startpagina

register
trefwoorden


index
literatuur


taalwerkvormen


bekijk
foto's, werk


lees ook:
Nut van taalonderwijs


Ontwikkelend onderwijs en taalvorming
Meer dan een woord

Er wordt in het algemeen te weinig gepraat in de klas
De meeste gesprekken zijn leergesprekken
De leerkracht vraagt de leerlingen naar wat ze geleerd hebben en houdt voornamelijk instructiegesprekken.
De leerling kan het goed of fout doen en wordt daarop afgerekend.
Op sommige scholen wordt een obligate maandagochtend-kring gehouden. Daarin wordt wel gepraat, maar van een kwalitatief gesprek is meestal geen sprake. De leerkracht houdt tijd en orde in de gaten, meer niet.

Dan zijn er nog de informele gesprekken voor en na de les.
Als het goed is voldoen die nog het meeste aan een 'praatontwikkeling' bij kinderen die bijdraagt aan de taalontwikkeling als geheel.
In het onderwijsveld dat ik ken, grootstedelijke scholen met een hoog percentage kinderen met een taalachterstand, is de vraag naar passende hulp van consulenten taalvorming bij vernieuwing van de taalaanpak van de basisscholen groot.
Hoe kan een individuele leerkracht of een schoolteam profijt hebben van de inzichten en werkwijzen van mensen uit het veld van de kunstzinnige vorming en is een en ander inpasbaar in de taalaanpak?

De informele kracht van een gesprek
Die gebruiken taalvormers in gestructureerde vorm tijdens hun lessen.
Daarin zijn de vertelsels van de kinderen authentiek, vrij van opgelegde normen, en wordt de kwaliteit van mondelinge communicatie ontwikkeld.
Hoe voorkomen taaldrukkers dat in een kringgesprek bepaalde kinderen steeds aan het woord zijn en andere afhaken?
In de eerste plaats is het niet zo dat stille kinderen ook afhaken. Hun participatie is moeilijk af te leiden aan het aantal uitgesproken zinnen, maar moet ontdekt worden bij het vervolg van de taalactiviteit.
Het is ook niet zo dat kinderen die steeds het hoogste woord hebben kwalitatief een goede bijdrage leveren.
Vaak is het tegenovergestelde waar.
Door het stellen van stimulerende vragen betrekken we alle kinderen bij het gesprek en voorkomen we dat de 'haantjes-de-voorste' steeds aan het woord zijn.
Het vereist een meer menslievende dan professionele belangstelling voor wat kinderen te zeggen hebben.
Daarin hebben consulenten taalvorming zichzelf getraind en kunnen leerkrachten geoefend worden.

Eerst zorgen voor een veilig niveau binnen mondelinge taalontwikkeling alvorens begrijpend lezen en stellen aan te bieden. We zullen de kinderen altijd eerst laten praten, dan pas schrijven. Binnen dat proces is begrijpend lezen vanzelfsprekend. De opbrengst daarvan zal zijn dat een leerling ook schriftelijk materiaal van anderen beter leert opnemen. Het leren stellen is via de door henzelf uitgesproken zinnen veel simpeler en meer logisch.
Taalvormers plaatsen luisteren en spreken op het zelfde niveau als lezen.
Dat blijkt uit de cyclus die gehanteerd wordt:

Een vertelkring brengt de kinderen bij hun onderwerp.
Een lijstje zorgt voor een ordening van alle associaties.
Het tweetalgesprek erna laat woorden klinken alvorens ze opgeschreven worden.
Wat geschreven is wordt gedrukt, voorgelezen en verspreid.
De gedrukte boekjes leveren weer stof voor een vertelkring.
Daarmee is de cyclus rond.

De organisatie van de klas moet vanzelfsprekend aan dit taalaanbod aangepast zijn.
De opstelling van de tafeltjes zodanig dat frontaal onderwijs doorbroken wordt en dat er mogelijkheden zijn voor het op ieder gewenst moment houden van een vertelkring. Een opstelling in tafelgroepjes voorziet per definitie in een betere communicatie tussen de kinderen dan de rijen met alle ogen gericht op de leerkracht en het bord.

Er is geen verschil tussen nieuwe taalleerders en Nederlandstalige kinderen Zogenoemde zijinstromers kunnen in alle talige situaties zoals die binnen taalvorming voorkomen meedoen, zelfs als de Nederlandse taal nog onvoldoende beheerst wordt. Onderdelen van de groepsactiviteiten stralen op hen af alsof ze de taal wel beheersen.
De talige productie wordt gelijkelijk opgebouwd tussen de zij instromers en de rest van de groep.
De werkvormen en zeker de drukwerkvormen bieden voor hen zoveel houvast dat ze er aan mee kunnen doen. Een gevoel van zelfvertrouwen ten opzichte van het geheimzinnige gebied van vreemde tekens en klanken zal daardoor vanzelfsprekend ontstaan.

Taalvorming voorziet in actief lezen
Naast 'technisch' lezen en 'begrijpend' lezen is er een groter en in het kader van ontwikkelingsgericht onderwijs relevant gebied namelijk 'actief' lezen.

Technisch lezen is het ontwikkelen van een vaardigheid.
Begrijpend lezen is het ontwikkelen van inzicht in de stof.
Actief lezen is het hele gebied van creatieve betrokkenheid op de inhoud.

