
met de vraag hoe hij bij de Meervaart zou kunnen komen en je
vertelt hem dat dat bijvoorbeeld vanaf het Centraal Station
kan met tram 1 of 17 richting Osdorp. Nou, zegt de ander dan,
fout, want ik ken een veel kortere verbinding.
Dan zou je vreemd opkijken. Als iemand het zo goed weet, waarom
vraagt hij het dan?
Hoe vaak vragen wij als leraren niet naar de bekende weg? Hoe
vaak stellen wij niet gesloten vragen?
In de vakliteratuur wordt dat wel de
driekwart regel genoemd.
Wat houdt die regel in?
Loop een willekeurige klas binnen waar les wordt gegeven. In
driekwart van de gevallen is er sprake van een talige activiteit:
er wordt gesproken.
Wie voert het woord? In driekwart van de gevallen spreekt de
leerkracht.
Hoe doet hij dat? In driekwart van de gevallen stelt hij een
vraag.
Kortom, de leerkracht praat teveel en de leerlingen komen te
weinig aan bod. Als een les een uur duurt en er zitten twintig
kinderen in de klas, dan heeft elk kind gemiddeld een spreektijd
van nog geen minuut.
Taalgebruiksonderwijs
Het gebruik van taal door de leerlingen verloopt dan vaak ook
nogal onbevredigend. Dat is vreemd.
Zoals ook Bok
in zijn proefschrift uit 1998 over taalontwikkeling opmerkte.
Hij stelt:
"Er is een levensgroot contrast tussen het natuurlijke
taalontwikkelingsproces tijdens de eerste vijf jaren na de geboorte
en de voortgezette, didactisch gestuurde taalontwikkeling op
school. Welbeschouwd staan die twee processen diametraal tegenover
elkaar. Dat is verwonderlijk; het natuurlijke proces verloopt
zo succesvol, dat voortzetting daarvan voor de hand zou liggen."
In het boek 'Taal
in beeld' dat ik in samenwerking schreef met Mariette
Hoogeveen van het SLO spreken we van taalgebruiksonderwijs.
Ik noem de kenmerken hierbij in trefwoorden, zodat duidelijk
wordt op basis waarvan je tot zinvolle vragen kunt komen in
de les.
Taalgebruiksonderwijs betekent
dat we ervan uitgaan
- dat
leren een actief proces is, en niet passief en receptief
- dat zowel leerling als de leerkracht de taal scheppend gebruikt
en niet de klassieke rolverdeling waarin de leerkracht spreekt
en de leerling alleen luistert,
- dat de leerkracht de leerlingen stimuleert om met behulp van
taal kennis op te doen, en niet alleen de kennisinhoud uitlegt
en die vervolgens toetst,
- dat de leerkracht een flexibele rolverdeling uitlokt, en niet
krampachtig aan een vaste rolverhouding vasthoudt,
- dat de leerling actief is in plaats van passief,
- dat het geleerde persoonsgebonden is,
- dat de les breed is, met inzicht, attitude, vaardigheid, levendigheid,
met alledaagse handelingskennis in plaats van een smalle les:
feitjes en weetjes en definities, de saaie schoolse kennis,
- kennis wordt geïntegreerd en bestaat niet uit begrippen
die de leerling niets zeggen.
We
nemen er een aspect uit: de leerling is actief
Een
leerling kan actief worden als je een open vraag stelt.
Maar ook die vragen moeten weer worden gevarieerd, omdat je anders
telkens eenzelfde soort vraag gaat stellen.
Voorbeeld: het boekverslag
Je vraagt altijd naar de betekenis, je vraagt nooit of ik de hoofdpersoon
aardig vindt of niet!
Om de valkuil te vermijden dat je als leerkracht toch bij voortduring
vraagt naar de bekende weg, waarbij de input - output gedachte
nog steeds overheerst, hebben we als college op basis van jarenlange
ervaring een onderscheid gemaakt in diverse kwaliteiten van de
leerlingen.
We
onderscheiden zes verschillende grondhoudingen
Een grondhouding valt te vergelijken met een toonsoort in de muziek.
De toonsoort zegt niets over de inhoud, het tempo of de instrumentatie
van het muziekstuk, maar wel over de stemming waarin de compositie
zich ontvouwt. De grondhouding zegt dus niets over het wel en
wee in iemands leven en evenmin iets over de vaardigheden.
Maar de grondhouding heeft wel degelijk een bepaalde kwaliteit
en het is de kunst de vraag daarop af te stemmen, zodat de innerlijke
biografie van de leerling geraakt wordt.
Naar aanleiding daarvan kun je dan ook gericht zes verschillende
soorten vragen stellen. Nogmaals: de zes verschillende soorten
kwaliteiten dienen dus een tweeledig doel: enerzijds vermijden
ze dat de docent telkens hetzelfde soort vragen stelt, anderzijds
doet het recht aan alle verschillen die er bestaan tussen leerlingen.
