|
Woordtesten
Onzinwoorden
in het leven van kinderen

Regelmatig
kom ik bij leerkrachten de behoefte tegen om kinderen voor raadsels
te plaatsen.
De taalmethodes staan er bol van.
'Welke
woorden staan hier?'
valaf
nertaicon
daalpemerem
lenbakprul
bakas
De kinderen gaan braaf
aan het puzzelen en de slimmerikjes komen met de oplossing.
Wel, ik betoog dat leerkrachten dat beter niet kunnen doen. Dat
ze de kinderen niet met onzinwoorden moeten confronteren.
Leren schrijven is iets anders is dan het oplossen van puzzeltjes.
Meestal zijn de leerkrachten het wel met mij eens maar beroepen
zich op een soort ingeslopen gemakzucht waarmee dergelijke oefeningen
het onderwijs binnenkomen.
Dyslectisch?
Eén van de leerkrachten komt met het argument dat het voor
dyslectische kinderen
juist goed is om ze verhaspelde woorden te voeren.
Ze zouden er baat bij hebben en hun verstoorde woordbeeld zou
op die manier verbeteren.
Ik geloof daar niets van, maar wie ben ik?
Daarom vroeg ik Fie
van Dijk, die veel over dyslexie nagedacht en
geschreven heeft: "Weet jij iets van deze stelling, die ergens
door een wetenschapper vastgesteld is?
Of zou het een schappenweter geweest zijn?"
Henk van Faassen
Fie
van Dijk schreef:
Autonome visie
Het gebruik van onzinwoorden in het lees-
en schrijfonderwijs komt voort uit een technologische visie op
geletterdheid.
Dat noemt de Engelse sociaalantropoloog Brian Street de
autonome visie: lezen en schrijven zijn louter technische vaardigheden,
die los staan van het dagelijkse leven.
Vanuit deze visie hoeven teksten dan ook geen betekenis te hebben
voor de leerlingen.
Het leesonderwijs gaat ook altijd over 'essayteksten', dus kleine
opstelletjes, die niet per se met het leven van de kinderen te
maken hebben.
Daar horen ook rijtjes onzinwoorden of rare woorden bij.
Kijk bijvoorbeeld maar eens naar die rare AVI-toetsen.
Of zie de woordtesten van Brus: hoeveel rare losse woorden
kan een kind binnen 1 minuut lezen?
Het gaat dus om letters en snelheid.
Over lezen van mededelingen, graffiti, onderschriften, folders,
boodschappenlijstjes hoor je deze schappenweters nooit.
Ideologische
visie
Over die andere visie die Brian Street
de ideologische visie noemt, en waarbij het uitgangspunt is
dat geletterdheid ingebed is in het dagelijks leven, en dat er
vele soorten van geletterdheid bestaan, zoals schoolgeletterdheid
en thuisgeletterdheid, gabbergeletterdheid en stuudjesgeletterdheid,
hoef ik jou, die op de Taaldrukwerkplaats de werkwijze om deze
visie te realiseren in taalonderwijs mede hebt ontwikkeld, niet
te vertellen.
Valstrikken
Een tweede motief om gebruik te maken van
onzinwoorden is een raar trekje van regulier onderwijs, namelijk
de sterke neiging tot het zetten van valstrikken.
De slimmerikjes onder de leerlingen vinden dat leuk, maar een
groot deel van de leerlingen worden in opperste verwarring gebracht.
En dat is goed voor de selectie van bokken en schapen, voor de
ratrace die het onderwijs helaas nog steeds is.
Dit motief komt dus voort uit een bepaalde visie op onderwijs.
Als
we dus in de literatuur over dyslexie een antwoord op jouw vraag
willen zoeken, moeten we in ieder geval de visie van de auteur
op onderwijs en geletterdheid goed in de peiling houden.
Nou, ik heb nog nergens gevonden dat onzinwoorden goed zijn voor
dyslectici.
Wel heb ik ervaring met kinderen met ernstige lees- en schrijfproblemen.
Ik zag deze kinderen opbloeien als ze op grote vellen papier hun
eigen tekstjes mochten kliederen.
Op school moesten ze tussen de lijntjes blijven, en dat konden
sommigen nog niet.
Als ze later mooie boekjes maakten, hun teksten keurig uitgetypt
en tekeningen erbij, en die met plezier terug lazen. Dat is wat
anders dan die dooie visjesvreters van de Methodes.
En volgens mij tieren de kinderen er stukken beter bij.
Matteüs
effect
Een aanvulling op mijn antwoord geeft het
artikel: 'Matteüs effecten in leesvaardigheid; de invloed
van lesmethoden op lezers' van de Belgische taalkundige Boris
Mets (in: Vernieuwing, februari 1998)
Een Matteüs effect in leesvaardigheid wil zeggen dat aanvankelijke
verschillen tussen goede en slechte lezers in de loop van de tijd
steeds slechter worden.
Mets wijst erop dat in de meeste onderzoeken over leesvaardigheid
alleen gekeken wordt naar leerlingenkenmerken, zoals taalvaardigheid,
leesattitude, woordenschat, maar dat het leesonderwijs zelf nauwelijks
geobserveerd wordt.
Maar zijn eigen onderzoek naar wat er in de klas gebeurt, wijst
uit dat de interactie van de leerkracht met goede lezers heel
anders is dan met slechte lezers.
De meest opvallende bevinding is dat leerkrachten in de lage niveaugroepen
de nadruk leggen op het automatiseren van het decodeerproces,
het aanleren van letter-klankrelaties.
Daartoe moeten de leerlingen zeer vaak losse woordjes lezen en
blijft het lezen veelal beperkt tot technisch lezen.
Leerlingen in de hogere niveaugroepen krijgen veel meer mogelijkheden
tot begrijpen, interpreteren en waarderen van zinvolle tekstgehelen.
Ook moeten leerlingen uit de lage niveaugroepen veel vaker hardop
lezen, waarbij ze steeds maar weer worden onderbroken door de
leerkracht.
Daardoor verschuift de aandacht bij het lezen van zinvolle teksten
gemakkelijk naar louter technische aspecten in plaats van naar
de inhoud.
Die verenging van lezen biedt zwakke lezers weinig kansen om hogere
aspecten van leesvaardigheid te leren beheersen.
Bovendien heeft onderzoek uitgewezen dat een aanpak die puur op
lagere vaardigheden, als woordherkenning en decoderen, is gericht
vaak demotiverend werkt.
Het groeiende verschil tussen sterke en zwakke lezers wordt dus
geproduceerd door de verschillende benadering van de twee groepen,
en is geen zuivere leerling-interne aangelegenheid.
Mets wijst erop dat leerkrachten in zekere zin gedwongen worden
om veel aandacht te besteden aan technische aspecten van lezen
omdat ze ter verantwoording worden geroepen voor wat er in hun
klas gebeurt via gestandaardiseerde leestests, die alleen maar
technische vaardigheden meten.
En zo is de cirkel weer rond.
Fie van Dijk
[
Fie van Dijk is 8 februari 2002 overleden "Niet te lang
treuren, blij zijn dat we elkaar gehad hebben" ]
Dit artikel is
aan te vragen bij archief
taalvorming
naar
boven
terug
|
|