Taalvormers ontwikkelen actief lezen en maken het toepasbaar in communicatieve processen.
Ze zorgen ervoor dat lezen vanaf het begin betekenisvol is, functioneel is voor 'begrip' en 'beleving'.
We sluiten aan bij wat een kind kan en weet en zetten deze eigen taalervaringen in, op de plaats van de door een methodische lijn voorgeschreven leesteksten.
Vertelronden zijn de ruggengraat van alle taalactiviteiten en we gebruiken daarbij uitdagende werkvormen zoals het lezen en voorlezen van gedichten.
Samen lezen, maar dan voornamelijk uit een eigen gedrukt boekje.

De zorg voor een samenhang tussen het kennisgebied en de vaardigheden
Kennis komt niet van buiten, wij geloven in ervaringskennis.
Wij zullen kinderen niet leren hoe een boom groeit, maar het met hen hebben over hun zintuiglijke ervaringen met bomen, hoe het is als je met je neus tegen de stam staat, hoe het voelt als je onder de takken een tijdje droog blijft, wat je proeft als je op een takje kauwt, wat je voelt van de prik van een bolster en de gladheid van een kastanje.
Het gaat ons niet alleen om schoolse vaardigheden en wijsheden. De kinderen worden benaderd vanuit alles was ze kunnen, willen, voelen. Het omzetten in woorden daarvan en het ontwikkelen van verbeeldingskracht staan centraal.

Taalvorming werkt per definitie ontwikkelingsgericht.
De zorg voor een samenhang tussen het kennisgebied en de vaardigheden is een doel van ontwikkelend onderwijs.
Kennis komt niet van buiten, wij geloven in ervaringskennis. Wij zullen kinderen niet leren hoe een boom groeit, maar het met hen hebben over hun zintuiglijke ervaringen met bomen.
Hoe het is als je met je neus tegen de stam staat. Hoe het voelt als je onder de takken een tijdje droog blijft, wat je proeft als je op een takje kauwt, wat je voelt van de prik van een bolster en de gladheid van een kastanje.
Het gaat ons niet alleen om schoolse vaardigheden en wijsheden. De kinderen worden benaderd vanuit alles was ze kunnen, willen, voelen.
Het omzetten in woorden daarvan en het ontwikkelen van verbeeldingskracht staan centraal.

Stap na stap
De meest genoemde theorie van Vygotsky is: Het onderwijs moet de 'zone van de naaste ontwikkeling' zoeken.

Taalvormers proberen al werkend en van binnen uit vast te stellen hoe de aangeboden onderwerpen en werkvormen bij de kinderen functioneren: Hoe praten kinderen in de kring. Wat schrijven ze. Hoe maken ze gebruik van elkaars deskundigheid, welke manier van samenwerken kiezen ze.
Op grond daarvan bepalen we wat de volgende stap is.
Soms wordt die stap aan de gehele groep, vaker aan individuele kinderen, aangeboden. Bijvoorbeeld: als kinderen algemeen schrijven, zorgen we ervoor dat ze in een volgende les naar details kijken.
Als de groep weinig aan kan zullen we minder variatie in de werkvormen aanbieden.
De kinderen waarderen het herhalen van bekende werkvormen, terwijl de leerkrachten vaak zoeken naar steeds nieuwe.
In zulke gevallen kiezen wij voor een verdieping vanuit een deskundigheid van de kinderen zelf, in plaats van steeds nieuwe technieken uit de kast te halen. Het is van belang een opbouw te maken voor wat een groep, en een individu daarin, aankan. De bepaling daarvan is intuÔtief en wordt al werkend, flexibel, gemaakt.

Daarmee is vastgesteld dat leerkrachten een ruim arsenaal aan taalwerkvormen moeten beheersen en zich niet kunnen beperken tot een enkel leuk techniekje voor de momenten dat de taalles saai is.

Ik merk dat de meeste aandacht van ontwikkelingsgericht onderwijs uitgaat naar de onderbouw. Veel vernieuwende tendensen worden daar ingezet.
Ik zou willen zeggen dat juist in de bovenbouw, als de kinderen de beginselen van lezen en schrijven onder de knie hebben, meer tijd en aandacht is voor functionerende taal.

Taalvorming is geen methode
Een paar uitgangspunten met betrekking tot ontwikkelend onderwijs en taalvorming vallen op. Met taalvorming wordt een taalsituatie gecreŽerd en bewaakt waarbinnen kinderen zichzelf en anderen vormen. Hulp bij het ontwikkelen van taal en taalgevoel bij kinderen en het ondersteunen van leerkrachten die deze werkwijze willen inpassen in hun eigen taalaanpak is het werkdoel.

Taalvormers en anderen leren kinderen zicht te krijgen op hun omgeving
Opdoen van ervaringen en herkennen van zichzelf in die omgeving. Vandaar uit ontwikkelen we de taalverwerving met bijvoorbeeld aandacht voor verbeeldingskracht, het leren precies te kijken en te verwoorden, het hanteren van alle zintuigen en de associatieve relaties tussen bijvoorbeeld een voorwerp en een verhaal.

Ondanks alles houden taalvormers idealen voor vernieuwing, soms tegen de wind in, in stand.
Kinderen vallen door de onderwijsmand als ze in het algemeen praten en bijvoorbeeld zeggen:
'Je kunt achter op een fiets zitten',
een kennisaspect zonder veel waarde.
Taalvormers vragen liever:
'zit je wel eens achter op een fiets, hoe is dat?

Henk van Faassen