Vanzelfsprekend is het een middel, en is het geen moment de bedoeling
de leerling in een hokje te stoppen of te stigmatiseren.
Een
voorbeeld
Een artikel uit de NRC, voor leerlingen van 16 en 17 jaar oud,
in verschillende klassen, niveau havo en vwo. Het is een artikel
van zaterdag 5 november 2005 en het handelt over de rellen in
de Parijse voorsteden.
Aan het woord is een Franse socioloog,
Laurent Muchielli.
De
zes kwaliteiten en de vragen
1.
Het onderzoekende type
voelt de behoefte te onderzoeken hoe de wereld om hem heen functioneert
en hoe de samenhang van de verschijnselen te verklaren is.
Het zijn de diepgravers, die weinig oog hebben voor het alledaagse.
Het gevaar is dat zij zich afsluiten in hun onderzoeksgebied als
volwassene en vakidioot worden. Zij zien de wereld door een koker.
Vraag: wat is er nu
echt aan de hand in de Parijse voorsteden.
Een
vraag naar de kern, naar waar het allemaal uiteindelijk eigenlijk
om draait. De leerling die in een zin een samenvatting kan schrijven.
Hij boort, in plaats van schaaft.
2.
Het denkende type
voelt de behoefte zijn wereld van voorstellingen te ordenen in
systemen en theorieën meest in grotere samenhangen. Hij streeft
naar een groot overzicht en details zijn niet interessant.
Hij zit op een troon, van waaruit hij ongenaakbaar de wereld overziet
en ordent, symmetrisch en volgens vaste regels.
Harry Mulisch.
Niet voor niets is Goethe
als persoon zijn grote voorbeeld. Houding. Het is de leerling
die van nature zelf op school lastig is en zelf altijd moeilijke
vragen stelt. De vragen die op schoolse examens gesteld worden,
de multiple choice vragen, ervaren zij als een belediging.
Vraag: kun je
een overzicht geven van alle mogelijke oorzaken, in de volgorde
die jij kiest: de belangrijkste oorzaak eerst enzovoorts.
3.
Het organiserende type
voor dit type is de wereld er om aangepakt, geordend en beheerst
te worden. Op school zit hij in het verenigingsleven, hij wil
organiseren en actief bezig zijn. Hij bewerkt chaos. Een gevoelige
chaos. Het is stromende beweging. Hoe die stroom beweegt, hangt
af van de omgeving en de omstandigheden. Het is een grappenmaker,
hij heeft humor. Hij kan zich aanpassen en is een realist.
De vertegenwoordiger.
Vastgelopen situaties komen weer in beweging, een vrolijk mens.
Vraag: welke initiatieven
kunnen er worden genomen om deze problemen te lijf te gaan, volgens
de socioloog, en hoe sta jij tegenover die ideeën?
4. Het verzorgende type
voelt behoefte om te verzorgen, om er te zijn voor de anderen.
In het sociale leven scheppen ze de ruimte voor de ander, zonder
zelf op de voorgrond te treden. Zorgen voor gezelligheid en geborgenheid.
Je moet stil worden en luisteren. Bescheiden.
Vraag: wat komen de mensen
in de buitenwijken volgens jou te kort? En wat is daar aan te
doen?
5.
De vernieuwende grondhouding
wil het bestaande veranderen en verbeteren. In het leven zelf
komt dat tot uiting in een therapeutische houding (zieken willen
genezen), tot de revolutionair, de grote vernieuwers van het onderwijs
bijvoorbeeld.
Het zijn ketters van de innerlijke stem: zij geven hun leven voor
de innerlijke overtuiging. De innerlijke activiteit wordt de wereld
ingedragen, doelbewust wordt die wereld veroverd.
Het is een naar buiten gerichte activiteit. Stuwing.
Het is de ondernemer.
Vraag: som de drie oplossingen
voor het probleem en voeg er zelf twee aan toe,
6. De conserverende grondhouding
wil het bestaande in stand houden, registreren, weergeven, controleren.
Boekhouders, bibliothecarissen, ook diplomaten.
Als leerling houdt hij van reproductie. De herhaling. Gericht
op uiterlijkheid en op zekerheid van herhaling in het gewoonteleven:
de conventionele mens.
Zij die alles opschrijven en uit het hoofd leren, maar geen antwoord
weten op de vraag die ze niet gehad hebben en die om zelf denken
vraagt.
Vraag:
het artikel bestaat uit zeven vragen en zeven antwoorden.
Geef per antwoord een korte en zo precies mogelijke samenvatting.
Marcel
Seelen, leraar Nederlands Geert
Grote College Amsterdam,
Lezing op de stedelijke werkconferentie Taalbeleid PO en VO, De
Meervaart Amsterdam, 2005
naar
boven
terug
|
|